Beperkte bruikbaarheid van ontgroei in stedelijke ontwikkeling

25 november 2021

Eén van de belangrijkste pijlers in het gedachtegoed van de ontgroei beweging is het radicaal loslaten van een op groei geënte economie en samenleving. Deze is noodzakelijk voor een transitie naar een sociale, rechtvaardigere en groenere samenleving. Maar wat betekent dit voor de stad en in hoeverre biedt het ontgroei-gedachtegoed praktische handvatten voor stedelijke ontwikkeling?

Waar planologie in de twintigste eeuw zich hoofdzakelijk bezighield met het faciliteren van economische en demografische groei, is zijn belangrijkste opgave in de 21ste eeuw hoe te komen tot een kwalitatieve ruimtelijke inrichting bij een gebrek aan groei. De themareeks over ontgroei van Rooilijn adresseert de vraag “wat planologie precies kan met het ontgroei-denken”. In de verschillende bijdragen komen onder meer onderwerpen als voedselgemeenschappen, woningbouw en de rol van ruimtelijke professionals aan bod, duidend op een toenemende nieuwsgierigheid naar dit concept.

Leegstand pand, Heerlen (foto: Maurice Hermans)

De bruikbaarheid van ontgroei

Ontgroei biedt een alternatief gedachtengoed voor het dominante economische groeiparadigma door een betere kwaliteit van leven te koppelen aan een vermindering van productie en consumptie. Naast een systeemkritische analyse biedt het een trits aan praktische toepassingen, met recentelijk ook meer aandacht voor de stedelijke dimensie. Zo noemt Lehtinen (2018) onder meer voetgangersveiligheid, netwerken van fietspaden, effectief openbaar vervoer, aantrekkelijke en inclusieve publieke stedelijke ruimten als het gaat om ontgroei. Voor wat betreft het onderwerp huisvesting in een stedelijke context, biedt het boek ‘Housing for Degrowth’ (Nelson et al., 2018) een overzicht van bruikbare praktijken, zoals bijvoorbeeld tiny houses en het Duitse ‘Mietshäuser Syndikat’. Een ander veelvoorkomend thema, voedselproductie in een stedelijke omgeving, komt aan de orde in het Rooilijn artikel ‘voedselgemeenschappen in Amsterdam’.

Zoals blijkt uit bovenstaande voorbeelden van nogal uiteenlopende praktijken, is het niet altijd even helder wat hen tot ontgroei maakt. Niet voor niets wordt het in de literatuur gepresenteerd als een raamwerk dat de verschillende ideeën, concepten en voorstellen met elkaar verbindt (Demaria et al. 2013). Om enige duiding hierin aan te brengen, presenteren Hermans et al. (2021) een kader met een set aan kenmerken, aan de hand waarvan het ontgroei-gehalte van een stedelijke praktijk afgelezen kan worden.

Allereerst, in algemene zin betreft het stedelijke praktijken die bijdragen aan de vermindering van productie en consumptie. Daarin staat, ten tweede, een non-kapitalistische logica centraal: winstmaximalisatie kan geen doel op zich zijn en er is sprake van coöperatieve in plaats van onderling concurrerende verhoudingen. Het experimenteren met andere vormen van eigenaarschap, als alternatief voor het privébezit en de toenemende commodificatie is een derde kenmerk. Is er sprake van zelforganisatie, die, al dan niet samen met overheidsinstanties, mede gericht is op het bevorderen van emancipatorische, horizontale en inclusieve praktijken? Ten vierde, in hoeverre bevordert de praktijk de sociale interactie in de publieke stedelijke ruimte, zodanig dat er verschillende ‘gebruikswaarden’ naast elkaar ontwikkeld kunnen worden. Daarbij valt onder meer te denken aan stadsecologische activiteiten (stadslandbouw, voedselgemeenschappen), gericht op lokale voedselproductie en sociale ontmoeting.

Tenslotte, en dat is wat abstracter, kenmerkt ontgroei zich door een meer gelijkwaardige verhouding tussen de diverse actoren in een stad. Dat betreft met name de relatie overheid en burger, met een veel meer bescheiden positie voor de markt en economie dan nu het geval is. Gelijkwaardige verhoudingen die worden gedragen door een ‘cultuur van ontgroei’ (Reverda et al., 2018), waarmee wordt bedoeld of stedelijke ontgroei-praktijken werken met een systeem van betekenisgeving, bestaande uit eigen rituelen, eigen taal en eigen symbolen.

Nowtopia 2018, Kopenhagen (foto: Maurice Hermans)

Krimpstad als Fundgrube

Om de focus van deze reeks te verbreden, richten we de blik in deze slotbeschouwing op de krimpende stad. Vanuit ontgroei-perspectief is dit om meerdere redenen interessant. Er is, allereerst, sprake van een stedelijke omgeving met een realiteit van ontgroei, in de zin dat een afname van het aantal mensen in een zeker gebied in de meeste gevallen – zo niet alle – leidt tot een afname van productie en consumptie. Dat betekent overigens niet, zoals het ontgroei-gedachtegoed wel voorstaat, dat dit automatisch leidt tot een hogere kwaliteit van leven.

Ten tweede, ten gevolge van demografische en economische krimp ontstaat er een disbalans tussen de gebouwde omgeving en het aantal gebruikers. Er is een surplus aan in onbruik geraakte gebouwen en stedelijke ruimte. De krimpende stad is minder aantrekkelijk voor projectontwikkelaars, private equity firms en buitenlandse investeerders omdat de vraag niet in balans meer is met het aanbod (Reverda et al., 2018).

‘Oude’ principes waarbij waardevermeerdering van grond en de uitgifte ervan vastgoedontwikkelaars tot investeringen verleidt, zijn deels onproductief geraakt. Er ontstaat een urgentie op zoek te gaan naar alternatieve strategieën voor stedelijke ontwikkeling. De tanende dominantie van markt en economie, biedt burgers en overheid ruimte voor experimenten met inclusieve, ecologische, sociale en culturele gebruikswaarden. Dat maakt de krimpende stad uiterst geschikt om “vormen van stedelijke ontwikkeling te observeren waarbij het streven naar groei niet voorop staat” (Fol & Cunningham, 2010, 378).

De rijke literatuur over de krimpende stad levert eveneens voor de stedelijke dimensie van ontgroei bruikbare invalshoeken op, waarvan hieronder enkele voorbeelden. In het artikel ‘Small can be beautiful (Popper & Popper, 2002) introduceren de auteurs een planningsmodel dat minder mensen, gebouwen en grondgebruik koppelt aan een goede kwaliteit van leven. Dit model krijgt onder meer navolging in het ‘2012 Detroit Strategic Framework Plan’ (Detroit Future City, 2012) dat zich ten doel stelt “to improve the quality of life in the city rather than simply augment the value of land and spur economic growth” (Schindler, 2016, p. 820).

Dichter bij huis brengt de gecrowdsourcede themakrant ‘Degrowth Daily’ (Hermans et al., 2021) verschillende zienswijzen op het thema ontgroei in relatie tot de stad samen, variërend van burgerinitiatieven, architectuurpraktijken en theoretische invalshoeken. Bijzondere aandacht is er voor praktijken uit de krimpende stad, waarbij het project ‘Superlocal’ in Kerkrade, dat circulaire sloop van overbodig vastgoed koppelt aan het recyclen van sociaal kapitaal, noemenswaardig is. Een meer radicale zienswijze op architectuur biedt het vlugschrift ‘pleidooi voor het niet-bouwen (Re-st et al., 2015), van architectenburo Re-st uit Antwerpen. Zij pleiten onder meer voor ruimteneutraal bouwen, waarbij leegstand (on-gebruikte ruimte) en zwerfruimte (onder-gebruikte ruimte) startpunt vormen voor architectonische interventies (redactie: zie ook het boek Wanderspace / Zwerfruimte). Het voorbeeld van het burgerinitiatief ‘stadstuin Heerlen’, tenslotte, beschrijft de spanning die ontstaat wanneer een 20.000m2 groot overbodig winkelcentrum, gelegen middenin het hart van de stad, wordt gesloopt tussen enerzijds een groei-coalitie die nieuwbouw wil plegen en anderzijds een burgerinitiatief die de vrijgekomen stedelijke ruimte tot een groene, inclusieve stadstuin wil ontwikkelen. De krimpende stad als Fundgrube – vindplaats – voor ontgroei-praktijken.

Sloop in Heerlen (foto: Maurice Hermans)

Een moeizame verhouding

In mijn optiek vormt het ontgroei-gedachtengoed nog onvoldoende een tegenwicht tegenover het in stedelijke ontwikkeling diepgewortelde geloof dat groei altijd goed, noodzakelijk en oneindig is. Dat blijkt onder meer uit de niet aflatende drang naar nieuwbouw, zowel in de Randstad als in Heerlen. Het meest stuitende voorbeeld is de lobby voor 900.000 woningen, aangevoerd door Bouwend Nederland. Het moet de politiek aanzetten tot het plegen van grootschalige nieuwbouw, omdat er sprake is van een nauwelijks onderbouwd tekort aan woningen. Indien succesvol, zal stedelijke ontwikkeling de komende decennia business as usual blijven, met hier en daar een vleugje duurzaam bouwen.

De nauwelijks onderbouwde stelling van het woningtekort wordt klakkeloos overgenomen door Maarten Markus in zijn artikel ‘Een degrowth perspectief voor woningbouw‘. Daarmee doet hij zijn stelling dat “steden de sleutel zijn voor het verduurzamen van de wereld wanneer deze groei vanuit een degrowth perspectief wordt ingevuld” tekort; in mijn optiek gaat dat niet samen met het plegen van grootschalige nieuwbouw. Het was beter geweest wanneer hij een kritisch perspectief op de nieuwbouwambitie had geformuleerd, waarin een plausibel ontgroei-alternatief geschetst wordt, bijvoorbeeld geïnspireerd op eerder-genoemde ‘vlugschrift voor het niet-bouwen’.

Hoe inspirerend de in de themareeks gepresenteerde praktijken op zichzelf ook zijn, de reikwijdte ervan mogen we niet overschatten. De meeste bijdragen zijn afkomstig van een kleine grootstedelijke voorhoede, die voortbouwt op een al langer bestaande traditie van eco-pioniers in de stad. De themareeks is dan ook maar ten dele geslaagd de ontgroei discussie “uit de vandaag nog relatief kleine academische en culturele context te halen”. Daarbij komt dat het nog niet zo eenvoudig is, stedelijke praktijken gebaseerd op principes van gelijkwaardigheid, wederkerigheid en horizontale organisaties, op te schalen (Lloveras, 2018). Zoals de bijdrage ‘Voedselgemeenschappen in Amsterdam’ terecht constateert, hebben ontgroei praktijken te maken met juridische, economische en cognitieve obstakels. Ontgroei-praktijken functioneren immers “binnen de dominante kaders van een kapitalistische samenleving”.

Het loont de moeite de blik te richten op steden waar de kaders van de kapitalistische samenleving minder hard zijn. Op het eerste gezicht biedt de krimpende stad ruimte voor op ontgroei-geënte vormen van stedelijke ontwikkeling. Toch is er ook daar sprake van een moeizame implementatie van ontgroei. Zo is het concept ontgroei onder diegenen die zich ogenschijnlijk met ontgroei-praktijken bezighouden volstrekt onbekend. Er is een gebrek aan kritische reflectie op het groei-discours als zodanig, evenals aan vaardigheden voor het voeren van een effectieve lobby om ontgroei te verankeren in beleid. Dat heeft veel te maken met de selectieve migratie van cultureel, sociaal en intellectueel kapitaal (Galster, 2017): de stedelijke voorhoede ontbreekt grotendeels in de krimpende stad.

Het burgerinitiatief ‘Stadstuin Heerlen’ moet het inmiddels afleggen tegen de groei-coalitie, die het voor elkaar heeft gekregen plannen voor 98 nieuwbouwappartementen, midden in de beoogde stadstuin, goedgekeurd te krijgen. Discussie over de vraag of een krimpende stad er niet beter aan doet op basis van sociale en ecologische waarden, in plaats van op economische, te ontwikkelen, vond niet of nauwelijks in brede kring plaats. Zelfs in een stad met verminderde interesse van de markt, een linkse stadscoalitie, de beschikbaarheid van nieuwe stedelijke ruimte en een groep initiatiefrijke burgers, lukt het amper ontgroei te verankeren in stedelijke ontwikkeling.

Dit brengt, tenslotte, een interessante tegenstelling aan het licht. Ontgroei groeit met name in metropolen als Amsterdam, Barcelona en Leipzig. Plekken waar een verlangen naar minder, kleiner en langzamer wordt gevoed door de onwenselijke neveneffecten van overgroei, zoals massatoerisme of huisvestingsuitsluiting. In de krimpende stad, daarentegen, is de afwezigheid van groei noch een vrijwillige keuze, noch een nastrevenswaardige ambitie voor een kwalitatief beter leven.

Dit artikel is onderdeel van de themareeks ‘Degrowth’, zie het inleidende artikel ‘Los van groei: diepgewortelde duurzaamheid voor de planologie?‘

Author profile
Maurice onderzoekt de krimpende stad en werkt bij IBA Parkstad.

Maurice Hermans (1974) onderzoekt de krimpende stad en werkt bij IBA Parkstad.

Literatuur

Fol, S., & Cunningham-Sabot, E. (2010) ‘Déclin urbain et Shrinking Cities: une évaluation critique des approches de la décroissance urbaine’, Annales de géographie, nr. 674, p. 359-383

Galster, G. (2017) ‘Why Shrinking Cities Are Not Mirror Images of Growing Cities: A Research Agenda of Six Testable Propositions’, Urban Affairs Review, nr. 55(1), p. 355-372

Hermans, M.J., de Kraker, J., Scholl, C. (red.) (2021) Degrowth Daily: krant voor ontgroei-en-de-stad, MSI, Maastricht

Lehtinen, A.A. (2018) ‘Degrowth in city planning’, Fennia, nr. 196 (1), p. 43-57

Lloveras, J., Quinn, L. and Parker, C. (2018) ‘Reclaiming Sustainable Space: A Study of Degrowth Activists’, Marketing Theory, nr. 18(2), p. 188–202

Nelson, A., & Schneider, F. (Eds). (2018) Housing for degrowth: Principles, models, challenges and opportunities, Routledge, London

Popper, D. E., & Popper F. J. (2002) ‘Small can be beautiful: Coming to terms with decline’ Planning, nr. 68 (7), p. 20–23

RE-ST et al. (2015) Pleidooi voor het niet-bouwen, RE-ST, Antwerpen

Reverda, N., Hermans, M., & Maurer, N. (2018) ‘Towards a culture of degrowth’, G.J. Hospers & J. Syssner, Dealing with Urban and Rural Shrinkage. Formal and Informal Strategies, (pp. 17-29), Lit Verlag, Zürich

Schindler, S. (2016) ‘Detroit after bankruptcy: A case of degrowth machine politics’, Urban Studies, nr. 53(4), p. 818-836

Author profile
Maurice onderzoekt de krimpende stad en werkt bij IBA Parkstad.

Maurice Hermans (1974) onderzoekt de krimpende stad en werkt bij IBA Parkstad.

Artikel gegevens:
Auteur(s):Maurice Hermans
Jaargang 54 /

25 november 2021

De tekst en tabellen in deze bijdrage zijn gepubliceerd onder een CC-BY-SA-ND licentie. Voor hergebruik van foto’s en illustraties dient u contact op te nemen met Rooilijn.
Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.