O. Naphta – Moraalwoorden

In een inleiding op Plato (427-348) lees ik dat originaliteit in de filosofie meestal niet wordt bepaald door het hebben van nieuwe ideeën, maar door het duidelijk maken van datgene wat voordien niet duidelijk was. Die conclusie heeft betrekking op de geschiedenis van de Griekse filosofie voor Plato, waarvan we weinig weten, dus ook niet of Plato origineel was of slechts oude vraagstukken tot klaarheid bracht. Nou ja slechts, als er 2400 jaar na dato nog dagelijks door honderden geleerden over de hele wereld op je werk en gedachten wordt gestudeerd, mag je niet mopperen. Wat Plato en zijn leermeester Socrates onder meer bezighield was betrouwbare definities te vinden van moraalwoorden zoals moed, dapperheid, oprechtheid, deugden dus. Generaal en historicus hucydides (460-400) had geschreven dat de omstandigheden de inhoud van zulke woorden verandert. Wat eerst een onverantwoordelijke daad werd genoemd, heette later een dappere en kameraadschappelijke onderneming.

 

De geschiedenis door hebben mensen, planologen niet uitgezonderd, woorden naar hun hand gezet, zeker moraalwoorden. Sinds 40 jaar terug zijn volslagen onoplosbare problemen omgedefinieerd tot uitdagingen en aperte belangentegenstellingen gepromoveerd naar de klasse der creatieve oplossingen. Werd de binnenstad ooit een ontoegankelijke en benauwende brij van stegen en sloppen gevonden, later werd dat een asfaltjungle waarin verloren kantoren haastige passanten aangrijnsden en de menselijke schaal verloren was. Nu de ruimtelijke ordening en de stedenbouw al jaren in een situatie van bijna stilstand verkeren, is die bekleed met een vloedgolf van nieuwe moraalwoorden, huiskamermetaforen die iedereen moet kunnen vatten. Ze zeggen iets vaags over kwaliteiten van de binnenstedelijke ruimte. Deze metaforen moraliseren de stedelijke ruimte en zouden een kolfje naar de handen van de Griekse denkers zijn geweest. Ik ga meteen voorbij aan het eerste bedrijf van de plannenmakerij, de procedureaanpak die druipt van het sponsachtige bestuursjargon dat loopt van uitdagingen tot strategische samenwerking via overwinning van het democratisch tekort tot het draagvlak voor communicatieve planning. De naar logische definities strevende Plato zou hebben gezegd: zeg mij wiens geld en toestemming u nodig heeft en ik definieer uw aanpak.

 

Wie met plannen voor een binnenstad of een dorpskom bezig is doet er goed aan de volgende huiskamermetaforiek door te nemen. De kern is deze: ken aan het complex van loszittende stenen, betonrot, verweerd glas, kreupel asfalt, roestige tramrails, schots en scheef liggende tegels, uit het lood staande lantaarnpalen, haperende stoplichtinstallaties, omver gereden verkeersborden, verdwaalde bloembakken, uitpuilende vuilnisbakken, ingekerfde banken, verlaten kantoren, pisnissen, rommelhoeken, gevaarlijke drempels en roltrappen-in-ruste een aantal deugden toe. Een bescheiden begin is dit: ONZE – altijd in kapitalen – binnenstad is een lounge, een ontmoetingsplek voor shoppers en cultuursnuivers die eigenheid uitstraalt, waar authenticiteit het verschil maakt, die leesbaar is voor alle stadsgenoten, waar bezoekers zich thuis voelen, waar de deeleconomie gestalte krijgt als bijdrage aan een duurzame wereld, die zich onderscheidt, ruimte biedt voor (tijdelijke) initiatieven, verborgen plekken betekenisvol maakt en barrières vervangt door verbindingen, waar stromen zichtbaar zijn, levendig maar niet hinderlijk en transformatie als permanente katalysator van vernieuwing van de leefomgeving om nieuwe vormen van samenwerking vraagt waarbij iedere stakeholder zijn verantwoordelijkheid oppakt, kortom een laboratorium van de innovatieve samenleving, dat het investerend en organiserend vermogen van inventieve burgers mobiliseert.

 

Het grote voordeel van deze aanpak is dat zolang de moraalwoorden tussen alles en niets betekenen niemand er tegen is. Net zoals de Griekse filosofen zal ieder voor zich proberen in de beschreven brij een kosmologisch systeem te zien, ofwel een orde. Onder de Grieken had het woord orde een morele betekenis in de zin van ‘goede orde’. De nieuwe moraalwoorden zoals cradle-to-cradle city; duurzame stad, metabolische stad hebben dat ook. De tijden veranderen, maar de planologen blijven moraaltheologen.