Column – Stadsfilosofie

Anderhalf jaar geleden heb ik geprobeerd te achterhalen wat de toen door de regering gelanceerde Agenda Stad was: een uitnodiging om aan een proces deel te nemen. Het proces zou de inhoud maken, begreep ik tussen de regels door. Een postmoderne aanpak waar ik dol op ben. Er hing al gelijk een akelig positieve lucht omheen, die zwanger ging van gekakel in populistische jargonstijl: ‘wij met z’n allen.’ Een van de actuele hoofdproblemen is het verschijnsel beleidsmens dat in al zijn hoedanigheden als ambtenaar, als adviseur of politicus met een vale glimlach de homo positivo uithangt. Agenda Stad zou de andere lidstaten van de EU eens even vertellen hoe je dat precies doet, stadsplanning. Nederland had immers een reputatie te verliezen. Maar het is stil gebleven, ijselijk stil. De EU kreeg iets anders aan de kop, vluchtelingen en aanslagen. In de Nederlandse praktijk wordt ondertussen vakkundig doorgewerkt aan reputatieverlies.

Om het proces dat maar geen inhoud wilde krijgen en de ermee gepaard gaande geestelijke crisis te bezweren zijn er onlangs filosofen bij gehaald. De standaardbeeldspraak van de laatste tien jaar was uitgehold: identiteit, concurrentiekracht, innovatie, smart city, allerhande van-wieg-tot-wieg, duurzame stad, het zou wat. Waar komen de filosofen mee aan? Nee, niet met akelige vragen naar verpaupering, uitsluiting, segregatie of gewoon discriminatie, de aftocht van de V&D-verkoopster, de ophef ng
van Jan’s boekhoudbaan, toch allemaal tamelijk aanwezige stedelijke verschijnselen. Nee, dan liever nieuwe beeldspraak: big data, garderobe gemeenschap, kapstok (de kleerhanger?), de stad als symfonie (een oudje van Lewis Mumford), de stad als algoritme, als woonplaats. Die woonplaats herinner ik me als een propagandistische kraker uit de vroege jaren tachtig. Ontmoeting blijkt het ook goed te doen onder de filosofen. Wordt nog steeds niet beseft dat de innigste wens van talrijke stedelingen is de medemens zoveel mogelijk te mijden. Spontane ontmoeting? Asjeblieft zeg. Ik wil alleen mensen zien die me aanstaan en dat is een zeer overzichtelijk aantal. De rest wil ik nooit ontmoeten, laat staan me ermee verbinden.

De betekenis van al die oude en nieuwe metaforen is geen andere dan die van bezwering van de wereld in stukken en chaos door ongevaarlijk-abstracte beeldtaal. Zelfs de filosofe (Roovers) die nattigheid voelt en onleesbaar grote Duitsers aanroept zoals Peter Sloterdijk (Schaum: is dat wel sterk genoeg om te verbinden?) en Oswalt Spengler (Der Untergang des Abendlandes: de stad is net zo leefbaar als de woestijn) produceert tenslotte nogal slappe vragen: ‘hoe organiseer je een hechter verband?’ en ‘Hoe kunnen we omgaan met een gevoel van risico en onveiligheid waarbij de “vijand” en het gevaar eerder van binnen dan van buiten lijken te komen?’ Een andere filosoof vindt dat op een ‘subtiele, niet-autoritaire manier een web geweven moet worden dat de eenling verbindt met de geschiedenis en het imago van de stad.’ Van welke stad zou je dat eigenlijk willen? Als volwassen mens bedoel ik.

Ik ben voor zo’n subtiele aanpak veel te laag bij de gronds. Analyseer nou’es hoe woningcorporaties de huur opjagen, verzekeringsmaatschappijen de huisarts tarten, woningspeculanten de tent doelbewust laten verloederen, bendes van even onhandige als ondeskundige gemeenteambtenaren keukentafelgesprekken komen voeren. Die gesprekken vormen wel de meest genante verworvenheid van onze beschaving. Buitengewoon effectieve bijdragen aan de ondergang van het Avondland zijn het. Hun driftige beleidsbazen, doorgaans zich als sociaal-invoelend presenterende, sociaal-democratische, zo niet gewoon socialistische wethouders, hebben op voorhand de lonen van het verzorgingsproletariaat ingekrompen. Naast de verkoopsters zwerven ook de-handen-aan-het-bed met een uitkering op straat, waarover de homo politicus positivo een krokodillentraan plengt.

Dit gaat over de stad, waar de onderkant zich in de scale schemering met anderhalve baan afbeult om z’n huurstijging en toegenomen zorgkosten te betalen.

O. Naphta