Jg. 50 / Nr. 4 / 2017

Redactioneel – Urbanisatie van de suburb

Als buitenlands planoloog was en ben ik gefascineerd door nieuwe steden zoals Almere en Zoetermeer waar (jonge) planologen de kans kregen om nieuwe stukken stad te ontwikkelen. Daarbij was kennis over hoe steden werken leidend, in plaats van marktprincipes zoals ik in Canada was gewend. Dat deze kennis in sommige gevallen ontoereikend was en een […]

Lees meer →

Als buitenlands planoloog was en ben ik gefascineerd door nieuwe steden zoals Almere en Zoetermeer waar (jonge) planologen de kans kregen om nieuwe stukken stad te ontwikkelen. Daarbij was kennis over hoe steden werken leidend, in plaats van marktprincipes zoals ik in Canada was gewend. Dat deze kennis in sommige gevallen ontoereikend was en een goed functionerende stad beperkt maakbaar is, blijkt uit de kritiek op de nieuwe steden. Van sommige is zelfs gezegd dat het neppe steden zijn.

Maar een stad heeft tijd nodig om volwassen te worden. Zij moet haar eigen karakter krijgen, de bewoners moeten haar zich eigen maken en er passie voor gaan voelen. De Nederlandse nieuwe steden zijn nog jong, maar toch krijgen zij al een gelaagdheid die volwassen steden kenmerkt. In deze gelaagdheid zit een eerste kiem, een voedingsbodem voor een eigen stedelijkheid. Nog worstelen zij om een eigen identiteit te vinden en hun economische kracht en cultureel leven te ontwikkelen. Tegelijk worden deze steden, die veelal voor midden-klassegezinnen zijn gebouwd, geconfronteerd met grootstedelijke sociaal-economische, politieke en demografische opgaven. Het uitgangspunt is anders en de oplossingen zullen dat ook moeten zijn. Nu de nieuwe steden richting de vijftig jaar gaan kunnen wij met zekerheid zeggen dat zij echte steden beginnen te worden.

Dit Rooilijn-themanummer, tot stand gekomen met steun van de gemeenten Zoetermeer en Nissewaard, wijdt zich aan de opgaven waarvoor de nieuwe steden staan. Wij gaan hier en tijdens de Rooilijn
Kenniskring van medio september op zoek naar een richting voor de komende vijftig jaar. In het interview bepleit Arnold Reijndorp, wiens vertrek als hoogleraar gericht op nieuwe steden aanleiding gaf voor dit nummer, een vernieuwing van het stadssociologisch onderzoek zoals oorspronkelijk begonnen door de Chicago School. Zo kan de precieze kennis worden geleverd die nodig is om de complexe stedelijke werkelijkheid een beetje beter te begrijpen en om goed beleid te voeren. Artikelen van Reijndorp’s oud-promovendi in dit nummer laten de meerwaarde van deze werkwijze voor de effectieve omgang met de opgaven waarvoor nieuwe steden staan goed zien. De opgave blijft het vruchtbaar combineren van deze praktische en contextuele kennis met de meer economische zienswijzen.

Andrew Switzer
Hoofdredacteur Rooilijn
(andrew@rooilijn.nl)

Lees minder

Artikel – Verdichting als aanjager van vernieuwing

Nu de woningmarkt aantrekt staat de bouw van woningen weer volop in de belangstelling, met debatten over binnenstedelijke transformatie versus buitenstedelijke uitleg. De vier grote steden hebben inmiddels hun positie bepaald en richten hun pijlen op verdichting. Ook een aantal voormalige groeikernen, waaronder Zoetermeer, gaat deze koers varen. Wat zijn de ruimtelijke kansen en valkuilen […]

Lees meer →

Nu de woningmarkt aantrekt staat de bouw van woningen weer volop in de belangstelling, met debatten over binnenstedelijke transformatie versus buitenstedelijke uitleg. De vier grote steden hebben inmiddels hun positie bepaald en richten hun pijlen op verdichting. Ook een aantal voormalige groeikernen, waaronder Zoetermeer, gaat deze koers varen. Wat zijn de ruimtelijke kansen en valkuilen van verdichting in een suburbane context? Kan daar verdichting plaatsvinden zonder de kernkwaliteiten van de suburbane stad aan te tasten?

Lees hier het hele artikel van Like Bijlsma en Joosje van Geest.

Lees minder

Interview – Arnold Reijndorp: De New Town als hogedrukpan van sociale stijging

Arnold Reijndorp won in 2012 de Rotterdam-Maaskantprijs en deed als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek naar sociaaleconomische ontwikkelingen van nieuwe stedelijke gebieden. Voor hem is onderzoek doen ook een ambacht. Hij verbleef meerdere keren in de Chinese New Town Shenzhen. Samen met masterstudenten geografie, planologie en sociologie ging hij er op zoek […]

Lees meer →

Arnold Reijndorp won in 2012 de Rotterdam-Maaskantprijs en deed als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek naar sociaaleconomische ontwikkelingen van nieuwe stedelijke gebieden. Voor hem is onderzoek doen ook een ambacht. Hij verbleef meerdere keren in de Chinese New Town Shenzhen. Samen met masterstudenten geografie, planologie en sociologie ging hij er op zoek
naar karakteristieke kenmerken. Het lijkt erop dat de New Town grotere vrijheid biedt dan de oude steden.

Lees hier het hele interview met Arnold Reijndorp.

Lees minder

Column O. Naphta – Upstairs Downstairs (1)

Omdat de planologische zomeropruiming dit jaar weinig biedt een serieus onderwerp, de klassenstrijd. Klassenstrijd? Was dat niet van toen, arbeiders tegen vuile kapitalisten? We hebben nu meer een cultuurstrijd, wordt gezegd: niet-meekomers met de globalisering die immigranten buiten de deur willen houden omdat die hun banen afsnoepen en lonen laag houden tegen meekomers die daar […]

Lees meer →

Omdat de planologische zomeropruiming dit jaar weinig biedt een serieus onderwerp, de klassenstrijd. Klassenstrijd? Was dat niet van toen, arbeiders tegen vuile kapitalisten? We hebben nu meer een cultuurstrijd, wordt gezegd: niet-meekomers met de globalisering die immigranten buiten de deur willen houden omdat die hun banen afsnoepen en lonen laag houden tegen meekomers die daar geen last van hebben, veelkleurige cultuur s(t)imuleren en verdienen aan andermans flexibiliteit, auto en logeerkamer? In Nederlandconsensusland heeft alleen de schoolstrijd de gemoederen ooit flink verhit, de klassenstrijd was nooit populair. Een handvol communisten uitgezonderd, zag niemand er wat in. Waarom gedoe als er een democratie is, vond het democratisch socialisme. Overleg, consensus en afkoop zijn hier de strijdmiddelen.

Na Kapitaal in de 21e eeuw door Thomas Piketty (2013) dacht een enkeling dat de klassenstrijd weer terug was. Dr. K. Marx werd weer van stal gehaald. Maar overhypothekering en huizen-onder-water
overspoelden de korte opleving. Voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2017 verschenen tal van beschouwingen over het populisme. Daarin domineerden vage veronderstellingen over woede, boosheid, anti-elite (‘hun doen maar’) en immigratie. Flexibilisering van arbeid, vermindering van koopkracht en negatieve loonontwikkeling kwamen op het tweede plan. Populisme leek eerder een politiek cultuurprobleem van upstairs, dan een materieel probleem van downstairs. Maart 2017 was met 17% Kamerzetels voornamelijk een nabrander van de exploitatie van het weinig gearticuleerde ongenoegen van downstairs.

Het is een oude politieke cultuurtrek in dit land om een diepgaand gesprek over welvaartsverdeling te omzeilen. De twee brandende boodschappen van Piketty – de inkomensongelijkheid neemt onrustbarend toe, en (het echte nieuws) vermogenswinst heeft daarin een groeiend aandeel, zijn hier betrekkelijk lauw geconsumeerd. Direct werd de Gini-coëfficiënt van stal gehaald, een maatstaf voor de ongelijkheid van inkomens. Nederland heeft een Gini van rond de 0,28 (Eurostat: 0,251; Wereldbank: 0,29). NB: bij Gini = 0 hebben alle inkomenstrekkers een even groot inkomen, bij Gini =
100 verdient één inkomenstrekker het totale inkomen. Ter vergelijking: Denemarken heeft een Gini van ca. 0,27, de Verenigde Staten van 0,41 of meer (gelijk aan Nederland rond 1960!) en Namibië (een woestijn met 2,1 miljoen inwoners) van boven de 0,70. Nu stopt niet ieder land hetzelfde in zijn Gini. Nederland telt ondernemingswinst en winst uit vermogen (Piketty!) niet mee, bijvoorbeeld de verkoop van een huis met 40% winst, de VS doen dat wel. West-Europese Gini’s zijn betrekkelijk laag door de relatief hoge inkomsten- en erfbelastingtarieven.

Wordt in Nederland gesmiespeld over de inkomensverdeling, over de vermogensverdeling wordt het liefst gezwegen. Voor 2014 geeft het CBS een VermogensGini (VGini) van 0,90; niet ver van volledige
ongelijkheid. Het bovenste deciel bezit 66% van het totale vermogen, de bovenste 1% zelfs 27%; het onderste deciel heeft schulden. Upstairs is de boel nog schever verdeeld. Het vermogen in overig onroerend goed (niet-woningen) valt voor 100% in het bovenste deciel, waarvan de bovenste 1% weer de helft bezit en de bovenste 0,1% zo’n 20%. Dat zijn Piketty-cijfers.

In de VGini zijn het pensioenvermogen en de in woningen besloten kapitaalverzekering (resp. € 1.450 miljard en € 663 miljard) niet meegeteld. Kooiman & Lejour (CPB, 2016) doen dat weer wel, waardoor de VGini daalt van 0,90 naar 0,72. Pensioen is echter geen vrij vermogen, maar toekomstig inkomen dat pas na het bereiken van een vastgestelde leeftijd beschikbaar komt in schijfjes per maand. Individueel pensioenvermogen sterft tegelijkertijd af met de pensioengerechtigde.

Uit allerlei studies blijkt dat de kredietcrisis flink gehakt heeft in de vermogensopbouw. Ik herinner aan de grote verhalen nu eindelijk eens wat te doen aan de overfinanciering van woningen (overhypothekering). De hypotheekschuld, tweemaal zo groot als de Griekse staatsschuld schreef ik ooit, moest omlaag. Dat treft ons vak, waarover de volgende keer.

Lees minder