Column O. Naphta – Upstairs Downstairs (1)

Omdat de planologische zomeropruiming dit jaar weinig biedt een serieus onderwerp, de klassenstrijd. Klassenstrijd? Was dat niet van toen, arbeiders tegen vuile kapitalisten? We hebben nu meer een cultuurstrijd, wordt gezegd: niet-meekomers met de globalisering die immigranten buiten de deur willen houden omdat die hun banen afsnoepen en lonen laag houden tegen meekomers die daar geen last van hebben, veelkleurige cultuur s(t)imuleren en verdienen aan andermans flexibiliteit, auto en logeerkamer? In Nederlandconsensusland heeft alleen de schoolstrijd de gemoederen ooit flink verhit, de klassenstrijd was nooit populair. Een handvol communisten uitgezonderd, zag niemand er wat in. Waarom gedoe als er een democratie is, vond het democratisch socialisme. Overleg, consensus en afkoop zijn hier de strijdmiddelen.

Na Kapitaal in de 21e eeuw door Thomas Piketty (2013) dacht een enkeling dat de klassenstrijd weer terug was. Dr. K. Marx werd weer van stal gehaald. Maar overhypothekering en huizen-onder-water
overspoelden de korte opleving. Voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2017 verschenen tal van beschouwingen over het populisme. Daarin domineerden vage veronderstellingen over woede, boosheid, anti-elite (‘hun doen maar’) en immigratie. Flexibilisering van arbeid, vermindering van koopkracht en negatieve loonontwikkeling kwamen op het tweede plan. Populisme leek eerder een politiek cultuurprobleem van upstairs, dan een materieel probleem van downstairs. Maart 2017 was met 17% Kamerzetels voornamelijk een nabrander van de exploitatie van het weinig gearticuleerde ongenoegen van downstairs.

Het is een oude politieke cultuurtrek in dit land om een diepgaand gesprek over welvaartsverdeling te omzeilen. De twee brandende boodschappen van Piketty – de inkomensongelijkheid neemt onrustbarend toe, en (het echte nieuws) vermogenswinst heeft daarin een groeiend aandeel, zijn hier betrekkelijk lauw geconsumeerd. Direct werd de Gini-coëfficiënt van stal gehaald, een maatstaf voor de ongelijkheid van inkomens. Nederland heeft een Gini van rond de 0,28 (Eurostat: 0,251; Wereldbank: 0,29). NB: bij Gini = 0 hebben alle inkomenstrekkers een even groot inkomen, bij Gini =
100 verdient één inkomenstrekker het totale inkomen. Ter vergelijking: Denemarken heeft een Gini van ca. 0,27, de Verenigde Staten van 0,41 of meer (gelijk aan Nederland rond 1960!) en Namibië (een woestijn met 2,1 miljoen inwoners) van boven de 0,70. Nu stopt niet ieder land hetzelfde in zijn Gini. Nederland telt ondernemingswinst en winst uit vermogen (Piketty!) niet mee, bijvoorbeeld de verkoop van een huis met 40% winst, de VS doen dat wel. West-Europese Gini’s zijn betrekkelijk laag door de relatief hoge inkomsten- en erfbelastingtarieven.

Wordt in Nederland gesmiespeld over de inkomensverdeling, over de vermogensverdeling wordt het liefst gezwegen. Voor 2014 geeft het CBS een VermogensGini (VGini) van 0,90; niet ver van volledige
ongelijkheid. Het bovenste deciel bezit 66% van het totale vermogen, de bovenste 1% zelfs 27%; het onderste deciel heeft schulden. Upstairs is de boel nog schever verdeeld. Het vermogen in overig onroerend goed (niet-woningen) valt voor 100% in het bovenste deciel, waarvan de bovenste 1% weer de helft bezit en de bovenste 0,1% zo’n 20%. Dat zijn Piketty-cijfers.

In de VGini zijn het pensioenvermogen en de in woningen besloten kapitaalverzekering (resp. € 1.450 miljard en € 663 miljard) niet meegeteld. Kooiman & Lejour (CPB, 2016) doen dat weer wel, waardoor de VGini daalt van 0,90 naar 0,72. Pensioen is echter geen vrij vermogen, maar toekomstig inkomen dat pas na het bereiken van een vastgestelde leeftijd beschikbaar komt in schijfjes per maand. Individueel pensioenvermogen sterft tegelijkertijd af met de pensioengerechtigde.

Uit allerlei studies blijkt dat de kredietcrisis flink gehakt heeft in de vermogensopbouw. Ik herinner aan de grote verhalen nu eindelijk eens wat te doen aan de overfinanciering van woningen (overhypothekering). De hypotheekschuld, tweemaal zo groot als de Griekse staatsschuld schreef ik ooit, moest omlaag. Dat treft ons vak, waarover de volgende keer.