Column – Emergentia

M’n woordenchecker kent het niet: emergent. ‘Emergentie is de ontwikkeling van complexe georganiseerde systemen, die bepaalde eigenschappen vertonen die niet zichtbaar zijn door een reductie van hun delen.’ Net zoals het woord pik ik de definitie van het web waar ik al grasduinend opeens deze zin las: ‘Een emergente adaptieve strategie voor de ontwikkeling van beeldbepalende projecten en stedelijke identiteit kan alleen worden gehanteerd vanuit een lerende attitude tijdens het gehele ontwikkelingsproces.’ Ik verslikte me er gelijk in, want hoe kreeg ik dat onder de afwas verteld aan mijn moeder? Zoals bekend is dat mijn levenslange criterium voor begrijpelijkheid van de taal waarin bezigheden worden doorverteld, medegedeeld. Nee, niet gedeeld, dat slijmerige als een snottebel uit een loopneus druipende webwoord waarin mensen hun volstrekt particuliere eigenaardigheden en bezigheden aan anderen menen te moeten opdringen. Jakkes, wil ik niks mee te maken hebben. Nooit niet, zegt mijn Vlaamse vriend, wegwezen.

Emergent is ‘spontaan optredend’, een begrip dat als bijvoeglijk naamwoord, als kwaliteit aan andere begrippen wordt geplakt, strategie, stadsplanning, planologie. Dan krijgen we definities zoals de voorgaande waarin het gaat om ‘eigenschappen van de stad die niet louter zichtbaar zijn door de reductie van hun delen.’ Het heeft iets moeizaams van afgeleefde mannen (planologen, directeuren, huisvaders, campinghouders) die terugkijkend op hun leven moeten vaststellen dat het niet is gelukt greep te krijgen op hun stad, bedrijf, vrouw of puberale kampeerders en, erger nog moeten concluderen dat ze zich alleen maar konden handhaven als ze zich gedroegen als een paling in een emmer snot. Dus kronkelend rond hun ideaal, hun plan, hun concept, maar dat nooit wisten te raken, laat staan te realiseren.

In de vorige column heb ik Plato erbij gesleept. Ik ga nog verder terug. Het lijkt erop dat tante Emergentia rechtstreeks is opgestaan uit de Griekse filosofie van voor Plato, het rijk van de Veelheid en de Eenheid. Toen nadenkende Grieken, pakweg 2.500 jaar geleden – ook toen waren er niet veel nadenkende Grieken – probeerden om in de chaos van het vele; waarnemingen, indrukken, fenomenen, een verbindend beginsel te ontdekken. De ‘verbijsterende verscheidenheid van de werkelijkheid’ zei Kant. De idee was dat alleen door zo’n beginsel de chaotische werkelijkheid begrepen kan worden en er greep op kan worden verkregen. Dat idee beheerst ons nog steeds. Wie plan X maar niks vindt doet er goed aan te roepen dat het losse elementen zijn zonder samenhang, niet integraal en krijgt meteen veel medestanders die ook plan Y willen, waarop alvast de sticker Eenheid is geplakt. Dat versleten praatje is een van de vele achterkanten van onze permanente honger naar Eenheid. Wie een planproces uit de hand laat lopen doet iets soortgelijks, bedenkt hoe met andere adjectieven de zaak wel in de hand kan worden gehouden. We krijgen dan zoiets als het volgende: emergente planning is ‘een meanderende stroom van diverse vertogen, discourscoalities en co-evoluerende strategieën.’

Wat gebeurt hier in de worsteling tussen Eenheid en Veelheid? Iets van een dialectische slimheid. Veelheidsbegrippen die gewoonlijk op chaos duiden, worden in een concept geperst dat Eenheid uitstraalt. Veelheid wordt als genuanceerde Eenheid gepresenteerd. De wil tot Eenheid overheerst. Het meanderende proces wordt gekanaliseerd in rechte beddingen met zomerkades en winterdijken. Aan het einde lonken de Coalitiesluizen die ongelijke niveaus vereffenen en trouwens de enige mogelijkheid vormen om verder te varen, naar het doel dat plan heet. Alles wat zweemt naar de verbijsterende verscheidenheid van de werkelijkheid wordt naar de bedding van overzichtelijkheid geleid. En tante Emergentia? Dat was een kletstante.

O. Naphta