Redactioneel

Urban regions in the delta

 

Het initiëren van onderzoek in consortia van kennisinstituten en eindgebruikers is steeds vanzelfsprekender geworden. Enerzijds is het alternatief, fundamenteel onderzoek naar de eigen interesses van wetenschappers, in de hoek van de maatschappij- en gedragswetenschappen moeilijk te financieren. Anderzijds hebben dit soort consortia de potentie om te leiden tot veel meer gedeelde kennis en implementeerbare oplossingen voor actuele beleidsproblemen. Dat komt vooral omdat ze, analoog aan de observaties van antropoloog Clifford Geertz, kunnen schakelen tussen experience-near en experience-distant kennis. Juist dit is volgens hem de belangrijkste motor van dieper begrip.

 

Uiteraard levert onderzoek doen via dergelijke complexe consortia nogal eens spanningen op. Bij de koffieautomaat ontmoet ik vaak zuchtende hoogleraren of ander wetenschappelijk personeel (zij doen veelal het ‘echte werk’), die zich beklagen over eindeloze bijeenkomsten, tussenrapportages en disseminatieverplichtingen. De andere kant heb ik ook meegemaakt: praktijkpartners die verzuchten dat wetenschappers problemen nooit oplossen en alleen maar groter en veelvormiger te maken. Ieder consortium heeft bruggenbouwers nodig die beide kanten goed kennen om voorbij deze hobbels te komen. Een flinke portie verwachtingsmanagement en het expliciet kweken van wederzijds begrip voor de werelden van wetenschap en beleid is sowieso aan te raden.

 

Deze Rooilijn, tot stand gekomen met financiële steun van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), presenteert de resultaten van het onderzoeksprogramma Urban regions in the delta. Slimme aanpakken voor gebiedsontwikkeling vragen bij uitstek samenwerking tussen partijen. De uitdaging voor praktijkpartijen is om concrete vraagstukken op een meer abstract niveau te formuleren. Dan worden ze interessant voor (internationaal) vergelijkend onderzoek. Van onderzoekers moet tegelijkertijd steeds meer verwacht worden dat ze de conclusies van hun studies ook kunnen doortrekken naar beleidsrelevante aanbevelingen. Een volgende stap is natuurlijk om vanuit deze consortia een veel breder veld van partijen mee te bewegen. Alleen dan kunnen maatschappelijke transities echt gewicht krijgen.

 

Stan Majoor

Hoofdredacteur Rooilijn (stan@rooilijn.nl)