Column O. Naphta – Geleend

Geleend

 

Je kan geen vakblad meer openslaan of er wordt geleend. Bij economen om geld, bij sociologen om sociale relaties. Onder antropologen kun je beter van leunen spreken: leunen op, aanleunen. Onder sterrenkundigen komen we de onzekerheidsrelatie van Heisenberg (zelf opzoeken) tegen die leert dat hoe korter de tijdsduur van een proces is, des te nauwkeuriger het tijdsvolume te bepalen is, maar de energiehuishouding van dat proces juist vervloeit. Door die onzekerheid kan in het universum energie ‘als het ware te leen worden gegeven voor het maken van deeltjes.’ De linkste leners vinden we onder de boeven die graag geld verdienen aan andermans kapitaal en inspanningen: meneer Uber en meneer ‘have a home to share, become a millionaire’. Jij investeert en werkt en de boeven claimen 20% voor bemiddeling – direct overmaken graag. Planologen doen het magertjes met ‘geleende omvang‘ of ‘geleende functies’. Om dat nog enig cachet te geven schrijven ze: borrowed size, borrowed function. Meeliften is het, op de bagagedrager zitten.

 

Ooit waren er leenmannen en leenheren. De leenman had grondgebied te leen van de leenheer. In ruil daarvoor leverde hij belastinggeld, zoveel mud graan, soldatenvolk, persoonlijke trouw. Hij was dus een vazal, zoals menig lezer een vazal van de hypotheekbank is en een enkeling zich intussen vrijgekocht heeft. Geschiedenis is niet oud.

 

Wat je over geleende stad en geleende functie leest is ronduit vaag. Net zo vaag als het literaire ‘geleende tijd’. Door alle mist heen begrijp ik dat Amsterdam er wel bij vaart als enige in Nijmegen woonachtige geleerde computerprogrammeurs dagelijkse de trein naar de hoofdstad nemen om daar hun werk te doen. De Rotterdamse kraandrijver die in Bergen op Zoom woont, is precies zo’n exemplaar, zo ook de Groningse directeur van een woningcorporatie die zijn thuisfront in ’t Haantje (ook maar opzoeken) heeft. Het klassieke beeld dat er bij past is de beroemde foto van forensen die omstreeks 1890 op het stationnetje van Baarn op de trein naar Amsterdam wachten. Amsterdam leende toen Baarn als woonplaats voor zijn beter betaalde arbeidskrachten. De bedoeling van al dat geleen schijnt het frame dat grotere steden, hogere dichtheden en meer, betere en snellere verbindingen tot hogere welvaart leiden. Voor wie?

 

Baarn leende in 1890 (en nog steeds) profijtelijk van Amsterdam, maar dat lees je niet. Baarn leent de betere banen, trekt er de betere inkomens uit en blijft zelf niet met de vuile was zitten, noch met congestie of onwillig anarchistisch volk dat staakt, bezet, of wil inspreken. Geschiedenis veroudert niet. Tot pakweg 10, 15 jaar geleden las je het tegendeel: in Baarn, Bloemendaal, Goirle, woonden toen vuile profiteurs van de voorzieningen die de grotere steden met moeite voor hun eigen volk overeind houden met zwaardere belastingen. Profiteurs met hogere opleidingen en betere banen in diezelfde steden die met dat inkomen de dorpspoelier onderhielden, de hockeyclub en de golflinks. Daar stond gelukkig als compensatie tegenover dat ze volgens de sociologie in een sociaal-ruimtelijk vacuüm verkeerden, zeg maar gerust isolement, in Baarn. Op driehoog-achter waren ze dan toch een stuk gelukkiger.

 

Is lenen een planologische factor van belang? De Blauwe Stad (opzoeken) tracht de oudere welvarende Randstedeling te leasen. Maar lenen kost geld en maakt afhankelijk. Het evenwicht tussen leenman en leenheer is fragiel. Leent Amsterdam profijtelijker van Rotterdam, Nijmegen of Baarn dan Baarn van Amsterdam, Utrecht of Amersfoort? Speel met de grenzen van leengoederen en zie het profijt verspringen in verlies, nadelen in voordelen. ‘The city is no longer a compact settlement unit’, schreef een van mijn favoriete geografen ooit, Robert E. Dickinson in 1964. Al dat lenen lijkt mij een lekker ouderwetse functionele afhankelijkheidsrelatie.