Column O. Naphta – Urgent pragmatisch

Ik schrijf dit op de dag dat waarop de Urgendazaak in hoger beroep dient. In 2015 veroordeelde de rechtbank de regering tot nakoming van afspraken om in 2020 de CO2-uitstoot te verminderen tot 75% van het volume van 1990. Met het huidige tempo (13% vermindering sinds 1990) lukt dat van geen kanten. De regering faalt dus in nakoming van, ja, van wat? Belofte? Politieke doelstelling? Toezegging? Nee, een contract (overeenkomst) vinden de Urgenders, de rechter in eerste aanleg vond dat ook. Het regeringsvoornemen werd dus heel serieus genomen, bloedserieus.

 

De regering verweert zich in hoger beroep met de stelling dat de rechter (derde macht) zich niet heeft te mengen in de besognes van de tweede (uitvoerende) en eerste (wetgevende) macht. Kennelijk minder zeker van haar zaak en naar goede politieke traditie in dit land, houdt ze het niet bij principieel verweer, maar werpt ze allerlei inhoudelijke verweermiddelen in de strijd: buitenlandse invloed op milieu, mankementen in de uitvoeringsmiddelen enzovoorts. Dit past in de eeuwenlange koopmanstraditie van het Nederlandse openbaar bestuur: PRAGMATISME BOVEN PRINCIPES.

 

Lang geleden heb ik al eens betoogd dat de Nederlandse politieke cultuur uitblinkt in het omsmeden van principiële kwesties tot in geld, vierkante meters e.d. uitdrukbare, dus begrijpelijke, technisch oplosbare kwesties waarover compromissen gesloten kunnen worden (jij euro’s, ik meters). Van de weeromstuit wordt van technisch oplosbare kwesties (rekeningrijden: de gebruiker betaalt) dan een principiële grondsituatie gemaakt. Wezenlijke zaken (euthanasie) laat men graag aan de rechter over, de onafhankelijke derde macht.

 

De Urgendazaak werpt weer eens licht op de vraag welke betekenis mag/moet worden gehecht aan doeluitspraken van openbare bestuursorganen. Wordt de gemeente Tiel straks voor de rechter gesleept, omdat de doeluitspraak van het omgevingsplan DUURZAAM over 6 jaar niet is gehaald? En hoe zit dat dan met de stellige beloftes over de huurhoogte aan de bewoners van gerenoveerde woningen in stadsvernieuwingswijken anno 1980? In ons onderwijs wordt bitter weinig aandacht besteed aan het wezen van onze staatsinrichting: de ordening (Grondwet) van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de staat, burgers en hun samenleving en de ordening van al dat moois binnen de staat en zijn organen, van parlement en Raad van State tot de Raadscommissies van Tiel (Organieke wetten). Ik vrees dat dat ook voor onze planologieopleidingen geldt. Veel gepraat over governance, maar weinig kennis en begrip van de verdeling van verantwoordelijkheden en
beslissingsbevoegdheid.

 

Onze ruimtelijke ordening staat met beide benen diep in de modder van de pragmatische koopmanstraditie. Sinds jaar en dag worden met groot gemak nieuwe maatschappelijke trends zonder veel nadenken worden geabsorbeerd, waardoor een beetje plan knakt onder de loodzware last van doelen op gebieden zoals democratisering (inspraak), socialisering, identiteitsbevordering, stimulering van economische groei en duurzaamheid. Nooit lees je de vraag: kan dit doel worden bereikt door (her)ordening van functiebestemmingen in de fysieke ruimte? Zo ja hoe en in welke mate? Zo nee, mag het dan geschrapt worden? Nee dus! Met urgent pragmatisme worden onmogelijke en onderling tegenstrijdige doelen omgesmeed tot romige uitdagingen in teksten die niet bestand zijn tegen logica. De Urgendazaak haalt bij mij de dubbelvraag naar boven of een doelstelling zoals over CO2- uitstoot in het heersende neo-liberale marktstelsel kan worden bereikt door collectieve actie vanwege de staat en zo ja wie daar dan voor opdraait. Het stelsel berust immers op najagen van individueel eigenbelang als motor van welvaartsgroei. En de consequenties? Gedenk het recente, even onverwachte als in zijn consequenties ondoordachte besluit om Nederland van het Groningse aardgas af te helpen. Zouden het niet dezelfde mensen zijn die al jarenlang genieten van de zegeningen van marktprijzen op de arbeidsmarkt, in de sociale huursector, de ov-sector, dezorgsector, de onderwijssector?