De staat van de stadsrand

Foto: Gerben Helleman

De tweedeling tussen stad en land gaf decennialang richting aan de nationale ruimtelijke ordening. Stadsranden werden hoofdzakelijk gevormd door sectoraal beleid voor woningbouw, restrictief beleid voor de open ruimte en landbouw- en natuurbeleid voor het landelijk gebied. Rondom de eeuwwisseling ontstonden geleidelijk beleidsconcepten voor de verweving van groen en rood. Na de decentralisatie van het nationale ruimtelijke beleid werden de kaarten echter opnieuw geschud. In dit artikel gaan we in op de verschillen tussen stadsranden, wat betreft verstedelijkingsdynamiek en strategisch groen- en verstedelijkingsbeleid. We schetsen beleidsopties voor stadsranden met nieuwe opgaven in het vizier.

De randen van de stad kennen een hoge dynamiek in grondgebruik. Deze dynamiek verschilt per land, door beleid, cultuur en landschap. Sommige stadsranden worden gepland, zoals de Franse villes nouvelles en de nieuwe Scandinavische stadsuitbreidingen, andere groeien organisch en ongepland, zoals de Belgische ‘nevelsteden’ en de Italiaanse ‘città diffusa’. Nederland heeft kenmerken van beide: we zien voorbeelden van strak geplande nieuwbouwwijken, natuurgebieden en recreatieterreinen (Faludi en Van der Valk, 1995; van der Wouden, 2015) en een meer diffuus ‘tussenland’ met allerlei overgangsvormen, met onder meer bedrijven, winkels, agrarische bebouwing met niet agrarische invulling, sportvelden, volkstuinen en onduidelijke ‘restgebieden’ die overblijven na doorsnijding van infrastructuur (Frijters e.a., 2004; Hamers, 2009).

Woningbouw, openluchtrecreatie en natuurontwikkeling verliep meestal gepland, langs door de rijksoverheid uitgezet ruimtelijk beleid. Landbouw, kantoren en industriële bedrijvigheid verliep daarentegen meer bottom-up, waardoor aantrekkelijke cultuurhistorische landschappen geleidelijk werden verdrongen door verstedelijking, infrastructuur en glastuinbouw. Door deze reeks van aanpassingen en kleine projecten schoof de stadsgrens in kleine stapjes op, zonder dat werd getoetst aan het maatschappelijk belang van het landschap van de stadsrand voor de gebruikers.

Deze geplande en bottom-up verstedelijkingsprocessen vinden plaats binnen een gemeenschappelijke context: de regionalisering van de stadsrand. Stadsranden ontgroeien hun lokale context omdat agrarische, handels- en industriële bedrijven, winkelcentra en recreatievoorzieningen in de stadsrand in het daily urban system van verschillende steden komen te liggen. Hierdoor zien de grote gemeenten de stadsranden van de buurgemeenten toenemend als hun domein. Waar na het aflopen van de vinex-opgave de aandacht leek te verschuiven naar bouwen ín de steden, neemt de druk op de woningmarkt inmiddels dermate toe dat bouwen langs de randen van de stad weer in beeld komt. Hierin zit een belangrijke spanning: stadsranden gaan overlappen en worden het toneel van, onder andere, druk op de regionale woningmarkt, terwijl op enkele uitzonderingen na geen specifiek beleid voor stadsranden wordt geformuleerd door provincies of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.

Recent verstedelijkingsbeleid

Om de verschillende dynamieken de stadsranden te kaderen, duiken we wat dieper in het recente verstedelijkingsbeleid. Dit werd in 2012 gedecentraliseerd naar de lagere overheden. Wat betreft de woningmarkt, werden in de grote steden nieuwe woningen na 2012 bijna uitsluitend in de stad gebouwd. Slechts zes procent van de woningen werd gebouwd buiten de stedelijke contouren. De middelgrote gemeenten (G40) bouwden 23 procent van hun woningen buiten de stadscontouren. Bij de kleine gemeenten (in de figuur benoemd als ‘overig’) ligt dit percentage nog hoger: 28 procent. Deze kleine gemeenten tellen ieder voor zich minder dan 70.000 inwoners, maar huisvesten in totaal een bevolking van ongeveer tien miljoen mensen. Naarmate steden groter worden neemt de concentratie van woningbouw in de bestaande stad dus toe, en andersom: kleine gemeenten bouwen relatief veel langs de stadsranden. De verschillen in dichtheden tussen grote steden en kleinere gemeenten nemen hierdoor toe.

Opvallend is dat de situatie qua verdeling van grondeigendom precies andersom is. Grotere steden hebben veel grond in eigendom in de stadsranden, waar ze dus niet (meer) bouwen, terwijl kleinere steden daar juist minder grond hebben. Dit opvallende gemeentelijk grondbezit in stadsranden van grote steden (46 procent) wijst erop dat de grote steden een sterke invloed hadden op de ontwikkeling van hun stadsranden. In veel gevallen gaat het hierbij om bufferzones, parken of andere groene bestemmingen, of gemeentelijke haven- en industrieterreinen. Opvallend is ook het relatief grote percentage rijkseigendommen in de stadsranden van de grotere gemeenten (G4). Dit is een gevolg van een jarenlang strategisch ruimtelijk beleid voor verstedelijking, groen en andere beleidsdoelen. Omdat de stadsranden van de grote gemeenten overlappen met die van hun kleinere buurgemeenten, zullen zij met verschillende partijen moeten samenwerken om in hun stadsranden iets te bereiken. De middelgrote steden van de G40 bezitten minder grond in de stadsranden. Relatief hebben ze wel veel zeggenschap omdat de stadsrand vaak binnen de eigen gemeentegrens valt en ze niet met andere gemeenten hoeven te onderhandelen over strategische beslissingen.

Actief ontwikkelende partijen, zoals projectontwikkelaars, bezitten weinig grond, maar in vergelijking met het landelijk aandeel (0,1 procent) is het percentage in de stadsranden aanzienlijk groter, met 0,9 procent in de ‘overige’ gemeenten oplopend tot 1,8 procent gemiddeld in de vier grote steden. Van de bijna elfduizend hectare grond die ontwikkelaars gezamenlijk totaal in bezit hebben, ligt 38,5 procent in de stadsranden van gemeenten met meer dan vijfduizend inwoners. Projectontwikkelaars investeren dus in de stadsranden en lijken daar te anticiperen op functieveranderingen.

Stadsrandprofielen

In de studie naar stadsranden van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) werden stadsranden onderzocht op drie terreinen waarin ze onderling sterk verschillen: woningbehoefte (rode druk), omgevingsbeleid (groene druk) en grondbezit. In deze studie wordt de rode druk op stadsranden berekend door de woningvraag uit de Welvaart en Leefomgeving scenariostudie van het PBL en het Centraal Planbureau (CPB) te projecteren op de steden. Hierbij wordt berekend welk deel van de woningvraag binnenstedelijk zou kunnen worden opgelost. Het deel van de resterende woningvraag wordt vervolgens geprojecteerd op de stadsranden omdat in de huidige planningslogica en de beleidsvoornemens vooral wordt gebouwd langs de randen van de stad.

Daarnaast worden voor de groene druk alle provinciale verordeningen voor natuur en landschap vertaald naar een eenduidig planologisch regime. Het provinciale omgevingsbeleid voor de groene ruimte laat grote verschillen zien, waardoor de groene druk in de verschillende stedelijke gebieden onderling heel verschillend kan uitpakken. Een “nee, tenzij” formulering is in de ruimtelijke ordening van Nederland een klassieke aanduiding voor restrictief beleid: nee, er zijn geen ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan die natuur en/of landschap aantasten, tenzij er een zwaar maatschappelijk belang in het geding is en alternatieven niet voorhanden zijn. Dit nee, tenzij beleid is geprojecteerd op stadsranden waarna de groene druk is ingetekend. Rode en groene druk verschillen dus van aard: rode druk komt voort uit een prognose, groene druk uit actueel omgevingsbeleid. Door in de studie de rode en groene druk in stadsranden met elkaar te confronteren, ontstaan stadsrandprofielen met specifieke uitgangsposities voor elke gemeente voor landschap (groene druk) en woningbouw (rode druk).

Uit de studie blijkt dat stadsranden onderling sterk verschillen. Wanneer de rode en groene druk op twee assen worden gezet ontstaan vier stadsrandprofielen. Veel gemeenten in de kustzone, Amstel- en Vechtstreek, de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe vallen in het kwadrant van hoge rode druk in combinatie met hoge groene druk. De rode druk in de Hollandse kuststeden, Amsterdam, het Gooi, Apeldoorn, Arnhem en Nijmegen is hoog. Deze steden liggen aan grote natuurgebieden en hun stadsranden zijn goed beschermd. Voor de kwaliteit van het woonmilieu heeft dit grote voordelen, maar de ruimte om te bouwen is er beperkt.

Bijna de gehele Zuidvleugel bevindt zich in het kwadrant van hoge rode druk in combinatie met lage groene druk. Dit zijn de gemeenten in de open landschappen van de zee- en rivierkleigebieden. Deze gemeenten zitten in een andere positie dan die in de Noordvleugel. Hoewel ook hier de rode druk op de stadsranden aanwezig is, is de bescherming van het landschap minder stringent, waardoor het gemakkelijker is om te bouwen in de stadsranden. De afgelopen decennia is dit tussen Den Haag en Rotterdam al op grote schaal gebeurd, wat heeft geleid tot een versnippering van het landschap. Om de aantrekkelijkheid van deze gebieden als woonmilieu te vergroten, zijn investeringen nodig in nieuwe en goed bereikbare natuur- en recreatiegebieden.

Lage rode druk in combinatie met hoge groene druk komt voor in middelgrote gemeenten als Breda, Eindhoven, Assen, Hilversum en Maastricht, waar de restvraag laag of niet aanwezig is. Het groen heeft er een beschermde status, niet alleen om de verstedelijking, maar ook de oprukkende overlast gevende agro-industrie te weren, zoals bijvoorbeeld in Brabant. De woningopgave is niet groot en/of er is ruimte om woningen te bouwen in de stad. Hier is ruimte om de stadsranden in te richten als groenblauwe schakelzones tussen stad en ommeland.

Ook in gemeenten als Groningen, Enschede en in de regio Parkstad Limburg blijft de woningbouwdruk beperkt. Gezien de in de stad aanwezige ruimte is het ook niet nodig om buiten de stad te bouwen. Hier is sprake van zowel lage rode als groene druk en kan in de stadsranden worden geëxperimenteerd met extensieve functiecombinaties van natuur, land- en tuinbouw, energiewinning en klimaatopgaven.

In metropoolregio’s

Op welke manier verhoudt het groene omgevingsbeleid in de stadsranden van metropoolregio’s zich tot de woningbouwdruk op die stadsranden? In het volgende deel kijken we nauwkeuriger naar de metropoolregio’s en gaan we na op welke manier de ontwikkeling van leidende stadsconcepten in de voorbije decennia de ontwikkeling van de stadsranden hebben beïnvloed. Hierdoor wensen we inzicht te verkrijgen in de krachten die spelen achter de stadsrandprofielen.

Hoge rode en groene druk komen samen in de Metropoolregio Amsterdam (MRA). In het algemeen uitbreidingsplan van Amsterdam (van Rossem, 1993) werden de nieuwe uitbreidingen getekend als de vingers van een hand die in het omringende land steken. Deze structuur had als doel bewoners van de stad binnen tien minuten tot aan het groen buiten de stad te brengen. De groene scheggen tussen de vingers zijn tot op vandaag gevrijwaard van verdere verstedelijking en groeiden uit tot beschermde landschappen. Een groot deel van de beschermde grond is in handen van natuurorganisaties, de gemeente en de provincie. Alleen in Waterland en bij Zaandam zijn er meer particulieren en andere eigenaren die grond bezitten in het beschermde gebied. Andere beschermde groengebieden liggen langs de noord- en westzijde van de stad. Dit zijn niet zozeer groene scheggen tussen de vingers, maar wel duidelijk onderdeel van het stadsconcept van de vingers in het land. Dit stadsconcept bleef decennia overeind.

In gebieden waar de groene druk minder is, hebben ontwikkelaars grondposities. Dit zijn gebieden die eerder waren aangewezen voor verstedelijking (zoals de Haarlemmermeer), en plekken waar ontwikkelaars zonder concreet verstedelijkingsplan grond hebben gekocht, zoals in de Purmer, bij Purmerend, waar ontwikkelaars een joint venture hebben opgezet en gronden hebben opgedeeld en herverkaveld. De Bovenkerkerpolder is in zijn geheel aangekocht door een familiebedrijf. Soms hield die beschermde status geen stand, zoals in de Bloemendalerpolder. Dit was een rijksbufferzone waar de grens werd aangepast, projectontwikkelaars vervolgens grond kochten en woningen bouwden. Maar dit zijn uitzonderingen. De stadsranden van Amsterdam bevinden zich grotendeels op het grondgebied van de naburige (kleinere) gemeenten. De stadsrandprofielen van deze gemeenten lopen sterk uiteen, omdat de mate van rode en groene druk tussen de gemeenten onderling sterk verschilt.

In de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) is sprake van een combinatie van hoge rode druk en lage groene druk. Het verstedelijkingsconcept voor Rotterdam kent een minder consequente geschiedenis. In het eerste regionale algemene uitbreidingsplan van Rotterdam van Witteveen uit 1928 werden woonwijken, maar ook snelwegen, spoorverbindingen en annexaties van buurgemeenten opgenomen (Mens, 1995). De stad zou groeien langs verkeersassen, gescheiden door groene gebieden daartussen. De vorm van de groengebieden was een resultante van de vorm van de stad. Bestaand groen zoals landgoederen en buitens werden door de havenontwikkeling en verstedelijking geannexeerd en omgezet naar stedelijk gebied.

Waar voor Amsterdam een rode contour werd getrokken (en gehandhaafd) rond de uiteindelijk bebouwingsgrens, gebeurde voor Rotterdam het omgekeerde: er werd een open verstedelijkingsstructuur getekend waarlangs de stad kon groeien. Groen was geen harde planologische categorie, maar zou ‘assimileren’ in het stedelijk veld. Dit kreeg in de opeenvolgende stadsconcepten een andere vorm, bij Witteveen fungeerde het groen bijvoorbeeld als buffer tussen verschillende verstedelijkingscorridors. In de eerste concepten voor Alexanderstad loopt het agrarisch gebied onder de hoogbouw door. Infrastructuur en hoogbouw wordt als een megastructuur op het landschap geplaatst (Reijndorp, 2012). In de latere uitbreidingen gebaseerd op de landschappelijke lezing van de stad van Frits Palmboom (1990) zijn de ‘waaiers van langgerekte kavels’ een structurerend relict die de verkavelingsvorm van de nieuwe verstedelijking bepaalt. In de vinex-plannen wordt gebroken met deze traditie. Er is geen overkoepelend concept voor het groen in de bebouwingstypologie. Deze ligt daarbuiten in de vorm van de groenblauwe slinger, een restgebied rondom de nieuwe infrastructuren tussen Rotterdam, Zoetermeer en Den Haag.
Momenteel kent de MRDH in vergelijking met de andere metropoolregio’s minder natuur en minder uitloopmogelijkheden van de stad naar het buitengebied. Aan de noordwestzijde van de stad ligt Midden-Delfland met goede recreatievoorzieningen maar ten westen van de A13 is het groenaanbod veel minder aantrekkelijk. Ook de gebiedsbescherming is minder nadrukkelijk dan in de andere metropoolregio’s.

De groene ruimte aan de westkant van de MRDH staat echter onder (rode) druk. Tussen Maasland en Maassluis zijn er bouwplannen voor de noordzijde van de A20, in het recreatiegebied van Midden-Delfland. In de Zuidplaspolder is een deel van de grond in handen van een ontwikkelingsmaatschappij en van landelijke projectontwikkelaars, door vroegere rijksplannen voor verstedelijking. Deze polder is een van de laagste van Nederland kwetsbaar bij een eventuele dijkdoorbraak. Eind vorige eeuw werd besloten dat een groot deel van het gebied minder geschikt is voor woningbouw en dat de stad binnen de contouren gaat verdichten. Dit neemt niet weg dat sommige gemeenten in dit gebied langs hun stadsranden toch (kleinschalige) suburbane woonwijken plannen. Grote en kleine gemeenten hebben hier tegengestelde doelstellingen en belangen over de verstedelijking in de stadsranden.

Ook de Metropoolregio Eindhoven, waar sprake is van lage rode druk en hoge groene druk, is slechts te begrijpen met kennis van de planningsgeschiedenis. Het regionale plan van Eindhoven van de Casseres uit 1925 gaat terug naar de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Het plan bevat drie elementen: de verkeersstructuur die de stad met de omringende dorpen verbindt, de groene gebieden rondom bestaande landgoederen en de satellieten die als groeikernen dienen voor de industriearbeiders, opgezet als parochiewijken. Het plan is een groeimodel gebaseerd op de bestaande institutionele geografie: de stad kan langzaam groeien binnen de aangegeven kaders en in samenwerking met belanghebbenden in de stad Eindhoven en de omliggende dorpen (Bosma, 2003).

De huidige stad groeide inderdaad langs de belangrijkste transportassen en rond de bevolkingskernen. Gedurende de jaren is echter steeds meer groen beschermd. In de regio liggen grote bos- en heidegebieden die momenteel zijn aangewezen als Natura 2000-gebieden en in handen zijn van gemeenten en natuurorganisaties, en in sommige gevallen van bedrijven. De verstedelijkingsgebieden liggen ten noorden van Eindhoven, bij het vliegveld en in de binnenstedelijke transformatiegebieden op voormalige industrieterreinen. Deze geplande verstedelijking vindt plaats op rijksgronden, op gronden die het eigendom zijn van bedrijven (vooral van Philips) en op gemeentelijke gronden. Opvallend is dat op deze plekken, waar in de toekomst verstedelijking is voorzien, grote stukken grond binnen de stad zijn aangewezen als ‘nee, tenzij’-natuurgebied. De geplande verstedelijking aan de rand van Helmond (de vinex-locatie Brandevoort) ligt op grond van de gemeente. Tussen Eindhoven en Helmond ligt het Rijk van Dommel en Aa: een samenwerkingsverband van zeven gemeenten die hier een recreatieve zone willen ontwikkelen. De gronden zijn in eigendom van gemeenten en natuurorganisaties. Het centrale gebied is in handen van de Metropoolregio Eindhoven. Langs de randen van kleinere gemeenten als Nuenen hebben zowel lokale als grote landelijke ontwikkelaars grondposities ingenomen. Deze gebieden vallen net buiten het restrictieve beleid en zijn vaak niet door de gemeente aangewezen als ontwikkelgebied. De ontwikkelaars speculeren hier op bestemmingsveranderingen.

Groenstrook tussen Delft en Den Haag (foto: Gerben Helleman)

Kracht van strategisch beleid

Uit de planningsgeschiedenis in de metropoolregio’s blijkt dat de dynamiek in de stadsranden sterk verschilt door lokaal en regionaal bestuur en de robuustheid van de verstedelijkingsconcepten in relatie tot het omliggende landschap. In agglomeraties met een robuust concept voor het landschap als contramal van de stad, zoals in Amsterdam en Eindhoven, blijft het ommeland relatief open en wordt gedurende decennia een gewaardeerd landschap langs de randen van de stad opgebouwd met een stevige planologische bescherming. In agglomeraties waar een dergelijk concept ontbreekt, zoals Rotterdam, vinden we minder natuur en minder uitloopmogelijkheden van de stad naar het buitengebied. Dat in de rand van Rotterdam nog groen aanwezig is, is grotendeels te danken aan het rijksbufferzonebeleid voor Midden-Delfland en de eveneens door het rijk geïnitieerde projecten voor openluchtrecreatie wat leidde tot de Rottewig.

In de meeste provincies zijn de beschermde gebieden in de stadsranden grotendeels in handen van de overheid of natuurorganisaties. In de open veenweidegebieden ligt ook veel beschermd gebied, maar dat is vaak (nog) in handen van particulieren. Voorbeelden daarvan zijn Midden-Delfland en Waterland ten noorden van respectievelijk Rotterdam en Amsterdam. Voor projecten voor recreatie en natuur in stadsranden maakt het uiteraard veel uit wie eigenaar van de grond is.

In de eigendomspatronen lezen we de verwachtingen die overheden en projectontwikkelaars hebben bij verdergaande verstedelijking na de vinex. Sommige gemeenten en private partijen hebben vanwege die verwachting veel grond aangekocht dichtbij de stad, zoals in de Zuidplaspolder bij Rotterdam en in Brandevoort bij Helmond. Soms hebben ontwikkelaars grond aangekocht zonder dat dit direct verband houdt met actuele verstedelijkingsplannen, daar speculeren ze blijkbaar op toekomstige verstedelijking. Een voorbeeld daarvan is Purmerend waar ontwikkelaars veel grond hebben in de Purmer, direct naast de goed beschermde bufferzone.

Regionale afstemming gebeurt momenteel op basis van landschappelijke gebiedsontwikkeling (Parkstad Limburg), door landschappelijke structuren te ontwikkelen (het landschapspark Zuidvleugel in Zuid-Holland) of door beleidsconcepten als het Brabantse ‘stadteland’-principe, waarin belangen voor groen en verstedelijking bij elkaar worden gebracht in specifieke gebiedsontwikkelingen. Deze nieuwe, vaak experimentele beleidsvormen zullen de komende jaren de regionale afstemming moeten gaan verzorgen.
Na de decentralisatie ligt het verstedelijkingsbeleid voornamelijk bij gemeenten, terwijl landschapsbeleid een verantwoordelijkheid is van provincies. In de stadsrand overlappen die verantwoordelijkheden omdat stadsuitbreiding daar het open ruimtebeleid van de provincie treft. We stellen vast dat beleid en belangen van grote en kleine gemeenten verschillen en dat ook de houding over het beschermen van groen verschilt per provincie. Regionale samenwerkingsverbanden zoals de metropoolregio’s zullen een goede afstemming van belangen moeten waarborgen, maar dat blijkt lastig vanwege de sectorale en institutionele verdeling (Teisman, 2018).

Regionaal stadsrandbeleid

Wij pleiten ervoor om stadsrandzones als een zelfstandige ruimtelijke categorie in het omgevingsbeleid op te nemen, waar een integrale aanpak wordt gestimuleerd door te werken vanuit concrete posities en belangen. Daarbij kunnen verschillende beleidsinstrumenten worden ingezet. Naast de eerdergenoemde beleidsinstrumenten voor meekoppeling van groen met verstedelijking, kunnen ook arrangementen ontstaan voor de gecombineerde ontwikkeling van natuur, recreatie, landbouw en duurzame energievoorziening. Nieuwe opgaven voor energie en klimaat, voedsel en natuur, mobiliteit en leefomgeving zullen in de toekomst in de stadsranden bij elkaar gaan komen. Daarbij spelen soms tegengestelde belangen en prioriteiten vanuit lokaal en provinciaal bestuur. Regionale overheden beschikken over de capaciteit om de duurzame ontwikkeling van de stadsranden te sturen: zij kunnen bezit bundelen, doelstellingen en visies op elkaar afstemmen en taken en verantwoordelijkheden verdelen. Met elkaar kunnen zij een sterke regie voeren op de nieuwe processen van gebiedsontwikkeling. De combinatie van stadsrandprofielen met grondbezit biedt deze overheden handelingsperspectieven om verstedelijking te sturen in hoog dynamisch gebied.

Het omgevingsbeleid heeft door de jaren heen meerdere ruimtelijke concepten ontwikkeld die een integrale ontwikkeling van stadsranden kunnen ondersteunen. In deze beleidsconcepten uit de omgevingsvisies wordt de stadsrand geduid als: transitiegebied, groene ruimte, en reserve- of experimenteerruimte (Pols, 2018). In de tabel staan deze ruimtelijke concepten voor de stadsrand verticaal gerangschikt. De analyse leidt evenwel óók tot het inzicht dat er voor stadsranden twee beleidsrichtingen zijn die gebiedsontwikkeling kunnen sturen: de stadsrand als het resultaat van sectoraal beleid én de stadsrand als schakelzone tussen stad en landelijk gebied. Het eerste is te herkennen als de gangbare ruimtelijke ordening met toelatingsplanologie, waarbij sectorale ruimtelijke claims tegenover elkaar worden gezet en dan afgewogen. De tweede heeft meer kenmerken van ontwikkelingsplanologie (Dammers, 2004) waarbij integrale afwegingen worden gemaakt tussen sectoren en schaalniveaus. In tabel 1 staan deze twee beleidsrichtingen op de horizontale lijn. Het schema dat zo ontstaat is in beide richtingen te lezen. Om plannen op een betekenisvolle wijze te laten landen in het regionale landschap van de stadsrand zal de stadsrand moeten gaan fungeren als een schakelzone waar ruimteclaims tegen elkaar worden afgewogen.

Schakelzone

De Nederlandse stadsrand werd lange tijd gezien als frontlinie van de stad. Omdat het ruimtelijk beleid gedecentraliseerd is en stadsranden regionaliseren, pleiten wij ervoor om de stadsrand te zien als een schakelzone tussen stad en landelijk gebied, en te werken vanuit concrete regionale mogelijkheden en opgaven. Door de stadsrandzone als zelfstandige ruimtelijke categorie in omgevingsvisies, planologische verordeningen en omgevingsplannen op te nemen worden concrete kaders geboden voor het gericht stimuleren van menging van functies en meekoppeling van zwakkere functies met economisch sterke sectoren. Daardoor kan synergie worden bereikt tussen sectoren die voorheen werden gezien als typisch landelijk (bijvoorbeeld landschapsbeheer of agrarische bedrijvigheid) óf typisch stedelijk (bijvoorbeeld woningbouw).

Author profile
Like is architect, werkt bij het Planbureau voor de Leefomgeving en is redacteur van Rooilijn.

like.bijlsma@pbl.nl

Author profile
Leo is stedebouwkundige en werkt bij het Planbureau voor de Leefomgeving.

Literatuur

Bosma, K. (2003) De Casseres, de eerste planoloog, 010 Publishers, Rotterdam

Dammers, E., F. Verwest, B. Staffhorst & W. Verschoor (2004) Ontwikkelingsplanologie, Ruimtelijk Planbureau, Den Haag

Faludi, A. & A. van der Valk (1994) Rule and Order Dutch Planning Doctrine in the Twentieth Century, Springer, Berlijn

Hamers, D., K. Nabielek, M. Piek & N. Sorel (2009) Verstedelijking in de stadsrandzone. Een verkenning van de ruimtelijke opgave, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag

Frijters, E., D. Hamers, R. Johann, J. Kürschner, H. Lörzing, K. Nabielek, R. Rutte, P. van Veelen & M. van der Wagt (2004) Tussenland, Ruimtelijk Planbureau, Den Haag

Mens, N. (2007) W.G. Witteveen en Rotterdam, 010 Publishers, Rotterdam

Palmboom, F. (1990) Rotterdam, verstedelijkt landschap, 010 Publishers, Rotterdam

Pols, L., L. Bijlsma, M. Breedijk & M. van Schie (2018) Stadsranden schakelzones tussen stad en land, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag

Reijndorp, A., L. Bijlsma & I. Nio (2012) Atlas Nieuwe Steden, Trancity & Valiz, Haarlem & Amsterdam

Rossem, V. van (1993) Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam, Geschiedenis en ontwerp, NAi Uitgevers & EFL Stichting, Rotterdam & Den Haag

Teisman, G. (2017) Maak Verschil in de Regio: Bestuurskracht door wederzijds meerwaarde creëren in ketens en netwerken, Wetenschappelijke Reflectiegroep Proeftuinen ‘Maak Verschil’, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Interprovinciaal Overleg & Rijksoverheid, www.proeftuinen-maakverschil-magazine.nl

Wouden, R. van der (red.) (2015) De Ruimtelijke Metamorfose van Nederland, NAi Publishers, Rotterdam

Author profile
Like is architect, werkt bij het Planbureau voor de Leefomgeving en is redacteur van Rooilijn.

like.bijlsma@pbl.nl

Author profile
Leo is stedebouwkundige en werkt bij het Planbureau voor de Leefomgeving.
Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.