Jg. 50 / Nr. 2 / 2017

Uncategorized

Column O. Naphta – PS

Over een jaar of vijfentwintig zal iemand de hele discussie over particulier-publieke samenwerking, die tussen 1985 en 2015 heeft gewoed, meewarig afdoen als een postscriptum van de stadsontwikkeling tussen 1540 en 2040: PS, ze congresseerden zich toen suf over iets dat in Nederland al sinds eeuwen vanzelfsprekend was. Een voetnoot dus in de eeuwenlange geschiedenis […]

Lees meer →

Over een jaar of vijfentwintig zal iemand de hele discussie over particulier-publieke samenwerking, die
tussen 1985 en 2015 heeft gewoed, meewarig afdoen als een postscriptum van de stadsontwikkeling tussen 1540 en 2040: PS, ze congresseerden zich toen suf over iets dat in Nederland al sinds eeuwen vanzelfsprekend was. Een voetnoot dus in de eeuwenlange geschiedenis van de stedenbouw, de polderbouw en hun pleegkind ruimtelijke ordening, waarin publiek en particulier initiatief altijd al bij elkaar op schoot zaten. De historica van 2045 schrijft verwonderd over zoveel opwinding die is rondgestrooid over de aard en zeggenschap, voors- en tegens, modellen en theorieën en wat niet al in die dertig jaar dat de sector moest afkicken van de wederopbouw, van de-staat-betaalt-en-bepaalt en van de subsidieverslaving die dat met zich meebracht. De gesprekken in die eerste jaren na 1985 lijken weggelopen uit de kamer van een psychiater in de open inrichting die ruimtelijke ordening heet. Als de zielkundige vroeg: ‘en, wat hebt u ingeleverd aan zeggenschap om beter samen te werken?’, keek de directeur van Stadsontwikkeling hem verwilderd aan: ‘ÍNGELEVERD? WAT BEDOELT U? DIE LUI MOETEN NOG LEREN…’ En dan kwam het hele palet-van-alles van de plannenmakerij langs in ingewikkelde woorden die vaak niks anders betekenen dan dat je je vak moet kennen en hard moet werken om de boel op tijd op te leveren – van toepassing op elke branche.

De tijd zou het allemaal leren. Op het congres in 2005 over particulier-publieke samenwerking waren de verhoudingen 180 graden gedraaid. Zij van de particuliere projectontwikkeling klaagden dat ze niet meer konden praten met de directeur Stadsontwikkeling. Dat was dan ook geen vakman meer, maar een manager. Hij/zij was geselecteerd op een advertentie waarin een type werd gevraagd dat een politieke antenne had, dat over een helikopterview beschikt, maar toch met beide benen op de grond staat, dat een hands-on mentaliteit combineert met abstract denkvermogen, dat de hand aan creatieve processen slaat, maar ook de ondergeschikten – pardon, het team van gemotiveerde medewerkers – de hele dag lang moest inspireren. Aan het vak zelf werden in zulke advertenties geen woorden meer verspild. Je moest dan ook inlichtingen inwinnen bij een vage doctorandus in de commerciële personeelsbemiddeling, die een paar jaar later z’n academische titel inruilde voor z’n voornaam en de aan te trekken creatieve manager in de personeelsadvertentie alvast familiair met je en jij uitnodigde om zich bij het hemelbestormende team van gedreven gebiedsmanagers aan te komen sluiten als meewerkend voorman. Dat is een Nederlandse
vinding die moet verhullen dat je de baas wordt over onderbazen die op hun beurt huns gelijke in hun team kunnen verwelkomen.

Ik sprak in die dagen wel eens met hoofdrolspelers van dit drama, een publieke directeur Stadsontwikkeling (dat niet meer zo heette) of een particuliere directeur projectontwikkeling die triomfantelijk de stap van project naar de hele stad had gemaakt. De publieke manager kreeg van z’n liberale gemeentebestuur, vaak nog aangekleed met een democratisch-socialistische wethouder (een socialist die door bevraging van wildvreemden z’n socialisme aanpast om draagvlak te kweken), te horen dat-ie zich vooral faciliterend in plaats van dirigerend moest opstellen jegens de particuliere cliënt. De burger was klant geworden, de geldman cliënt. Nadat de eerste donderwolken van de kredietcrisis waren opgetrokken bleek het projectontwikkelingsfront gedecimeerd en de publieke sector radeloos te zoeken naar nieuwe modellen. Bepaald ironisch was de greep naar het concessiemodel, succesvol tussen 1860 en 1900, de hoogtijdagen van het vrije kapitalisme in Nederland met als voornaamste kenmerk de monopoliepositie van de concessionaris. Zelfs de meest geharde projectontwikkelaar-kredietcrisis-overlever moest even slikken. Of je dan ook totaalaansprakelijk was? Zoek er een goeie advocaat bij, adviseerde ik steevast.

Lees minder

Column O. Naphta – Geleend

Geleend   Je kan geen vakblad meer openslaan of er wordt geleend. Bij economen om geld, bij sociologen om sociale relaties. Onder antropologen kun je beter van leunen spreken: leunen op, aanleunen. Onder sterrenkundigen komen we de onzekerheidsrelatie van Heisenberg (zelf opzoeken) tegen die leert dat hoe korter de tijdsduur van een proces is, des […]

Lees meer →

Geleend

 

Je kan geen vakblad meer openslaan of er wordt geleend. Bij economen om geld, bij sociologen om sociale relaties. Onder antropologen kun je beter van leunen spreken: leunen op, aanleunen. Onder sterrenkundigen komen we de onzekerheidsrelatie van Heisenberg (zelf opzoeken) tegen die leert dat hoe korter de tijdsduur van een proces is, des te nauwkeuriger het tijdsvolume te bepalen is, maar de energiehuishouding van dat proces juist vervloeit. Door die onzekerheid kan in het universum energie ‘als het ware te leen worden gegeven voor het maken van deeltjes.’ De linkste leners vinden we onder de boeven die graag geld verdienen aan andermans kapitaal en inspanningen: meneer Uber en meneer ‘have a home to share, become a millionaire’. Jij investeert en werkt en de boeven claimen 20% voor bemiddeling – direct overmaken graag. Planologen doen het magertjes met ‘geleende omvang‘ of ‘geleende functies’. Om dat nog enig cachet te geven schrijven ze: borrowed size, borrowed function. Meeliften is het, op de bagagedrager zitten.

 

Ooit waren er leenmannen en leenheren. De leenman had grondgebied te leen van de leenheer. In ruil daarvoor leverde hij belastinggeld, zoveel mud graan, soldatenvolk, persoonlijke trouw. Hij was dus een vazal, zoals menig lezer een vazal van de hypotheekbank is en een enkeling zich intussen vrijgekocht heeft. Geschiedenis is niet oud.

 

Wat je over geleende stad en geleende functie leest is ronduit vaag. Net zo vaag als het literaire ‘geleende tijd’. Door alle mist heen begrijp ik dat Amsterdam er wel bij vaart als enige in Nijmegen woonachtige geleerde computerprogrammeurs dagelijkse de trein naar de hoofdstad nemen om daar hun werk te doen. De Rotterdamse kraandrijver die in Bergen op Zoom woont, is precies zo’n exemplaar, zo ook de Groningse directeur van een woningcorporatie die zijn thuisfront in ’t Haantje (ook maar opzoeken) heeft. Het klassieke beeld dat er bij past is de beroemde foto van forensen die omstreeks 1890 op het stationnetje van Baarn op de trein naar Amsterdam wachten. Amsterdam leende toen Baarn als woonplaats voor zijn beter betaalde arbeidskrachten. De bedoeling van al dat geleen schijnt het frame dat grotere steden, hogere dichtheden en meer, betere en snellere verbindingen tot hogere welvaart leiden. Voor wie?

 

Baarn leende in 1890 (en nog steeds) profijtelijk van Amsterdam, maar dat lees je niet. Baarn leent de betere banen, trekt er de betere inkomens uit en blijft zelf niet met de vuile was zitten, noch met congestie of onwillig anarchistisch volk dat staakt, bezet, of wil inspreken. Geschiedenis veroudert niet. Tot pakweg 10, 15 jaar geleden las je het tegendeel: in Baarn, Bloemendaal, Goirle, woonden toen vuile profiteurs van de voorzieningen die de grotere steden met moeite voor hun eigen volk overeind houden met zwaardere belastingen. Profiteurs met hogere opleidingen en betere banen in diezelfde steden die met dat inkomen de dorpspoelier onderhielden, de hockeyclub en de golflinks. Daar stond gelukkig als compensatie tegenover dat ze volgens de sociologie in een sociaal-ruimtelijk vacuüm verkeerden, zeg maar gerust isolement, in Baarn. Op driehoog-achter waren ze dan toch een stuk gelukkiger.

 

Is lenen een planologische factor van belang? De Blauwe Stad (opzoeken) tracht de oudere welvarende Randstedeling te leasen. Maar lenen kost geld en maakt afhankelijk. Het evenwicht tussen leenman en leenheer is fragiel. Leent Amsterdam profijtelijker van Rotterdam, Nijmegen of Baarn dan Baarn van Amsterdam, Utrecht of Amersfoort? Speel met de grenzen van leengoederen en zie het profijt verspringen in verlies, nadelen in voordelen. ‘The city is no longer a compact settlement unit’, schreef een van mijn favoriete geografen ooit, Robert E. Dickinson in 1964. Al dat lenen lijkt mij een lekker ouderwetse functionele afhankelijkheidsrelatie.

Lees minder

Gert de Roo – Onzekerheid als leidend beginsel: planologie in Groningen

De theoretische grondslag van de planologiebeoefening in Groningen is onzekerheid. Onzekerheid over het kennen van de werkelijkheid, over toekomstige ontwikkelingen, over de uitkomst van besluitvormings-processen. Rationaliteit is een illusie. Ontwikkelingen zijn niet lineair, maar dynamisch, complex en discontinu, zoals de economische conjunctuur. Doel van het onderzoek is om hiervan afgeleide begrippen in de planvorming toe […]

Lees meer →

De theoretische grondslag van de planologiebeoefening in Groningen is onzekerheid. Onzekerheid over het kennen van de werkelijkheid, over toekomstige ontwikkelingen, over de uitkomst van besluitvormings-processen. Rationaliteit is een illusie. Ontwikkelingen zijn niet lineair, maar dynamisch, complex en discontinu, zoals de economische conjunctuur. Doel van het onderzoek is om hiervan afgeleide begrippen in de planvorming toe te passen: adaptieve planning, transitie-management, veerkracht of herstelvermogen, emergentie, zelforganisatie, co-evolutie en meer.

 

Klik hier om het hele artikel te lezen.

Lees minder

Interview met Christine Whitehead

The Dutch Housing Market – current issues and ways forward   Christine Whitehead is Professor of Housing Economics at the London School of Economics. She has been involved in housing since her PhD, initially working with econometric models of the housing market. Her main interests now lie in the interface between housing and housing finance […]

Lees meer →

The Dutch Housing Market – current issues and ways forward

 

Christine Whitehead is Professor of Housing Economics at the London School of Economics. She has been involved in housing since her PhD, initially working with econometric models of the housing market. Her main interests now lie in the interface between housing and housing finance markets and the role of government policy. For 20 years she was head of the Cambridge Centre for Housing & Planning Research at Cambridge University. Christine Whitehead discusses her views on the Dutch policy response to the housing crisis, owning versus renting, and shared ownership. Is purchasing a house still a sensible investment, and what can help you to do so: grandparents or shared ownership?

 

Lees hier het hele interview met Christine Whitehead.

Lees minder

Voorwoord themanummerredactie

Zuidas tussen lokaal en mondiaal   Sinds begin jaren negentig is een langgerekte zone aan de zuidrand van Amsterdam ongekend dynamisch. Lopend van Schiphol tot en met Amsterdam Zuidoost is hier, ondersteunt door een internationale luchthaven, snelwegen en een bundel (light-) railinfrastructuur, een gebied ontstaan met een prima bereikbaarheid. Het centrale deel van deze zone […]

Lees meer →

Zuidas tussen lokaal en mondiaal

 

Sinds begin jaren negentig is een langgerekte zone aan de zuidrand van Amsterdam ongekend dynamisch. Lopend van Schiphol tot en met Amsterdam Zuidoost is hier, ondersteunt door een internationale luchthaven, snelwegen en een bundel (light-) railinfrastructuur, een gebied ontstaan met een prima bereikbaarheid. Het centrale deel van deze zone werd al snel de focus van het project Zuidas. Rondom station Amsterdam Zuid moest hier een nieuwe ‘toplocatie’ ontstaan voor kantoren. Later groeide deze ambitie tot het realiseren van een gemengde stedelijke wijk in hoge dichtheden. Het jaar 2030 werd vaak genoemd als planningshorizon.

 

Voor het volledige voorwoord klik hier!

Lees minder

Jannes van Loon – Levendige elitepleinen, doodse samenleving?

Levendige elitepleinen, doodse samenleving? De Zuidas moet uitgroeien tot het walhalla van (internationale) kenniswerkers. In de plannen voor de Zuidas speelt een openbare ruimte die naadloos aansluit op de wensen van deze kenniswerkers een essentiele rol. Factoren  die leiden tot levendige pleinen in Zuidas kunnen worden opgespoord aan de hand van een vergelijkend onderzoek met […]

Lees meer →

Levendige elitepleinen, doodse samenleving?

De Zuidas moet uitgroeien tot het walhalla van (internationale) kenniswerkers. In de plannen voor de Zuidas speelt een openbare ruimte die naadloos aansluit op de wensen van deze kenniswerkers een essentiele rol. Factoren  die leiden tot levendige pleinen in Zuidas kunnen worden opgespoord aan de hand van een vergelijkend onderzoek met pleinen in New York. Van belang is ook om te kijken naar mogelijke consequenties van het implementeren van deze succesfactoren.

Voor het volledige artikel klik hier!

Lees minder