DNA van het dorp

Wandeling in Zetten (foto: Korrie Melis)

Hoe zorg je als bewoners zelf voor een dorp waar het goed wonen en leven is? Dorpsbewoners uit drie dorpen en onderzoekers van de Hogeschool Arnhem en Nijmegen zijn samen op zoek geweest naar antwoorden. Daarvoor gingen ze aan de slag met het ‘DNA van het dorp’ en werd een instrument ontwikkeld dat bewoners zelf kunnen gebruiken om de leefbaarheid in hun dorp te beïnvloeden. Deze verkenning laat zien hoe het instrument tot stand is gekomen en wat de potenties zijn.

Hoe zorgen we ervoor dat het dorp leefbaar blijft? Een vraag die voor veel dorpen relevant is. Dorpsbewoners constateren een vergrijzing en zien een afname in voorzieningen. Zij veronderstellen dat de leefbaarheid in de toekomst afneemt. Tegelijkertijd merken dorpsbewoners dat vanuit de (lokale) overheid steeds meer een beroep gedaan wordt op hun eigen kracht om de leefbaarheid op peil te houden. Bijvoorbeeld doordat er minder subsidiegeld voor verenigingen is. Termen als participatiesamenleving, doe-democratie en burgerparticipatie worden niet alleen in de steden gehoord maar ook in de dorpen (Bulder 2017).

Deze ontwikkelingen waren reden voor een drietal dorpsbelangenverenigingen uit Langenboom, Molenhoek en Zetten om samen met de Hogeschool Arnhem-Nijmegen (HAN) te zoeken naar mogelijkheden om als dorp zelf invloed te hebben op de leefbaarheid. Hoe kunnen dorpsbewoners zelf zorgen dat hun dorp een fijne woon- en leefomgeving is en blijft? De dorpsbewoners waren op zoek naar een instrument om zonder hulp van buitenaf gestructureerd en integraal met vraagstukken rond leefbaarheid van hun dorp aan de slag te kunnen gaan. In het ‘DNA van het dorp’ project is daarvoor een instrument ontwikkeld op basis van het Amerikaanse Community Capitals Framework (CCF) (Flora, Flora en Gasteyer, 2016). Dit artikel is gebaseerd op het onderzoek “DNA van het dorp”, een deelproject binnen het INTERREG V A project KRAKE (2016-2019).

DNA van drie dorpen

De dorpen Langenboom, Molenhoek en Zetten verschillen onder andere in omvang en ontstaansgeschiedenis (tabel 1). Wat ze delen is dat de dorpsbelangenverenigingen werken aan het toekomstbestendig houden van hun dorp. Alleen weten ze niet precies hoe ze dat moeten aanpakken. En waar ze op moeten focussen. Voor de betrokkenen geldt dat ze bij aanvang van het project tevreden waren met de huidige leefbaarheid. Wel maken ze zich zorgen over de toekomst van het dorp.

In drie trajecten is achterhaald wat het ‘DNA van het dorp’ is. De zoektocht naar ‘wie zijn we?’ stond centraal. In het DNA project is er vanuit gegaan dat dorpen specifieke kenmerken kunnen hebben. Hier kan een vergelijking met menselijk DNA gemaakt worden. Hoe de kenmerken gebruikt worden of ingezet, bepaalt mede wat voor identiteit het dorp uitdraagt.
In het DNA project is gewerkt met een aantal stappen. In de eerste stap werd het ‘DNA van het dorp’ achterhaald. In deze stap werd antwoord gegeven op de vraag ‘wie zijn we als dorp?’ Met dat DNA werd een tweede stap gezet: het in beeld brengen van vraagstukken in het dorp en daar prioritering aan geven en daarmee de doelstellingen die het dorp wil bereiken verhelderen. In alle drie dorpen waren belangenverenigingen druk bezig met allerlei activiteiten waartussen weinig samenhang bestond. Acties waren nog weinig doelgericht. Met stap twee uit het project, konden veel doelgerichter acties opgezet worden.

Tabel 1: Kenmerken van de dorpen

Samen aan de slag

Er is gewerkt volgens de principes van participatief actieonderzoek. In het actiedeel is gezamenlijk gezocht naar een verandering, verbetering of vernieuwing van het eigen dorp. Samen met dorpsbelangenverenigingen bestaande uit vijf tot tien vrijwilligers heeft de HAN hier aan gewerkt. Voorwaarde was dat de bewoners openstonden voor het uitwisselen van ervaringen en kennis met de onderzoekers en met dorpsbewoners uit de andere dorpen.
In het onderzoeksdeel werd gezocht naar een breed toepasbaar instrument waarmee een dorp haar eigen DNA in beeld kan brengen. Hierbij is er vanuit gegaan dat in het proces van betekenis geven aan een plaats, in dit geval het dorp, het onderscheiden van kenmerken van een dorp belangrijk is. Dit was daarom de eerste stap in het project.

Om een DNA in beeld te brengen is het Amerikaanse Community Capitals Framework (CCF) gebruikt. Dit is een model om de eigen leefgemeenschap te analyseren en op basis daarvan acties op te zetten (Flora, Flora en Gasteyer, 2016). Kenmerkend voor deze benadering is dat deze systeemgericht is en holistisch. In deze benadering wordt elke gemeenschap als een systeem beschouwd met een breed scala aan middelen (resources) die samen de capitals, in het project vertaald als krachten, van een gemeenschap bepalen.

Flora, Flora en Gasteyer (2016) onderscheiden zeven krachten (tabel 2). Het CCF model is erop gericht deze krachten individueel en waar mogelijk in onderlinge samenhang in beeld te brengen. Als bewoners de krachten van een dorp analyseren krijgen zij inzicht in de sterktes en zwaktes van een gemeenschap. Als zij weldoordacht investeren in de verschillende krachten, versterken zij de leefbaarheid en blijft de gemeenschap vitaal (Flora, Flora en Gasteyer, 2016). Een gemeenschap analyseren met het CCF helpt bewoners ook om prioriteiten te stellen in de benodigde investeringen. Prioriteiten stellen is noodzakelijk, omdat er vaak maar beperkte middelen (in tijd of geld) zijn.

Het CCF is een benadering met een positieve insteek: niet problemen of bedreigingen zijn het uitgangspunt maar de bestaande krachten en potenties van een gemeenschap. Daardoor is deze benadering goed toepasbaar in situaties waar bewoners bezig zijn met een proces van identificatie (wie zijn we?) en voor het versterken van gemeenschappen (welke acties zijn nodig?): alle aspecten van het dorp als systeem worden inzichtelijk gemaakt en van daaruit is het mogelijk tot probleemanalyse, prioritering en acties te komen.

Tabel 2: De zeven vormen van kapitaal van een dorp (bewerkte versie van Flora, Flora & Gasteyer, 2016)

Samen zoeken naar het DNA

De dorpsbelangenverenigingen hadden verschillende behoeften. Zo wilde Zetten focussen op het vormen van een visie voor het dorp, wilde Molenhoek een profiel van het dorp maken om aan iedereen te kunnen laten zien wie ze zijn en te achterhalen wat thema’s waren die speelden in het dorp, en benoemde Langenboom bij aanvang vier thema’s waarmee ze aan de slag wilden om het dorp leefbaar te houden. Alle drie de dorpen wisten niet goed hoe ze dit moesten aanpakken.

Vanuit de HAN is het CCF model aangedragen om gezamenlijk aan de slag te gaan. Het holistische karakter van het CCF model leek in deze gevallen interessant omdat het in alle dorpen ging over thema’s die de hele gemeenschap aangaan en daarmee alle facetten van het dorp. Voordat hiermee werd begonnen is echter eerst het draagvlak hiervoor getoetst. Op verschillende niveaus bleek dat aanwezig. In Molenhoek bijvoorbeeld waren de betrokkenen geïnteresseerd in het theoretische model zelf. Hier wilden ze ook meedenken over de ontwikkeling van het instrument. Dit sluit aan bij het type dorp, zoals te zien valt in tabel 1. De betrokkenen in Molenhoek zijn relatief hoogopgeleid. In Zetten en Langenboom waren inwoners vooral enthousiast over de integrale en holistische denkwijze.

Tijdens het project is geëxperimenteerd met werkwijzen om de krachten van een dorp in beeld te brengen. Denk hierbij aan verschillende groepsmethoden en individuele gesprekken: er zijn workshops geweest met de belangenverenigingen, van ongeveer vijf tot tien personen, waarbij specifiek op het CCF is ingegaan. Bijvoorbeeld door gezamenlijk op de verschillende krachten in te gaan. In het ene dorp werkte dit heel goed, in het andere dorp was het lastiger vanwege het abstracte karakter. Ook zijn er dorpsbrede bijeenkomsten geweest. Het doel daarvan was om bewoners actief te krijgen voor dorpspecifieke thema’s, zoals de dorpsraad of plannen voor het dorpshart. Op de concrete thema’s is dit goed gelukt en zijn er werkgroepen ontstaan. Omdat de betrokken bewoners allemaal vrijwilliger waren, vonden alle bijeenkomsten ’s avonds en soms in het weekend plaats.

Tijdens de verschillende werkvormen werd snel duidelijk dat het woord kapitaal als vertaling voor capitals niet bruikbaar was: het werd geassocieerd met geld. De vertaling ‘krachten’ bleek beter aan te sluiten bij de beleving van dorpsbewoners: ze zijn trots op wat er in het dorp is en benaderen het dorp graag positief. Dit werd met name duidelijk tijdens een groepssessie met actieve dorpsbewoners in Langenboom.

Vanuit de gedachte dat het DNA van een dorp en acties om de leefbaarheid te versterken niet zonder dorpsbewoners gevonden kunnen worden, werden dorpsbewoners als mede-onderzoekers betrokken. Het samen zoeken is deels gelukt. In Molenhoek werd een werkgroep specifiek voor DNA benoemd. In de andere dorpen waren de dorpsbelangenverengingen meer gefocust op andere lopende zaken. Dit werd duidelijk doordat er bijvoorbeeld gezegd werd: ‘de HAN doet een onderzoek’. Vanuit de HAN zijn we niet in alle dorpen erin geslaagd om draagvlak te creëren voor het gezamenlijk maken van een DNA-profiel. Deels omdat voor sommige bewoners het DNA niet relevant gevonden wordt. “We weten toch al wel wat het dorp is?’ Of doordat de focus van dorpsbewoners bij andere onderwerpen lag. Wat meespeelt in bovenstaande is dat de meeste betrokken bewoners ‘doeners’ zijn. Ze willen actie en worden enthousiast van concrete plannen, zoals de herinrichting van het dorpshart of het organiseren van een avond. Het DNA van het dorp ontdekken is abstracter en heeft geen concreet eindresultaat waar het dorp direct wat mee kan. Uiteindelijk is toch voor elk dorp een zogenaamd DNA opgesteld (tabel 3).

Tabel 3: Het DNA-profiel van Molenhoek, november 2017

Vervolgacties met het DNA

De zoektocht naar een geschikt instrument om het DNA in beeld te brengen heeft geleid tot een proces waarbij actief nagedacht is over het dorp en de toekomst. Het heeft ook geleid tot een aantal acties. Bijvoorbeeld in Zetten is een dorpsvisie opgesteld en op basis daarvan is een werkgroep dorpshart gevormd. Deze bestaat uit een brede groep van bewoners die samen plannen maakt voor een nieuw dorpsplein (built capital en social capital). In Molenhoek heeft het DNA-project geleid tot een verenigingsavond, bedoeld om samenwerking tussen verenigingen te stimuleren (social capital). In Langenboom is ook gewerkt aan het verbinden van verenigingen. Het stimuleren en inzetten op sociaal kapitaal is in alle drie de dorpen belangrijk geweest (Vermeij & Mollenhorst, 2008).

Uit alle drie de dorpen komt naar voren dat veel dorpsbewoners zich over het algemeen willen inzetten voor hun dorp. Voor belangenverenigingen en ook andere verenigingen, blijkt het echter lastig om bestuursleden te vinden. “Hoe vinden we mensen voor in de dorpsraad?”, was een veel gehoorde vraag. Een dorpsbelangenvereniging, zoals een dorpsraad, richt zich op abstractere ‘dorpse zaken’ en is minder een concreet project met een begin en einde waardoor mensen minder snel gemotiveerd zijn om deel te nemen.

Parallel aan het DNA project liepen daarom in Zetten en Langenboom zoektochten naar een nieuwe organisatiestructuur en werkwijze voor een dorpsbelangenvereniging (Antonides e.a., 2018). In Langenboom heeft dit geresulteerd in een structuur van, zoals het dorp het zelf noemt, ‘speedboten’. Dit houdt een projectmatige aanpak van dorpsonderwerpen in, waarbij één ‘kapitein’ de ‘boot’ bestuurt. De boot heeft een klein aantal passagiers en is wendbaar, waardoor het project snel kan inspelen op ontwikkelingen.

Methode werkt met begeleiding

De resultaten uit de drie dorpen laten zien dat het CCF model en het in kaart brengen van het DNA potentie heeft om te gebruiken bij lokale leefbaarheidsvraagstukken. Uit zowel de inhoudelijke als de procesmatige resultaten van de drie dorpen blijkt dat het model (in aangepaste vorm) breed inzetbaar is en toepasbaar is in verschillende contexten. Het model biedt ondersteuning vanuit het principe ‘eerst denken en dan doen’. Het is voor bewoners een gestructureerde en integrale benadering om hun dorp en de mogelijke aandachtsgebieden in beeld te brengen en te prioriteren. De methode maakt inzichtelijk met welke zaken dorpsbewoners aan de slag kunnen gaan.

Op basis van de ervaringen in het project ‘DNA van het dorp’ lijkt het instrument echter vooral bruikbaar met enige hulp van buitenaf of met ondersteuning van een dorpsbewoner die zich erin heeft verdiept. Vooral de vertaalslag van het nog steeds abstracte model en de achterliggende holistische denkwijze naar de praktijk van alledag bleek lastig. Veel bewoners hebben de voorkeur om hun tijd en energie direct in concrete zaken te stoppen. Het bezig zijn met abstractere onderwerpen, zoals de toekomst van een dorp en prioritering van investeringen en projecten, is minder aantrekkelijk.

Het samenwerken met bewoners in projecten is voor hogescholen in toenemende mate aan de orde. Eenzelfde soort verschijnsel is te zien bij gemeenten, waar in toenemende mate aandacht is voor inwonersparticipatie. Dat resulteert ook in samenwerking tussen bewoners en bijvoorbeeld ambtenaren van een gemeente. Mede vanuit het DNA-project blijkt dat een beroep doen op bewoners goed overwogen moet gebeuren. Daarbij zijn vragen belangrijk als: wat levert het dorpsbewoners op, zien zij de meerwaarde van samenwerking? Als dorpsbewoners die niet zien, wordt het moeilijk, of wordt maar een beperkte groep bereikt. Draagvlak creëren is essentieel. Duidelijk maken waarom je als gemeente of hogeschool wil samenwerken en vooral ook wat dat oplevert voor de bewoners. Bewoners willen veel geven maar ook duidelijk de opbrengsten zien en niet alleen een proces (zie ook De Haan e.a., 2018).

Author profile
Korrie Melis is als onderzoeker verbonden aan het Kenniscentrum Publieke Zaak van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen.

Dr. Korrie Melis (1984) studeerde Culturele Geografie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze werkte daarna als docent bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Radboud Universiteit Nijmegen. Vanaf januari 2013 werkt ze als onderzoekster bij HAN Kenniscentrum Publieke Zaak. Ze promoveerde op een historisch en geografisch onderzoek bij Economische en Sociale Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, getiteld 'Naar een leefbare regio' (2013). Het proefschrift gaat in op de leefbaarheid en regionale identiteiten van Noord-Groningen in de tweede helft van de twintigste eeuw en heeft als titel: Naar een leefbare regio. Regionale leefbaarheid en identiteiten in Noord-Groningen tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw.

Korrie is geïnteresseerd in sociaal en maatschappelijke veranderingen en hoe daar op gereageerd wordt door verschillende betrokkenen. Speciale interesse gaat uit naar plattelandsgebieden.

Author profile
Hilde Wierda-Boer is als onderzoeker verbonden aan het Kenniscentrum Publieke Zaak van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen.

Zij studeerde pedagogische wetenschappen aan de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Jyväskylä, Finland en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In 2009 promoveerde ze aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een proefschrift opent in een nieuw venster(pdf) naar het combineren van werk en gezin bij tweeverdieners met jonge kinderen.

Na 4 jaar als junior onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen (sectie Orthopedagogiek: Gezin & Gedrag) te hebben gewerkt, maakte ze in 2007 bewust de overstap naar praktijkgericht onderzoek. Ze werkte bij onderwijsadviesbureau IOWO als onderzoeker hoger onderwijs met als aandachtsgebied institutional research en daarna een aantal jaar als senior onderzoeker en adviseur bij K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd. Hier werkte ze aan thema's als de (pedagogische) civil society, de transities in het sociaal domein en de transformatie van de jeugdzorg.

Literatuur

Antonides, L., C. Witte, T, de Moor en A. Boele (2018) De functies van bewonersoverlegorganisaties in een veranderende samenleving, Onderzoek in opdracht van de Landelijke Vereniging voor Kleine Kernen, Universiteit Utrecht

Bulder, E.A.M. (2017) Responsieve Regio. Pionieren met demografische transitie in Noord-Nederland, Lectorale rede, Hanzehogeschool Groningen

Flora, C.B., J.L. Flora en S.P. Gasteyer (2016) Rural Communities: Legacy and Change (5th edition), Westview Press, Boulder, CO

Haan, E. de, S. Meier, T. Haartsen en D. Strijker (2018) ‘Defining ‘success’ of local citizens’ initiatives in maintaining public services in rural areas: a professional’s perspective’. Sociologica Ruraralis, 58 , nr.2, p. 312-330

Vermeij, L. en G. Mollenhorst (2008) Overgebleven dorpsleven. Sociaal kapitaal op het hedendaagse platteland, Sociaal Cultureel Planbureau, Den Haag

Author profile
Korrie Melis is als onderzoeker verbonden aan het Kenniscentrum Publieke Zaak van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen.

Dr. Korrie Melis (1984) studeerde Culturele Geografie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze werkte daarna als docent bij de Rijksuniversiteit Groningen en de Radboud Universiteit Nijmegen. Vanaf januari 2013 werkt ze als onderzoekster bij HAN Kenniscentrum Publieke Zaak. Ze promoveerde op een historisch en geografisch onderzoek bij Economische en Sociale Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, getiteld 'Naar een leefbare regio' (2013). Het proefschrift gaat in op de leefbaarheid en regionale identiteiten van Noord-Groningen in de tweede helft van de twintigste eeuw en heeft als titel: Naar een leefbare regio. Regionale leefbaarheid en identiteiten in Noord-Groningen tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw.

Korrie is geïnteresseerd in sociaal en maatschappelijke veranderingen en hoe daar op gereageerd wordt door verschillende betrokkenen. Speciale interesse gaat uit naar plattelandsgebieden.

Author profile
Hilde Wierda-Boer is als onderzoeker verbonden aan het Kenniscentrum Publieke Zaak van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen.

Zij studeerde pedagogische wetenschappen aan de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Jyväskylä, Finland en aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In 2009 promoveerde ze aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een proefschrift opent in een nieuw venster(pdf) naar het combineren van werk en gezin bij tweeverdieners met jonge kinderen.

Na 4 jaar als junior onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen (sectie Orthopedagogiek: Gezin & Gedrag) te hebben gewerkt, maakte ze in 2007 bewust de overstap naar praktijkgericht onderzoek. Ze werkte bij onderwijsadviesbureau IOWO als onderzoeker hoger onderwijs met als aandachtsgebied institutional research en daarna een aantal jaar als senior onderzoeker en adviseur bij K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd. Hier werkte ze aan thema's als de (pedagogische) civil society, de transities in het sociaal domein en de transformatie van de jeugdzorg.

Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *