Column O. Naphta

Een langzaam vak

 

“Weet je, ik vind die Zuidas wel geslaagd.” Behalve uit de mond van de propagandisten van het verkoopbureau hoor je dat maar zelden zeggen en al helemaal niet in academische kringen. Daar is het bon ton om kritiek te leveren op alles wat ontbreekt. Er is geen prettig verblijfsklimaat, geen museum, geen gezellige shopping mall, de omgeving doet leeg en steriel aan, ‘s nachts moet je er liefst niet wezen. Met grimmige pen wordt opgesomd welke doelstellingen niet zijn gehaald of hoe het concept –wat dat ook mag zijn –lijdt onder de schuldencrisis. Een beleggend Duits tandartsenpensioenfonds heeft flink vermogensverlies geboekt. Nou ja, welk pensioenfonds niet sinds de internetbubbel van 2002. En dan zwijg ik over het eindeloze Hollandse poldergepruts over dok- en dijkmodellen of iets er tussenin. “Ondenkbaar toch in een land als Frankrijk”, voegde ooit een deftige bankier mij toe onder toiletbezoek in de directieburelen hoog in de ABNAMRO-toren, ‘daar wordt niet gezeurd en zou de tunnel er allang hebben gelegen, desnoods op bevel van de president.’ Dat was, denk ik, tien jaar geleden, misschien acht, dus nog geen zes jaar na vaststelling van het Masterplan Zuidas (1998). Altijd als ik zulke academische oordelen lees, zie ik een sepiafoto voor me van een tuinwijk van Berlage uit 1924, in Utrecht of Den Haag, Amsterdam mag ook, of een epigoon uit Arnhem. Zo’n foto waar niets anders uitstraalt dan sfeerloze leegte opgesierd met iele boompjes, miniheggen, een kale straat, een spelend kind en een moeder die stiekem trots voor haar voordeur poseert.

 

Nauwelijks is groter tegenstelling denkbaar tussen de sepiafoto en de werkelijkheid negentig jaar later: een aantrekkelijke woonbuurt, een OSM-wijk waar mensen elkaar de huizen voor de neus wegkapen. De notaris woont er naast dokter, naast de gescheiden advocaat, naast de accountant-consultant, naast de directeur, naast de chirurg die een huisman tot haar beschikking heeft, naast de vitale weduwe van zesennegentig naar wier voorbeeld de huidige regering de zorgsector modelleert. Zo’n wijk waar huizen overgaan van ouders op kinderen met een lange wachtlijst voor de basisschool waar meester Piet-Hein geen enkele moeite heeft om nieuwe juffen en meesters te vinden voor zijn vacatures. De steriele sepiafoto is geevolueerd tot een geslaagde wijk. We zitten dus in dit vak met een meervoudig tijdsprobleem.

 

Tijd is de meest onderschatte factor in ons vakgebied, zo die al (h)erkend wordt in een tijdsgewricht dat wordt gedomineerd door ik-wil-het-nu-en-graagsnel-ja! Voor mensen zonder uithoudingsvermogen is ons langzame vak niet geschikt. Het meervoudige tijdsprobleem bestaat uit minstens twee afdelingen: de deugd die we geduld noemen en de wetenschappelijke onmacht om te bepalen wanneer de tijd rijp is om zinvolle waardeoordelen uit te spraken over het verloop tussen de sepiafoto en de wachtrij voor een plaatsje in het inmiddels bewezen kwaliteitsplan. Hier moet filosofie aan te pas komen, die alomvattende discipline waarvoor in de sociale studies al lang geen plaats meer is. Kan men een tijdsmoment, een fractie, anders dan fragmentarisch beoordelen? Wanneer wordt de leugen voor waarheid gehouden en andersom? Mijn leermeester stuurde zijn studenten meteen in het eerste jaar naar een hoogleraar filosofie die zulke vragen op de wetenschappelijke snijtafel legde.

 

De Zuidas is nog een sepiafoto, maar het komt wel goed. Lees de Welstandsnota Zuidas (2011) die, niet gehinderd door alle subversieve praatjes over flexibiliteit en governance, domweg bepaalt: ‘In afwijking van artikel 4.1. sub d is in het gebied van de bestuurlijke samenwerking Zuidas in Zuideramstel het aanbrengen van reclame en borden toelaatbaar mits de reclame-uiting een ingetogen chique uitstraling heeft en terughoudend in omvang, kleur en lichtniveau is. Naamgeving op gebouwen wordt behandeld als reclame-uitingen.’ Dat bedoel ik: de Zuidas als chique aantakking op de mondiale economie.