jg.51 / Nr. 1 / 2018

Jane Jacobs, nog even relevant als voorheen

Een alternatieve vorm voor het debat over stedelijkheid: een tweespraak over iconen, modernisme en economische ontwikkeling. Thomas Vanoutrive, Glenn Lyppens en Lara Schrijver α: Goeiemorgen, zo ken ik je weer: met de voeten op tafel een magazine aan het lezen. Moet jij niet werken? β: Werken? Ik ben wel een vakblad voor ruimtelijk planners aan […]

Lees meer →

Een alternatieve vorm voor het debat over stedelijkheid:
een tweespraak over iconen, modernisme en economische ontwikkeling.

Thomas Vanoutrive, Glenn Lyppens en Lara Schrijver

α: Goeiemorgen, zo ken ik je weer: met de voeten op
tafel een magazine aan het lezen. Moet jij niet werken?
β: Werken? Ik ben wel een vakblad voor ruimtelijk planners
aan het lezen, als dat niet werken is. Kijk, ik las net
de ‘ken uw klassiekers’ over Jane Jacobs (Ruimte, 2015).
α: Ik neem mijn woorden onmiddellijk terug, we
kunnen het niet genoeg over Jane Jacobs hebben.
Wat mij betreft de belangrijkste stem in de planning
van de afgelopen eeuw, en ook vandaag de dag nog
steeds relevant.
β: Ze heeft inderdaad veel planners, maar ook heel wat
anderen, geïnspireerd. Al is het moeilijk om de invloed
van één persoon op de wereld te meten. Je belandt dan
vlug in discussies over de vraag ‘wat als Jane Jacobs
nooit geboren was?’. En al zijn er ernstige voorbeelden
van counterfactual geschiedschrijving gepubliceerd, ik
heb niet de pretentie om te beweren dat ik weet hoe een
wereld zonder Jane Jacobs er zou hebben uitgezien.

Leeshier het hele artikel

Lees minder

Column O. Naphta – Naïef

Column O. Naphta Naïef Jane Jacobs is in het vakgebied al heel lang mateloos populair. Haar ideeën over de stad, stedelijke inrichting en zelfs over stedelijk economie worden vrijwel kritiekloos aanbeden, hoewel die voor een flink deel nogal naïef zijn. Met deze stelling is de aap al meteen uit mijn mouw: ik heb sinds lezing […]

Lees meer →

Column O. Naphta
Naïef

Jane Jacobs is in het vakgebied al heel lang mateloos populair. Haar ideeën over de stad, stedelijke inrichting en zelfs over stedelijk economie worden vrijwel kritiekloos aanbeden, hoewel die voor een flink deel nogal naïef zijn. Met deze stelling is de aap al meteen uit mijn mouw: ik heb sinds lezing (omstreeks 1970) van het leven en de dood van grote Amerikaanse steden uit 1961 een nogal moeizame verhouding met haar werk. Nou is het niet uitgesloten dat mijn stelling is gekleurd door de toenmalige omstandigheden, waarin ik aan plannen werkte om steden uit te breiden en verslonsde binnensteden aan te pakken. Dat waren grootschalige plannen die stevig leunden op staatssubsidies op grondkosten en op reeksen van deelsubsdies om onderdelen van die plannen tot uitvoering te brengen. Bleek de nieuwgebouwde of gerenoveerde straat alsnog te duur, dan was er nog individuele verhuiskosten- en huursubsidie om bij te springen. Het waren de jaren dat stedenbouw en stadsvernieuwing belangrijke middelen tot inkomensoverdracht waren, een hoogtepunt in de geschiedenis van de welvaartsstaat.

’t Begon dus al met een onmogelijke vergelijking tussen Jane’s kritiek op de plannenmakerij van Robert Moses in New York en het brave Nederland met zijn prachtige inkomensoverdrachtsmodel dat de bekende econoom Galbraith als een voorbeeld van ‘the good society’ bestempelde. Waarom fronste ik mijn wenkbrauwen bij al dat moois dat Jane over de stad schreef? De gezellige kleinschaligheid, de kruidenier op de hoek wiens winkel doorgeefluik is van buurtroddel of van de oproep om tante Mien te helpen bij boodschappen doen, de aantrekkelijkheid van veelkleurige verscheidenheid, het teruggeven van de straat aan spelende kinderen en voetgangers. Nu, een halve eeuw later, is dit in ieder stads- en dorpsplan gesneden koek en staan plantoelichtingen bol van de romantiek. In dat opzicht lijkt het natuurlijk dat de wedstijd tussen Jane en de planpraktijken van omstreeks 1960 met overmacht in haar voordeel is beslist. Is dat ook zo?Mijn probleem met Jane betrof haar naïeve kijk op de krachten achter van functieverandering en de fysieke accommodatie daarvan. Jane noemde ‘generators of diversity’ niet de wijze waarop het geld wordt verdiend, investeren, produceren en consumeren, maar multifunctionaliteit van een buurt, kleine stadsblokken, naar aard en ouderdom gemengde bebouwing en voldoende volk in de buurt onder het motto hoe meer zielen hoe meer vreugd. Goed beschouwd zijn dat geen oorzaken, maar de ruimtelijke neerslag van activiteiten en daaraan voorafgaande investeringen. Of stoppen met investeren zodat de boel verkommert en van functie kan veranderen. Hoewel, Londen in 1840 bewees al dat de aankoop en verhuur van krotwoningen qua kapitaalsrendement zo’n beetje de meest lucratieve investering is die je in een stad kan doen. ‘City diversity itself permits and stimulates diversity’, schreef Jane. Was het maar zo simpel, zo zonder boze fundamentele krachten die de stad, of beter: talrijke stedelingen te grazen nemen, niet de ene buurt, dan in de andere.

Bij Jane speelde ook de wijkeconomie een prominente rol. Maar elkaars was doen levert niet meer inkomen
op dan er al is, pas als je andermans was doet breng je geld naar binnen en daarmee welvaartsstijging. Ik heb met die Binsenwahrheit ooit nog eens een wethouder wijkeconomie tot wanhoop gebracht. Hoe die meerdere welvaart dan verdeeld wordt is weer een ander vraagstuk.

In wezen had Jane geen oplossing voor het planologische dubbelprobleem: processen van functionele verandering en fysieke aanpassing lopen naar dynamiek en tijdsdimensie zeer sterk uiteen. Het is de eeuwige strijd van consumptie- en bedrijfsexploitatiecycli van drie of vier jaar tegen investerings- en afschrijvingscycli van vijfentwintig en vijftig jaar of nog meer. Dat is echter geen architectuurprobleem, ook geen planologisch probleem

Lees minder

Redactioneel – Jane Jacobs

In 2016 zou Jane Jacobs honderd jaar zijn geworden. Zij is zonder twijfel een van de invloedrijkste stedelijke denkers van de twintigste eeuw geweest. Meer dan dat was zij een activiste die het opnam tegen de geplande stadsvernieuwing onder andere in New York en later in Toronto. Zij benadrukte de leefbaarheid van wijken en de […]

Lees meer →

In 2016 zou Jane Jacobs honderd jaar zijn geworden. Zij is zonder twijfel een van de invloedrijkste stedelijke denkers van de twintigste eeuw geweest. Meer dan dat was zij een activiste die het opnam tegen de geplande stadsvernieuwing onder andere in New York en later in Toronto. Zij benadrukte de leefbaarheid van wijken en de menselijke maat in een tijd waarin men de stad vooral functioneel wilde maken op een hoog schaalniveau en op een eenvoudige wijze. Zodoende heeft zij een impact gehad die veel verder reikt dan de planologie. Zij (en veel bekende en onbekende gelijkgezinden) hebben bijgedragen aan het veranderen van het denken over de stad, aan een transitie als het ware.
Dit Rooilijn-themanummer richt zich niet op de vraag wat Jacobs’ impact is geweest. Hagiografieën zijn er genoeg. Het neemt een kritische houding aan en richt zich op de vraag of haar werk nog steeds relevant is en, zo ja, hoe? Tegelijk met de voorbereidingen op dit nummer vond op de TU Delft het congres Jane Jacobs 100: Her legacy and relevance in the 21st Century plaats met een vergelijkbare insteek. Een selectie van de bijdragen evenals spontane inzendingen zijn opgenomen in
dit themanummer. Zij laten zien dat het gedachtegoed van Jacobs nog steeds relevant is en hoe breed het toepassing vindt, bijvoorbeeld in Tactical urbanism in Ulrum van Bas Bremen. Marleen Buizer ziet meer mensen de benadering van Jacobs van “op de barricades, in de wijken, in contact, wars van grenzen tussen academische disciplines” als nodig om hedendaagse stedelijke vraagstukken op een vernieuwende manier aan te pakken. Namens Rooilijn wil ik de auteurs en alle andere betrokkenen bedanken voor hun bijdrage aan de totstandkoming van dit nummer.

Andrew Switzer
Hoofdredacteur Rooilijn (andrew@rooilijn.nl)

Lees minder