C2010-652 C2010-657 C2070-585 C2090-303 C2090-540 C2180-276 C4040-122 C4040-123 C4040-124 C4040-221 C4040-224 C4040-225 C4040-226 C4060-155 C4060-156 C4090-456 C4120-782

Jg. 49 / Nr. 3 / 2016

Redactioneel – Gebiedsontwikkeling in transitie?

Een van de centrale stellingen binnen de transitiestudies is dat fundamentele maatschappelijke verandering plaatsvindt onder druk van exogene ontwikkelingen, zoals financiële crises. Wie vanuit dit perspectief kijkt naar de Amsterdamse gebiedsontwikkeling in de afgelopen jaren, zou zeggen dat wij ons in een transitie bevinden richting een kleinschalige vorm van werken waarbij zelforganisatie van burgers een […]

Lees meer →

Een van de centrale stellingen binnen de transitiestudies is dat fundamentele maatschappelijke verandering plaatsvindt onder druk van exogene ontwikkelingen, zoals financiële crises. Wie vanuit dit perspectief kijkt naar de Amsterdamse gebiedsontwikkeling in de afgelopen jaren, zou zeggen dat wij ons in een transitie bevinden richting een kleinschalige vorm van werken waarbij zelforganisatie van burgers een bepalende rol speelt. Nu de economie weer aantrekt moet ineens weer tempo worden gemaakt in de woningbouw en lijkt de ruimte voor kleinschalige initiatieven in deze grote programma’s beperkt. Dit laat goed zien dat meer nodig is dan alleen maar een externe schok om transitie teweeg te brengen. Koolmees en Majoor tonen aan dat organisaties en instituties niet zonder meer veranderen, ook al is de intentie er wel. Tijdens de crisis zijn stappen gezet om veranderingen te bewerkstelligen. Denk hierbij aan flexibele bestemmingsplannen. Maar een transitie krijg je niet in een paar jaar voor elkaar. De geschiedenis laat zien dat het vaak een worsteling is die een generatie duurt.

De opgave in de hedendaagse gebiedsontwikkeling en voor tal van organisaties is dan ook het vinden van werkwijzen, procedures en denkkaders waarbij initiatieven van onderop daadwerkelijk invloed kunnen hebben op grootschalige ontwikkelingen. Reflexieve professionals kunnen hierbij een belangrijke rol spelen door een stap terug te nemen en, ook wanneer de druk hoog is om te ontwikkelen, hun situatie te relativeren en te besef en dat langzaam ontwikkelen de ruimte laat voor kwaliteit. Boonstra e.a. suggereren in dit nummer dat de handelingsperspectieven van strategisch navigeren en lerend organiseren behulpzaam kunnen zijn. Als wij kijken naar leefbare en welvarende steden zoals Amsterdam en Zürich zijn het dezelfde steden die om uiteenlopende redenen in de naoorlogse periode de keuze gemaakt hebben voor kleinschalige interventies en een langzaam tempo in plaats van grootschalige stadsvernieuwing en wegenbouwprojecten.

Andrew Switzer

Hoofdredacteur Rooilijn (andrew@rooilijn.nl)

Lees minder

Provincies halen de programmatische teugels aan

De provinciale bevoegdheden binnen de ruimtelijke ordening zijn sinds de Wro in 2008 veranderd. Provincies hebben vanuit een sturende rol bovenlokale afwegingen te maken over ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke kwaliteit en andere relevante ruimtelijke doelen. Echter, recent is geconstateerd dat het provinciaal toezicht op gemeentelijke planvorming en grondexploitaties de afgelopen jaren te wensen heeft overgelaten. Verschillende […]

Lees meer →

De provinciale bevoegdheden binnen de ruimtelijke ordening zijn sinds de Wro in 2008 veranderd. Provincies hebben vanuit
een sturende rol bovenlokale afwegingen te maken over ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke kwaliteit en andere relevante ruimtelijke doelen. Echter, recent is geconstateerd dat het provinciaal toezicht op gemeentelijke planvorming en grondexploitaties de afgelopen jaren te wensen heeft overgelaten. Verschillende provincies zijn zoekende naar de manier waarop zij om kunnen gaan met overprogrammering en grootschalige leegstand van vastgoed. De grote beleidsvrijheid maakt dat de provincie Utrecht en Gelderland een verschillende aanpak kiezen.

Lees het volledige artikel hier.

Lees minder

Interview Rivke Jaffe: Hoe kun je theorie en het alledaagse leven in de stad met elkaar integreren?

Stralend met haar zoontje in haar arm zit ze klaar bij haar favoriete lunchtent op het Entrepotdok in Amsterdam. Onlangs is Rivke Jaffe niet alleen moeder geworden, maar ook benoemd tot professor op de strategische leerstoel ‘Cities, Politics and Culture’, bij het Centre for Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Ze is geboren in […]

Lees meer →

Stralend met haar zoontje in haar arm zit ze klaar bij haar favoriete lunchtent op het Entrepotdok in Amsterdam. Onlangs is Rivke Jaffe niet alleen moeder geworden, maar ook benoemd tot professor op de strategische leerstoel ‘Cities, Politics and Culture’, bij het Centre for Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Ze is geboren in Charlottesville in de Verenigde Staten, deed haar promotieonderzoek naar het verband tussen milieuvervuiling en stedelijke ongelijkheid op de Caraïben en is als echt ‘stadsmens’ geïnteresseerd in sociaal-maatschappelijke processen in de stad. Hoe gaat ze deze strategische leerstoel invullen en wat voor rol speelt de stedelijke ruimte in haar onderzoek?

Lees hier het volledige interview.

Lees minder

Column O. Naphta – Evolutieplanoloog

Onderhand heeft ieder vakgebied wel een evolutionaire benadering. De daders noemen zich evolutiebioloog, evolutie-econoom, evolutiegeograaf, evolutiesocioloog, maar waar is de evolutieplanoloog? Ik kom erop door een special van Regional Studies, een deftig blad vol evolutionaire economische geografie (eeg). Er zijn drie kernbenaderingen in de eeg: de algemeen Darwinistische (variëteit, selectie, vasthouden); de complexiteitstheorie (aanpassing door kennis […]

Lees meer →

Onderhand heeft ieder vakgebied wel een evolutionaire benadering. De daders noemen zich evolutiebioloog, evolutie-econoom, evolutiegeograaf, evolutiesocioloog, maar waar is de evolutieplanoloog? Ik kom erop door een special van Regional Studies, een deftig blad vol evolutionaire economische geografie (eeg). Er zijn drie kernbenaderingen in de eeg: de algemeen Darwinistische (variëteit, selectie, vasthouden); de complexiteitstheorie (aanpassing door kennis & innovatie; systeemeigenschappen) en padafhankelijkheid (hoe kom je erop, waarom blijf je er op doormodderen en raak je ingesloten, hoe kom je er vanaf?). Fatsoenlijk vertalen tilt halfduistere wetenschappelijke mystiek naar het licht.

Nou zijn er meteen twee moeilijkheden: (1) hoe houd je symptomen en oorzaken uit elkaar? En (2) wij planologen verklaren niks, we maken iets. Voor behandeling van de eerste moeilijkheid verwijs ik naar Uren met Henk Broekhuis (1978), een doorwrochte studie over eigentijdse gemeenplaatsen door prof. dr. Karel van het Reve. Verhandelingen over gemeenplaatsen zoals ‘je kan de feiten niet begrijpen als je de achtergronden niet kent’ en ‘niet de symptomen moeten bestreden worden, maar de oorzaken’ zijn afdoende om ooit nog te proberen oorzaken achter symptomen te zoeken. Achter iedere oorzaak schuilt tot vervelens toe weer een nieuwe oorzaak, om van de symptomen maar te zwijgen.

De tweede moeilijkheid is deze. Planologen zijn er niet op uit iets te verklaren, maar iets te maken, een dorpscentrum, een nieuw stadsdeel, een recreatieoord, een wegennet. Desnoods willen ze iets herstellen dat door een vorige generatie vakgenoten grondig is verknald. Moeten wij de feiten kennen om iets te maken? Maakt het eigenlijk uit of we de oorzaken weten van het aanhoudende vertrek van mensen uit dorp A naar stad B, of andersom? Oorzaken van het symptoom ‘vertrek’ worden vaak breed uitgemeten: geen werk, geen school, geen winkel meer, sterk vergrijsde dorpsbevolking, beroerde identiteit.

Dorp A ‘doet het niet goed’ wordt dan gezegd in een poging de oorzaken op begrijpelijke wijze samen
te vatten. Dat daarvoor naar een taalniveau wordt gegrepen waarop het gemiddeld intelligente huisdier wordt aangesproken (‘Bobby af’, ofwel: ‘je doet het niet goed’), is een symptoom van de voortwoekerende analfabetisering. Er zijn nu 2 miljoen functioneel analfabeten in ons land tegen 1 miljoen pakweg 15 jaar geleden. Het gemiddeld taalniveau is aangeland op dat van een 11-jarige. Oorzaak dunkt me: ingesloten padafhankelijkheid. Interessant vak, die evolutionaire economische geografie.

Nu zijn de dorpelingen uit A vrije mensen. Vrij om naar B te vertrekken, vrij om te vergrijzen of om niet te werken, vrij om geen identiteit te bezitten of met de medemens te converseren op het niveau van hun huisdier – Feesboek is hier de toepasselijke leerstof. In die onontwarbare kluwen van vrijheden is niet te ontdekken of het conver- satieniveau nu symptoom of oorzaak is van de laatste kruidenier, schoolsluiting of non-existente identiteit. Onze planologische kernkwestie gaat daaraan voorbij. Wij flansen een nieuw dorpscentrum in elkaar, of dat nu een aspirientje is of een operatie om een nieuwe identiteitsprothese aan te zetten. Wat (non-)identiteit betekent weten we niet. Het ontbreken van identiteit wordt doorgaans verklaard met onbegrijpelijke parabels die vastlopen in circulaire redeneringen en verwarring van de begrippen zelfbeeld en identiteit.

Wat doet nu de evolutieplanoloog? Hij past een complexiteitsoplossing toe op een padafhankelijkheidsprobleem en giet daarover een Darwinistische saus uit. De prothese heeft tijd nodig om te zetten, in te slijten in de gemeenschap (gemeenschap?). Wat meer variëteit en selectie zou wel wenselijk zijn, schrijft zij in de plantoelichting. Bedoeld wordt: het beste is de hele dorpsbevolking op transport te zetten naar een bejaardenoord en te vervangen door enthousiaste, jonge mensen die nog wat willen in het leven. Maar het is symptomatisch dat het probleem bij de wortel aanpakken niet de bedoeling is van de evolutieplanoloog.

Lees minder