Column O. Naphta

Smartspeak

 

Het basismateriaal van de planoloog is fysieke ruimte die wordt toegedeeld aan functies en gebruikers en daarop wordt ingericht. Het basismateriaal van de columnist is taal, ter duiding. De planoloog duidt met tekening én taal. Duiding is modegevoelig. Eertijds was de functionele stad in de mode, eergisteren de duurzame stad, gisteren de veerkrachtige stad, vandaag de slimme stad. Oude problemen worden geduid met nieuwe woorden. Assimilatie werd segregatie werd tweedeling. Stedelijk planning is een denkbeeld, gemetseld in taal.

 

Neem slim. Werd tot voor kort een probleem gewoon opgelost, nu is dat een slimme oplossing. Men zegt ook: een slim verkeerssysteem, een slim plan, slim gereedschap en nu ook verkrijgbaar: een slimme stad. Als liefhebber van taal probeer ik daar zoveel mogelijk over te lezen en na te gaan welke woorden en welke grammatica de slimme stad stutten. De slimme stad is verwant aan de intelligente stad, de gezonde stad, de duurzame stad, de arme stad, de rijke stad. Er wordt over geschreven alsof het een categorische imperatief betreft (om met Kant te spreken) waarin de stad wordt voorgesteld als zelfstandig handelend orgaan.

 

Wat ik bedoel staat in artikelen over de slimme stad, bijvoorbeeld: ‘Een slimme stad weet de verbinding tussen het collectieve systeem en het individu optimaal te organiseren.’ Gevolgd door de zin: ‘Dit kan door het inbouwen van feed-backloops, zodat er snel gereageerd kan worden op ontwikkelingen, gebruik makend van de crowd.’ Hoe dat moet, bekent de auteur, ‘weten we nog niet goed.’ Daarmee wordt de kennistoestand weten onderscheiden van de kennistoestand ‘niet goed weten’. Maar ik ken het verschil niet tussen ‘weten’ en ‘goed weten’. Wie weet, weet volkomen.

 

Lees over de slimme stad en kom aan de lopende band dit soort zinnen tegen. Blind prikken in een artikel levert deze op: ‘Slimme Stad heeft de neiging zich vooral te uiten in innovaties binnen bepaalde aspectsystemen van de stad en versterkt sectoraal opgebouwde organisaties.’ Ontdaan van lidwoord en met hoofdletters is Slimme Stad hier van soortnaam naar eigennaam gepromoveerd. De stad is gepersonifieerd en bevindt zich nu in dezelfde literaire divisie als Het stockse van Johan van Oldebarneveldt: ‘Myn wensch behoede u onverrot/ O STOCK en stut, die, geen’ verrader/ Maer ’s vrydoms stut en Hollants Vader/ Gestut hebt op dat wreet schavot’. Het leven van de stok sluit Joost van den Vondel als volgt af: ‘Na ’et rusten van dien ouden stock/ Geknot door ’s bloetraets bittren wrock:/ Nu stut en styft ghy noch myn dichten.’ De verrassing: ten einde stut de stok de taal van de dichter.

 

De slimme stad wordt voor allerhande karren gespannen: eindeloos interactief vergaderen door de basis, big data, iedereen met iedereen ‘connected’ (jakkes), zelfdenkende smartphones die permanent registreren wat je de hele dag uitspookt en voordat je ’t weet een nieuwe pot pindakaas bij de AH of de Dirk bestellen als de oude opraakt. De zin ‘democratisering van maatschappelijke processen onder invloed van technologische vernieuwing’ is een basismantra in de slimmestadsliteratuur, maar haalt het niet bij de regels van Vondel. Jullie weten dat ik over zulke zinnen altijd diep nadenk. Dat leidt alleen maar tot vragen, nooit tot oplossingen: wat kan hier toch bedoeld zijn met democratisering?

 

Wat je nooit leest over de slimme stad: waar de hoerenbuurt is, jeugdbendes welig tieren, oude sociale huurwoningen op instorten staan, boze buren met elkaar op voet van permanente oorlog verkeren, de gesanctioneerde landjepik door gemeentebesturen. De slimme stad is een levenloze utopie zonder kwade kanten. Wees dus gewaarschuwd voor ’s bloetraets bittren wrock van de politiek
miskende kleine man die korte metten maakt met wat hij aanziet als de slimme elite.