Jg.48 / Nr.4 / 2015

Redactioneel – Randlanden

Het Randland. Volgens mijn internetspeurwerk wordt het begrip pas sinds kort in de huidige betekenis gebruikt. Vroeger werd over krimpgebieden gesproken, of het platteland, maar zoals wij in dit nummer leren dekken beide begrippen niet de lading. In het eerste geval is de focus veel te smal en het legt de nadruk op slechts een […]

Lees meer →

Het Randland. Volgens mijn internetspeurwerk wordt het begrip pas sinds kort in de huidige betekenis gebruikt. Vroeger werd over krimpgebieden gesproken, of het platteland, maar zoals wij in dit nummer leren dekken beide begrippen niet de lading. In het eerste geval is de focus veel te smal en het legt de nadruk op slechts een deel van wat in deze regio’s speelt. In het tweede is juist de wisselwerking tussen stad en platteland en soms de vervlochtenheid als Zwischenstadt een belangrijk kenmerk van deze regio’s. Dit themanummer, gemaakt in samenwerking met onderwijs- en onderzoeksinstellingen in Groningen, Limburg en Zeeland brengt nuance in het debat We ontdekken dat er meerdere randlanden zijn, die vanwege hun geschiedenis met andere opgaven te maken hebben en een ander endogeen potentieel kennen. Deze proberen op verschillende manieren om hun inwoners wat Meier e.a. Bleibeperspektive noemen te bieden en nieuwe mensen aan te trekken.

Spannend is het idee dat het Randland, net als Rotterdam in het vorige nummer, een laboratorium kan zijn. Kunnen we het beschouwen als proeftuin voor de rest van Nederland inclusief de Randstad? Op het gebied van onderwijs bijvoorbeeld, zoals wij in de interviews lezen, is dit wel zo. Door de verminderde complexiteit, de kleinschaligheid en de bereidheid van zowel instellingen als de overheid om buiten de gebaande paden te treden ontstaat de nodige ruimte voor experimenten. Deze flexibiliteit en creativiteit lijken belangrijke voordelen van krimp. En omdat krimp niet meer alleen iets van het Randland is, maar ook iets wat zelfs in delen van de groeiregio van de Randstad zal voorkomen kan het Randland in sommige opzichten voor de rest van Nederland als gidsland fungeren.

Het aantrekkelijk maken van deze gebieden voor studenten, kenniswerkers, bedrijven en bezoekers uit de rest van Nederland of zelfs de wereld zonder de lokale bevolking uit het oog te verliezen, blijft een centrale opgave. Het wijkbedrijf en het Hongerige Wolf-festival lijken hier goed voorbeelden van hoe hiermee omgegaan kan worden. Zo kan een Lust auf Zukunft ontstaan die essentieel is om van achteruitgang vooruitgang te maken.

Andrew Switzer

Hoofdredacteur Rooilijn (andrew@rooilijn.nl)

Lees minder

Sabine Meier, Nol Reverda en Dick van der Wouw – Randland

Nederland is een land met twee gezichten: dat van de Randstad en dat van het Randland. Het eerste gezicht is dominant aanwezig, het tweede wordt minder opgemerkt. De dominantie van de Randstad op het gebied van economie, politiek, cultuur en sociale diversiteit impliceert dat het omliggende gebied slechts lijdzaam volgt wat in de Randstad gebeurt: […]

Lees meer →

Nederland is een land met twee gezichten: dat van de Randstad en dat van het Randland. Het eerste gezicht is dominant aanwezig, het tweede wordt minder opgemerkt. De dominantie van de Randstad op het gebied van economie, politiek, cultuur en sociale diversiteit impliceert dat het omliggende gebied slechts lijdzaam volgt wat in de Randstad gebeurt: volgregio’s kortom, met de Randstad als motor. In het Nederlandse Randland vinden echter ook ontwikkelingen plaats die innovaties teweeg kunnen brengen. Welke alternatieve beschrijving is er om de eigen dynamiek van randlandlijke gebieden te typeren? Wat kenmerkt de dynamiek in Randland Limburg, Groningen en Zeeland?

Klik hier om het artikel te lezen

Lees minder

Column – Emergentia

M’n woordenchecker kent het niet: emergent. ‘Emergentie is de ontwikkeling van complexe georganiseerde systemen, die bepaalde eigenschappen vertonen die niet zichtbaar zijn door een reductie van hun delen.’ Net zoals het woord pik ik de definitie van het web waar ik al grasduinend opeens deze zin las: ‘Een emergente adaptieve strategie voor de ontwikkeling van […]

Lees meer →

M’n woordenchecker kent het niet: emergent. ‘Emergentie is de ontwikkeling van complexe georganiseerde systemen, die bepaalde eigenschappen vertonen die niet zichtbaar zijn door een reductie van hun delen.’ Net zoals het woord pik ik de definitie van het web waar ik al grasduinend opeens deze zin las: ‘Een emergente adaptieve strategie voor de ontwikkeling van beeldbepalende projecten en stedelijke identiteit kan alleen worden gehanteerd vanuit een lerende attitude tijdens het gehele ontwikkelingsproces.’ Ik verslikte me er gelijk in, want hoe kreeg ik dat onder de afwas verteld aan mijn moeder? Zoals bekend is dat mijn levenslange criterium voor begrijpelijkheid van de taal waarin bezigheden worden doorverteld, medegedeeld. Nee, niet gedeeld, dat slijmerige als een snottebel uit een loopneus druipende webwoord waarin mensen hun volstrekt particuliere eigenaardigheden en bezigheden aan anderen menen te moeten opdringen. Jakkes, wil ik niks mee te maken hebben. Nooit niet, zegt mijn Vlaamse vriend, wegwezen.

Emergent is ‘spontaan optredend’, een begrip dat als bijvoeglijk naamwoord, als kwaliteit aan andere begrippen wordt geplakt, strategie, stadsplanning, planologie. Dan krijgen we definities zoals de voorgaande waarin het gaat om ‘eigenschappen van de stad die niet louter zichtbaar zijn door de reductie van hun delen.’ Het heeft iets moeizaams van afgeleefde mannen (planologen, directeuren, huisvaders, campinghouders) die terugkijkend op hun leven moeten vaststellen dat het niet is gelukt greep te krijgen op hun stad, bedrijf, vrouw of puberale kampeerders en, erger nog moeten concluderen dat ze zich alleen maar konden handhaven als ze zich gedroegen als een paling in een emmer snot. Dus kronkelend rond hun ideaal, hun plan, hun concept, maar dat nooit wisten te raken, laat staan te realiseren.

In de vorige column heb ik Plato erbij gesleept. Ik ga nog verder terug. Het lijkt erop dat tante Emergentia rechtstreeks is opgestaan uit de Griekse filosofie van voor Plato, het rijk van de Veelheid en de Eenheid. Toen nadenkende Grieken, pakweg 2.500 jaar geleden – ook toen waren er niet veel nadenkende Grieken – probeerden om in de chaos van het vele; waarnemingen, indrukken, fenomenen, een verbindend beginsel te ontdekken. De ‘verbijsterende verscheidenheid van de werkelijkheid’ zei Kant. De idee was dat alleen door zo’n beginsel de chaotische werkelijkheid begrepen kan worden en er greep op kan worden verkregen. Dat idee beheerst ons nog steeds. Wie plan X maar niks vindt doet er goed aan te roepen dat het losse elementen zijn zonder samenhang, niet integraal en krijgt meteen veel medestanders die ook plan Y willen, waarop alvast de sticker Eenheid is geplakt. Dat versleten praatje is een van de vele achterkanten van onze permanente honger naar Eenheid. Wie een planproces uit de hand laat lopen doet iets soortgelijks, bedenkt hoe met andere adjectieven de zaak wel in de hand kan worden gehouden. We krijgen dan zoiets als het volgende: emergente planning is ‘een meanderende stroom van diverse vertogen, discourscoalities en co-evoluerende strategieën.’

Wat gebeurt hier in de worsteling tussen Eenheid en Veelheid? Iets van een dialectische slimheid. Veelheidsbegrippen die gewoonlijk op chaos duiden, worden in een concept geperst dat Eenheid uitstraalt. Veelheid wordt als genuanceerde Eenheid gepresenteerd. De wil tot Eenheid overheerst. Het meanderende proces wordt gekanaliseerd in rechte beddingen met zomerkades en winterdijken. Aan het einde lonken de Coalitiesluizen die ongelijke niveaus vereffenen en trouwens de enige mogelijkheid vormen om verder te varen, naar het doel dat plan heet. Alles wat zweemt naar de verbijsterende verscheidenheid van de werkelijkheid wordt naar de bedding van overzichtelijkheid geleid. En tante Emergentia? Dat was een kletstante.

O. Naphta

Lees minder