Column O. Naphta – Een halve eeuw

Een halve eeuw Rooilijn verdient een felicitatie. Even geen vervolg van de treurnis downstairs, maar een felicitatie upstairs. Tijdschriften hebben het moeilijk in het huidige visual-digital-social media-tijdperk. Het aantal tijdschriften in ons vakgebied was nooit groot, maar is de laatste vijftien jaar door verschillende oorzaken gekrompen tot een handjevol. In de afgelopen 50 jaar voltrokken zich in de ruimtelijke ordening twee, wellicht drie revoluties. Dat geldt ook voor de stedenbouw die ik verder achterwege laat. De eerste revolutie, de overgang van blauwdrukplanning naar procesplanning, begon vlak na de geboorte van Rooilijn. Zij werd aangedreven door twee motoren, de noodzaak om oude woonwijken uit de periode 1880-1920 aan te pakken en de opkomende vraag aan inspraak, basisdemocratie, medezeggenschap (in het bedrijfsleven), de instelling van ondernemingsraden en dergelijke. De grootscheepse operatie in bestaande stedelijke gebieden vroeg meteen een nieuwe plannings- en procesbenadering. Hoewel de noodzaak om de 40 jaar lang verwaarloosde wijken (crisis jaren ’30 gevolgd door oorlog, bezetting, bouwstop en schrale wederopbouw) aan te pakken autonoom was, maakte zich binnen een paar jaar een nieuwe, jonge en mondige groep bewoners meester van de situatie, vaak samen met de aanwezige kaders van vakbonden en linkse politieke partijen. Er moest gebouwd worden voor de buurt. De toekomst van de stad vloeit voort uit de toekomst van de buurt, niet andersom.

De tweede revolutie voltrok zich rond 1995, toen de volkshuisvesting en de landbouw met hun grote subsidietradities aan de ruimtelijke ordening ontvielen als sterke meewerkende uitvoeringsinstrumenten. Planning in de zin van programmering werd afhankelijk gemaakt van markten van vraag en aanbod, zoals rond 1990 wenselijk werd geacht in de Vierde nota over de
ruimtelijke ordening en de Nota volkshuisvesting in de jaren negentig. Was rond 1970 sprake van een herordening van posities van betrokkenen (bewoners, grondeigenaren) binnen de bestaande van bevoegdheden onder de hoede van de staat (bewoners tartten de staat om hun belangen te behartigen), een kwart eeuw later was er sprake van herordening op een hoger niveau: herverdeling
van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de staat en de samenleving ten gunste van het particulier initiatief. De onderhand geëmancipeerde staatsburger werd zelf verantwoordelijk gemaakt voor zijn activiteiten en de subsidieverslaving van de woningbouw paste niet in het neoliberale sociaal-economische beleid dat de economie na 1985 uit het slop van de economische crisis had getrokken.

Nu is de derde revolutie gaande. De grote hap die de geboortedaling rond 1970 uit de toekomst heeft genomen, werkt nu door in kostbare vergrijzing, terwijl de economie er in het neoliberale tijdvak niet stabieler op is geworden. Maakten burgers in 1967 de staat duidelijk dat die er voor hen is, de neoliberale staat blijkt slecht tegen geëmancipeerde burgers te kunnen en is hen als een arrogante accountant op alle fronten strenger gaan controleren. Burgers zijn er voor de staat, toch? Dat lokt natuurlijk nukkig gedrag uit, onbegrip, afkeer van de politiek en wat daarin voor de elite doorgaat met als hoofdprobleem dat daarin de echte maatschappelijke elite ontbreekt.

De procedurele revolutie van een halve eeuw geleden is vastgelopen in controlitis en procesverlamming. Zou de Omgevingswet van 2016 (van kracht in 2019) haar van de verdrinkingsdood redden? In de nieuwe wet zijn 5.000 regels uit 26 wetten teruggebracht tot 350 regels en 120 ministeriële procedures tot een stuk of tien. Een soort faillissementsopruiming onder de motto’s eenvoudiger, sneller, doorzichtiger voor de burger, doortastender door de staat, niet meer eindeloos op elkaar wachten en doorprocederen. Of het allemaal goed komt met de gestelde doelen goed en de problemen efficiënt worden opgelost weten we pas bij het 60-jarig bestaan van Rooilijn. Er wordt alvast geoefend in kleine zaaltjes met achterdochtige burgers. Rooilijn, blijf dat volgen.