Jg.47 / Nr.3 / 2014

Redactioneel

Bereikbaarheid is bijna altijd de achilleshiel van de ruimtelijke ordening. Talrijk zijn de voorbeelden van geplande woonwijken waar de bereikbaarheid een probleem is. Tegelijkertijd ontstaat er vaak een enorme ruimtelijke dynamiek op goed bereikbare snelwegknooppunten – terwijl dit vanuit esthetisch of duurzaamheidsoogpunt helemaal niet gewenst is. Dit themanummer, tot stand gebracht met een bijdrage van […]

Lees meer →

Bereikbaarheid is bijna altijd de achilleshiel van de ruimtelijke ordening. Talrijk zijn de voorbeelden van geplande woonwijken
waar de bereikbaarheid een probleem is. Tegelijkertijd ontstaat er vaak een enorme ruimtelijke dynamiek op goed bereikbare
snelwegknooppunten – terwijl dit vanuit esthetisch of duurzaamheidsoogpunt helemaal niet gewenst is. Dit themanummer,
tot stand gebracht met een bijdrage van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, gaat over de vraag hoe de
bereikbaarheid van de Randstad op de lange termijn gewaarborgd blijft op een duurzame manier.

 

Drie gedachten hierover. Ten eerste, wat is bereikbaarheid eigenlijk? Klassiek is het de hoeveelheid potentiële gebruikers die toegang kunnen krijgen tot een plek in een bepaalde tijd. Ik ben het met John Urry, die we interviewden voor dit nummer, eens dat het daarmee een wat ouderwetse, op fysieke bereikbaarheid gestoelde term is. Ten tweede, is het verbeteren van bereikbaarheid een doel? Uiteraard is het slechts een middel. Net zo goed als slechte bereikbaarheid een prima middel is om ruimtelijke doelen zoals rust en natuur te realiseren. Denk aan Rottumeroog. Ten derde, hoe kunnen we leren van de olifantenpaadjes die Jan-Dirk van der Burg vastlegt? Ik denk vooral door te onderzoeken waarom veel mensen ze niet gebruiken. Het toont aan dat gedrag en gedragsverandering, waar mobiliteitsbeleid vaak naar streeft, enorm complex is.

 

John Urry waarschuwt dat we ons altijd moeten voorbereiden op het onverwachte: de toekomst is heel anders dan een simpele extrapolatie van het heden. Daar zet ik tegenover dat de ruimtelijke structuur van Nederland er over vijfentwintig jaar nog bijna hetzelfde uitziet, hoe onzeker de toekomst en hoe moeilijk gedragsverandering ook is. Versterk daarom in ieder geval de klassieke planologische principes die de Randstad internationaal gezien een goede reputatie op het gebied van duurzame bereikbaarheid hebben gegeven: compacte bebouwing, fietsbare dorpen en steden, een fijnmazig voorzieningenstelsel en frequent openbaar vervoer. Hou ondertussen de ogen open voor technologische ontwikkelingen, maar denk ook na over het belang van ruimtelijke onbereikbaarheid.

 

Stan Majoor

Hoofdredacteur Rooilijn (stan@rooilijn.nl)

Lees minder

Voorwoord

Hoe zorgen we dat de bereikbaarheid van de Randstad op lange termijn gewaarborgd blijft, op een duurzame manier? Dit is een zeer belangrijke vraag, niet alleen vanwege de bereikbaarheid zelf, maar ook omdat er enorme bedragen gemoeid zijn met publieke en private investeringen en opbrengsten in de Randstad, en vanwege de implicaties van investeringen en […]

Lees meer →

Hoe zorgen we dat de bereikbaarheid van de Randstad op lange termijn gewaarborgd blijft, op een duurzame manier? Dit is een zeer belangrijke vraag, niet alleen vanwege de bereikbaarheid zelf, maar ook omdat er enorme bedragen gemoeid zijn met publieke en private investeringen en opbrengsten in de Randstad, en vanwege de implicaties van investeringen en andere besluiten voor milieu en sociale aspecten.

 

Lees hier het hele voorwoord, geschreven door Bert van Wee en Ymke de Boer.

Lees minder

Fietsland Nederland, er liggen nog kansen

Jan Klinkenberg & Luca Bertolini   De fiets als veelgebruikt vervoermiddel is belangrijk voor het bevorderen van duurzame mobiliteit. Om het fietsgebruik te stimuleren en te accommoderen, moeten beleidsmakers zich verdiepen in de toekomstige ontwikkelingen. Ook moeten ze inzicht krijgen in de effecten van fietsbeleid. Het gebruik van de fiets is onderhevig aan verandering. Een […]

Lees meer →

Jan Klinkenberg & Luca Bertolini

 

De fiets als veelgebruikt vervoermiddel is belangrijk voor het bevorderen van duurzame mobiliteit. Om het fietsgebruik te stimuleren en te accommoderen, moeten beleidsmakers zich verdiepen in de toekomstige ontwikkelingen. Ook moeten ze inzicht krijgen in de effecten van fietsbeleid. Het gebruik van de fiets is onderhevig aan verandering. Een belangrijke ontwikkeling is de onvermoede potentie van de elektrische fiets om het fietsen in het algemeen te stimuleren.

 

Lees hier het hele artikel.

Lees minder

Interview John Urry

“The systems that develop are not those that are planned”   John Urry is Distinguished Professor of Sociology at Lancaster University, United Kingdom. He has published on many topics, such as tourism, automobility, climate change and energy and society. His latest book is Offshoring. In this interview, John Urry is asked his views on mobility […]

Lees meer →

“The systems that develop are not those that are planned”

 

John Urry is Distinguished Professor of Sociology at Lancaster University, United Kingdom. He has published on many topics, such as tourism, automobility, climate change and energy and society. His latest book is Offshoring. In this interview, John Urry is asked his views on mobility and accessibility and how these two concepts might obtain different meanings in the future. Will physical accessibility be exchanged for digital accessibility? If so, how will this happen and how can academics and practitioners deal with it? Or even encourage it? The interview was held at Schiphol Airport, providing a glimpse of the ‘mobile life’ of John Urry himself.

 

Click here to read the whole interview, by Christa Hubers & Jan Duffhues.

Lees minder

Column O. Naphta

Smartspeak   Het basismateriaal van de planoloog is fysieke ruimte die wordt toegedeeld aan functies en gebruikers en daarop wordt ingericht. Het basismateriaal van de columnist is taal, ter duiding. De planoloog duidt met tekening én taal. Duiding is modegevoelig. Eertijds was de functionele stad in de mode, eergisteren de duurzame stad, gisteren de veerkrachtige […]

Lees meer →

Smartspeak

 

Het basismateriaal van de planoloog is fysieke ruimte die wordt toegedeeld aan functies en gebruikers en daarop wordt ingericht. Het basismateriaal van de columnist is taal, ter duiding. De planoloog duidt met tekening én taal. Duiding is modegevoelig. Eertijds was de functionele stad in de mode, eergisteren de duurzame stad, gisteren de veerkrachtige stad, vandaag de slimme stad. Oude problemen worden geduid met nieuwe woorden. Assimilatie werd segregatie werd tweedeling. Stedelijk planning is een denkbeeld, gemetseld in taal.

 

Neem slim. Werd tot voor kort een probleem gewoon opgelost, nu is dat een slimme oplossing. Men zegt ook: een slim verkeerssysteem, een slim plan, slim gereedschap en nu ook verkrijgbaar: een slimme stad. Als liefhebber van taal probeer ik daar zoveel mogelijk over te lezen en na te gaan welke woorden en welke grammatica de slimme stad stutten. De slimme stad is verwant aan de intelligente stad, de gezonde stad, de duurzame stad, de arme stad, de rijke stad. Er wordt over geschreven alsof het een categorische imperatief betreft (om met Kant te spreken) waarin de stad wordt voorgesteld als zelfstandig handelend orgaan.

 

Wat ik bedoel staat in artikelen over de slimme stad, bijvoorbeeld: ‘Een slimme stad weet de verbinding tussen het collectieve systeem en het individu optimaal te organiseren.’ Gevolgd door de zin: ‘Dit kan door het inbouwen van feed-backloops, zodat er snel gereageerd kan worden op ontwikkelingen, gebruik makend van de crowd.’ Hoe dat moet, bekent de auteur, ‘weten we nog niet goed.’ Daarmee wordt de kennistoestand weten onderscheiden van de kennistoestand ‘niet goed weten’. Maar ik ken het verschil niet tussen ‘weten’ en ‘goed weten’. Wie weet, weet volkomen.

 

Lees over de slimme stad en kom aan de lopende band dit soort zinnen tegen. Blind prikken in een artikel levert deze op: ‘Slimme Stad heeft de neiging zich vooral te uiten in innovaties binnen bepaalde aspectsystemen van de stad en versterkt sectoraal opgebouwde organisaties.’ Ontdaan van lidwoord en met hoofdletters is Slimme Stad hier van soortnaam naar eigennaam gepromoveerd. De stad is gepersonifieerd en bevindt zich nu in dezelfde literaire divisie als Het stockse van Johan van Oldebarneveldt: ‘Myn wensch behoede u onverrot/ O STOCK en stut, die, geen’ verrader/ Maer ’s vrydoms stut en Hollants Vader/ Gestut hebt op dat wreet schavot’. Het leven van de stok sluit Joost van den Vondel als volgt af: ‘Na ’et rusten van dien ouden stock/ Geknot door ’s bloetraets bittren wrock:/ Nu stut en styft ghy noch myn dichten.’ De verrassing: ten einde stut de stok de taal van de dichter.

 

De slimme stad wordt voor allerhande karren gespannen: eindeloos interactief vergaderen door de basis, big data, iedereen met iedereen ‘connected’ (jakkes), zelfdenkende smartphones die permanent registreren wat je de hele dag uitspookt en voordat je ’t weet een nieuwe pot pindakaas bij de AH of de Dirk bestellen als de oude opraakt. De zin ‘democratisering van maatschappelijke processen onder invloed van technologische vernieuwing’ is een basismantra in de slimmestadsliteratuur, maar haalt het niet bij de regels van Vondel. Jullie weten dat ik over zulke zinnen altijd diep nadenk. Dat leidt alleen maar tot vragen, nooit tot oplossingen: wat kan hier toch bedoeld zijn met democratisering?

 

Wat je nooit leest over de slimme stad: waar de hoerenbuurt is, jeugdbendes welig tieren, oude sociale huurwoningen op instorten staan, boze buren met elkaar op voet van permanente oorlog verkeren, de gesanctioneerde landjepik door gemeentebesturen. De slimme stad is een levenloze utopie zonder kwade kanten. Wees dus gewaarschuwd voor ’s bloetraets bittren wrock van de politiek
miskende kleine man die korte metten maakt met wat hij aanziet als de slimme elite.

Lees minder