O. Naphta – Stadsstraat

‘s Morgens vroeg doet de poelier altijd als eerste zijn winkel open. Hij is al een uur bezig geweest met prepareren, afwegen en uitstallen, klaar voor de dag. De rest van de straat ontwaakt langzaam. Rolluiken ratelen omhoog. Een jonge vrouw stapt uit een voordeur met aktetas naar haar advocatenkantoor, haar iphone afspeurend naar eerste berichten. Een slordige man zwalkt van de stoep, de onverwerkte nacht schemert in zijn dikke ogen. Hij is beroeps. Een half uur later fietst het halve westelijk stadsdeel naar het werk, naar school, naar de warme bakker. Wordt het een dag van verveling of van vervulling?

Langzaam slingerend neemt zij de straat, tegen het verkeer in, haar oog voortdurend gericht op het oplichtende scherm van haar sociale leven. De te lang uitgegroeide postpuber die nu alles kan, behangen met indrukwekkende oortjes, ontwijkt haar behendig met hoge kruissnelheid, ondertussen luidkeels discussiërend met het heelal van zijn vriendenkring. Zijn snelheid stelt het reactievermogen van de buurt continu op de proef. Aan de overkant probeert een oudere dame achteruit in te parkeren: oponthoud, irritatie, straatgrappen. Aan deze zijde zoekt een onervaren automobilist een gaatje in de stroom van fietsers, zich geleidelijk realiserend dat hij zonder verkeersovertreding de overzijde nooit zal bereiken. Ginds beweegt een corpulente man met een te dikke leren jas op een te klein brommertje. Met zijn te grote helm, zware bril en driedaagse stoppelbaard is hij een uitstervend ras. De zorgvuldig gecoiffeerde bakfietsvader, zesdaagse stoppels en door een studiokapper opgemaakt in-de-warhaar is on duty met drie ontbijtende koters in de bak en zoekt publiek om zich te showen.

‘s Middags is de straat van de toeristen, boodschappers, slenteraars, de oppasmeiden met hun oppaskinderen op weg naar de speeltuin op het pleintje aan de zijstraat. Alle zaken zijn nu open. Zorgvuldig opgemaakte tweedejeugdvrouwen die met moeite hun SUV hebben weten te parkeren, lopen hier eens binnen en daar eens, opzichtig een tas van een chique merk in de hand, desnoods als exclusieve verpakking voor de gratis ochtendkrant die gemaakt is voor een doelgroep die een generatie jonger is. Thuis puilen hun kasten vol schoenen, jurken, rokken, pakjes, setjes en blouses uit van verveling. In de flauwe bocht van de straat snelt de geriatrische verslaafde met rusteloze tred van de ene naar de andere afvalbak op zoek naar iets eetbaars. Zijn nerveuze gang wordt gestuurd door holle ogen in diepe kassen die wantrouwend op de buitenste grenzen van het uitspansel zijn gericht. Brunchende toeristen verwerken hun jetlag onder bespreking van het dagprogramma op een van de vele terrassen die als een voortwoekerende stoepgroente elke dag nieuwe vierkante meters van het trottoir aan de noordkant van de straat afsnoepen.

Tegen het eind van de middag fietsen de mensen van vanmorgen weer naar de wijken in het westen. Het drukste uur van de dag. De beeldschone vrouw van buitenlandse herkomst koopt nog snel een cadeautje voor haar vriendin die vanavond jarig is. Een zwarte man telefoneert in een onbegrijpelijke taal met een ver land. Tientallen mensen lopen al duimend berichten te beantwoorden. Sorry, een botsing. De tijdgeest van de straatgangers. De zelfbediende sociale netwerken leiden af van het fysieke hier en nu. In de straat is de wereld wel aanwezig, maar virtueel, verborgen. Ieders particuliere wereld is alleen merkbaar door onoplettendheid, hinder, ongelukken. Telefonerend door rood onder een auto is nu een vertrouwd straatbeeld. Hinder, de stad was altijd al hinder, lawaai, gehuil, gierend remmen voor onbesuisd dwarsverkeer, gesneden door langsverkeer, afgeleid door netverkeer.

‘s Avonds dooft de straat, komen de schoonmakers, later de nachtbrakers. De nacht geeft rust aan de straat om zich te herpakken voor de nieuwe dag. De stad kan geen dag zonder straat.

 

O. Naphta