Duurzaam Doen en Leren in Haven-Stad

Haven-Stad (foto: gemeente Amsterdam)

In het themanummer Duurzame Gebiedsontwikkeling geven experts een interdisciplinair perspectief op duurzame gebiedsontwikkeling. Een prioriteit voor veel Nederlandse steden. Ook voor Amsterdam. Hier wordt Haven-Stad ontwikkeld, een omvangrijk en ambitieus programma, met volop kansen voor duurzaamheid. In de Ontwikkelstrategie Haven-Stad stelt de gemeente dat hier de duurzame stad van overmorgen kan ontstaan. Maar hoe doe je dat? In deze samenvatting worden de belangrijke issues en lessen voor duurzame gebiedsontwikkeling uit deze Rooilijn gedestilleerd en toegepast op de opgave voor Haven-Stad.

Het Programma Haven-Stad omvat de transformatie van twaalf locaties in het havengebied goeddeels binnen de Ring A10. Met als einddoel een volwaardig, hoogstedelijk woon-werkgebied met 40.000 tot 70.000 woningen en 45.000 tot 58.000 extra arbeidsplaatsen. De gefaseerde gebiedsontwikkeling, het schaalniveau en de ligging van Haven-Stad zijn bepalend voor de duurzaamheidsambities. In het programma Haven-Stad wordt op alle mogelijke manieren rekening gehouden met duurzaamheid en wordt ook ingegaan op gebiedsoverstijgende voorwaarden voor mobiliteit, wonen en (maatschappelijke) voorzieningen, economie en milieu.

Figuur 1. Ontwikkelperspectief Haven-Stad vanuit Amsterdam Noord (beeld: gemeente Amsterdam)

Duurzaam-ruimtelijke transitie

Door binnenstedelijk te verdichten slaat de gemeente Amsterdam met Haven-Stad al direct een duurzame slag. Met het behouden van de groene omgeving, vermijden van aanvullend woon-werkverkeer en focussen op schone vormen van mobiliteit kan gesproken worden van een duurzame gebiedsontwikkeling. Binnen die hoogstedelijke ontwikkeling moeten duurzame transities hun plaats krijgen. De auteurs in dit nummer onderscheiden globaal drie transities in duurzame gebiedsontwikkeling.
Ten eerste een energietransitie van fossiele (eindige) energiedragers naar hernieuwbare energie. Ten tweede een mobiliteitstransitie naar vervoersoplossingen met een minimale impact op het klimaat en ten derde een transitie in het (bouw)productieproces, waarbij de milieudruk vanuit de bouwproductie verdwijnt door een transitie van een lineaire naar een circulaire bouw- en vastgoedsector.

Om deze duurzaamheidstransities in de praktijk mogelijk te maken is volgens de auteurs in dit nummer een onderliggende integrale procesaanpak en instrumentarium nodig. Deze dient aan de ene kant om te gaan met nieuwe technieken en innovaties en aan de andere kant ruimte te bieden aan de ‘zachte kant’: de dagelijkse realiteit van de (toekomstige) bewoners. Samengevat signaleren de auteurs in dit nummer drie grote procesopgaven om duurzaamheid in ruimtelijke ontwikkeling verder te brengen. Het formuleren van breed gedefinieerde doelstellingen, het integreren van ‘zachte’ gebruikersdata en het creëren van eigenaarschap door participatie en democratisering van de energie, maar misschien ook wel mobiliteit en andere voorzieningen. Deze opgaven vragen dan ook om een veranderingen aan de traditionele planningsmethodiek waarbij flexibiliteit nodig is om eigenaarschap en democratisering mogelijk te maken, en tegelijkertijd de overkoepelende doelstellingen voldoende richtinggevend moeten zijn om de duurzame ambities te verankeren.

Figuur 2. Wonen en werken in Haven-Stad (foto: gemeente Amsterdam)

Evolutionaire planningsmethodiek

De verstedelijkings- en duurzaamheidsopgave van vandaag de dag kent een dusdanige complexiteit en schaal die vraagt om een integrale procesaanpak die verder kijkt dan alleen de fysieke ingrepen, de harde meetbare onderleggers en de besluitvorming. Ook de zachte kant verdient aandacht om innovatieve en kwalitatief beter passende oplossingen in de praktijk te kunnen realiseren. Zo stelt Buningh in zijn artikel over nieuwe mobiliteit dat voor duurzame gebiedsontwikkeling meer begrip nodig is voor de dagelijkse realiteit van bewoners in de stad. Enkel sturen op geaggregeerde data is daarbij onvoldoende. Barendse e.a. benadrukken hierbij het belang om publieke, private, commerciële stakeholders en burgers te betrekken bij breed gedefinieerde doelstellingen. Dat schept een richtinggevend kader met genoeg flexibiliteit voor uiteenlopende stakeholders om zich aan te verbinden en hun invulling en bijdrage aan te geven.

De Nederlandse ruimtelijke ontwikkelsector kent tal van instrumenten en tradities om te sturen op draagvlakverwerving, participatie en inspraak. Met de omgevingsvisie krijgt deze participatietraditie een nieuw kader. Ravestijn zoekt in zijn artikel naar een manier waarop de veranderende duurzaamheidsopgave en het nieuwe participatiekader elkaar kunnen versterken. Zijn belangrijkste bevinding is dat eigenaarschap hiervoor de sleutel is. Door belanghebbenden vanaf dag één onderdeel te laten uitmaken van het proces ontstaat een vorm van eigenaarschap en momentum voor collectieve besluitvorming en implementatie. Hierin kunnen factoren als de betekenis van de plek, een goede verstandhouding tussen samenwerkende partijen, een duidelijke rolverdeling (verantwoordelijkheid), en het juiste moment bepalend zijn voor het succes.
Door eigenaarschap te creëren blijft er betrokkenheid van belanghebbenden, ook na de oplevering van een nieuw gebied en bijbehorende duurzame maatregelen. Bontenbal geeft in zijn artikel over de ruimtelijke impact van de energietransitie een voorbeeld van nieuwe vormen van eigenaarschap. Door decentralisering van zonne- en windenergiesystemen bloeien particuliere zonnecoöperaties en windcollectieven op. Ook zijn er steeds meer particulieren die zelf energie opwekken op hun woning. Dit sluit aan bij de trend van democratisering die Bontenbal signaleert. Bij de ontwikkeling van Haven-Stad zou dit kunnen betekenen vroegtijdig toekomstige gebruikers, beleggers en ontwikkelaars te betrekken bij het proces. Bij de eerste deelgebieden (Sloterdijk 1 en Sloterdijk Centrum) wordt geprobeerd de duurzame ontwikkeling nu al met ontwikkelaars gezamenlijk op te pakken.

Kaderstellende instrumenten

Het programma Haven-Stad kent een lange doorlooptijd. Veel van de twaalf ontwikkellocaties worden momenteel nog op een andere manier gebruikt, namelijk als bedrijventerrein of voor havenactiviteiten. Op enkele locaties is de transformatie al in volle gang, daar wordt als eerste ondervonden hoe bij de gebiedsontwikkeling aan de voorwaarden van het programma te voldoen.

De gemeente heeft op de meeste locaties de grond in erfpacht uitgegeven. Dit betekent dat het erfpachtcontract en de looptijd hiervan in belangrijke mate de mogelijkheid tot sturing bepalen. Daarbij zijn de voorwaarden die aan de ontwikkelaars worden gesteld lang niet altijd wettelijk afdwingbaar. De zoektocht naar nieuwe kader stellende instrumenten waar Peek en Hamerslag over schrijven in hun artikel is dan ook herkenbaar voor Haven-Stad. Aan de andere kant geldt dat de vastgoedeigenaren zich in toenemende mate bewust zijn van de mogelijkheden van waardevermeerdering van hun bezit. Woningbouw levert meer op dan bedrijfsruimte. Eigenaren bewustmaken van de nieuwe mogelijkheden is daarmee een belangrijke opgave voor de gemeente.

Naast de randvoorwaarden die de gemeente stelt in de Ontwikkelstrategie voor Haven-Stad, is er een milieueffectrapportage opgesteld met een daarbij horend spelregelkader. Voor ieder gebied zijn de randvoorwaarden, spelregels en/of compensatiemogelijkheden specifiek weergegeven in een dynamische ‘leefomgevingsfoto’. Zo ontstaat per deelgebied in Haven-Stad een flexibel kader dat in de diverse bestemmingsplannen verbrede reikwijdte, dan wel later in de omgevingsplannen verder uitgewerkt wordt en als privaatrechtelijk kader kan gelden. Buitenlandse voorbeelden zijn hierbij richtinggevend geweest. Enkele spelregels die bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van HafenCity in Hamburg voor geluid gelden, zijn hierin ook opgenomen.

Figuur 3. Spelregelkader Haven Stad (beeld: gemeente Amsterdam)

Volgens Peek en Hamerslag kan met behulp van een gebied-specifiek kader stellend instrument (als het spelregelkader) het investeringsrisico beter worden beheerst door private partijen en kan de overheid sturen op het gewenst resultaat. Mits het kader voldoet aan de volgende voorwaarden: het kader is tot stand gekomen met betrokken actoren, gebaseerd op gedegen vooronderzoek, concreet in ambities en criteria, en verzekerd van politiek draagvlak.

Vorm geven aan de energietransitie

Hoewel de ruimte in hoogstedelijke gebieden voor hernieuwbare energieopwekking beperkt is, biedt de schaal van Haven-Stad wel kansen. De transformatie en ontwikkeling van een dicht, hoogstedelijk milieu vraagt om visie en regie op hoe de energietransitie vorm te geven in Haven-Stad. De trend die Bontenbal beschrijft in het decentraliseren van energiesystemen op lokale schaal is hier een onderdeel van. Zo constateert Bontenbal dat door digitalisering het tegenwoordig ook mogelijk is opwek en gebruik te monitoren en onderling uit te wisselen. Deze trend van democratisering zorgt wel voor een grote ruimtelijke impact van lokale decentrale energie-opwekkende installaties: van warmte- koude (wko)installaties, zonnepanelen tot geothermische bronnen. Iets waar in een hoogstedelijk milieu weinig ruimte voor is. De gemeente probeert hierbij op bouwblokniveau ontwikkelaars en grondeigenaren te stimuleren samen de energieopgave aan te pakken om een zo efficiënt mogelijk netwerk aan te kunnen leggen. Een netwerk dat nu misschien nog nodig is voor de eerste ontwikkelingen, en in de latere fasen van Haven-Stad benut kan worden als back-up voorziening of voor het terugleveren van energie aan het net.

Naast particuliere initiatieven op bouwblokniveau moet er nagedacht worden over grootschalige energievoorzieningen. Dit vraagt om regie op een overkoepelend netwerk en over de bodem. Voor de ontwikkeling van Haven-Stad bundelt de gemeente samen met ondergrondse partijen (denk aan netbeheerders, Waternet) hiervoor de krachten. Samen wordt in co-creatie verkend hoe het gebied efficiënter en duurzamer te ontwikkelen. En hoe de rolverdeling en verantwoordelijkheden hier in de toekomst mogelijk gaan veranderen.
Tot slot moet er ruimte gezocht worden voor hernieuwbare energieopwekking én de bijbehorende grids om deze energie lokaal te herverdelen. Voor het grootschalig opwekken van energie is in Haven-Stad beperkt ruimte. Natuurlijk is er ruimte voor (particuliere) initiatieven, die zeker benut moeten worden, maar nog onvoldoende zullen zijn om het gebied zelfvoorzienend te maken. Wel biedt de schaal mogelijkheden voor het afnemen van warmte van bijvoorbeeld data centers, of het benutten van oppervlakte water (het IJ) voor warmte/koude. Ingrepen die op bouwblokniveau niet haalbaar zijn, maar op het schaalniveau van Haven-Stad interessant. Denk hierbij aan het benutten van bermen en taluds voor zonne-energie en geluidsschermen. Vanwege de hoge dichtheid moet dan een goede afweging gemaakt moet worden hoe energieopwekking en groen/recreatie samen gaan.

Transitie in de bouwproductie

De belangrijkste transities in de bouwsector zitten in een circulair productieproces en het Paris proof maken van alle gebouwen. Marktpartijen zullen in de uitvoering het spelregelkader in praktische oplossingen in gebouwen, gebieden en infrastructuur vorm moeten geven. Hier komt de bouwkolom in beeld met bijbehorende inkoop en aanbestedingslandschap. Om hoge duurzaamheidsambities in gebiedsontwikkeling waar te maken is het belangrijk dit terug te laten komen in de wijze van aanbesteden. In plaats van prijs gestuurd aanbesteden betekent dat in de hele keten op duurzame kwaliteiten wordt gestuurd, waardoor de sector op haar innovatiekracht wordt aangesproken. Wanneer duurzame prestaties centraal komen te staan in de aanbestedingsketen, kan er een circulaire bouwindustrie opbloeien die beter geëquipeerd is om duurzame prestaties te leveren.

In de Stelling in dit nummer stelt Hans Korbee dat de huursector eigenlijk al een goed voorbeeld is van een circulair business model, maar dat de bouwkolom voor de oplevering nog steeds lineair georganiseerd is met een hoge milieudruk. Ook is er nog weinig kennis over de prestatie, levensduur en milieudruk van gebouwelementen. Door dit in materiaalpaspoorten te documenteren kan er gedurende de levenscyclus van gebouwen veel beter mee om worden gegaan. Dat roept de vraag op: hoe kan de gemeente Amsterdam in Haven-Stad – op deze schaal en met een lange looptijd – een rol spelen in het versnellen van de transitie naar een circulaire bouw- en vastgoedsector? Kunnen circulaire prestaties geformuleerd worden en doorgelegd bij gronduitgifte? Of zijn er andere instrumenten waarmee de transitie kan worden gestimuleerd?

De rol van de gemeente in deze bouwtransitie hangt ook af van de mogelijkheden. Liggen de mogelijkheden meer in het opstellen van regels of is er juist een regierol weggelegd? Met de ambities op het gebied van duurzaamheid en de spelregels die daaruit volgen om Haven-Stad ook Paris proof te maken, lijkt het programma Haven-Stad stelliger dan de overheid die Butink (dit nummer) beschrijft. Ontbrekende wet- en regelgeving hoeven gemeenten niet direct te hinderen in hun ambities. Echter is door ontbrekende en ontoereikende wet- en regelgeving de marktpartij nu nog bepalend in de mate waarin de ambities worden gerealiseerd. In tenders wordt actief uitgevraagd op het thema duurzaamheid en de spelregels die daarvoor gelden. Hoe hoger de duurzame kwaliteiten, hoe meer punten men verdiend in de aanbesteding van veel gemeenten.

Bij de gemeente Amsterdam wordt hiermee geëxperimenteerd, waarbij nu 30% van de tenderscore gebaseerd is op duurzaamheid. Voor Haven-Stad gaat deze werkwijze niet op, daar kan meestal niet getenderd worden omdat grondposities zijn vergeven. Hier moet een andere oplossing worden gevonden voor het gat tussen de minimale wettelijke eisen en de ambities. De gemeente probeert hier invulling aan te geven door al vroeg in het proces een faciliterende en verbindende rol te pakken, om samen met ontwikkelaars de ambities toch voor elkaar te krijgen. Een rol die hopelijk in de toekomst overbodig wordt, omdat circulair bouwen dan gemeengoed wordt. Een aangescherpt wettelijk kader zou zeker effectief zijn als stok achter de deur, maar maakt de samenwerking tussen gemeenten en marktpartijen op dit gebied niet minder cruciaal.

Figuur 4. Haven en Stad in beeld gevat (foto: gemeente Amsterdam)

Nieuwe mobiliteit

Om een transitie naar duurzame vormen van mobiliteit te bereiken, moet volgens Buningh een andere planningsmethodiek worden nagestreefd. Buningh schrijft in zijn artikel dat ruimtelijke professionals gewend zijn ruimtelijke interventies te baseren op lessen uit het verleden. Door een kwalitatieve vraag gestuurde benadering hieraan toe te voegen, ontstaan nieuwe bakens om naar toe te werken. Hij pleit voor een verandering van predictive planning naar evolutionary planning. Door ervaringen, verlangens en behoeften van eindgebruikers in de afwegingen te betrekken, kan volgens Buningh een innovatievere invulling gegeven worden aan de mobiliteitsvraag. Iets wat met het uitsluitend analyseren van het huidige gebruik van de infrastructuur niet lukt.

Gezien de ambitie en tijdshorizon van Haven-Stad is het niet realistisch vast te houden aan de traditionele vormen van planning en mobiliteitsingrepen. In hoeverre de ambities van Haven-Stad behaald worden, wordt mede bepaald door de dichtheid van het gebied. Het toevoegen van woningen en nieuwe arbeidsplaatsen op deze schaal aan Amsterdam is niet haalbaar met de traditionele vormen van mobiliteit. Om te breken met de traditionele vormen van mobiliteit moet er een goed alternatief zijn om de bereikbaarheid van het gebied te garanderen. Dit vraagt om grote investeringen, die traditioneel gezien pas haalbaar lijken als er voldoende instappers in de omgeving wonen of werken. Op zijn beurt vraagt dit om een nieuw financieel perspectief, waarbij voorafgaand geïnvesteerd kan worden in de bereikbaarheid als vliegwiel voor de ontwikkeling van de omgeving. Het is namelijk van groot belangrijk vanaf het eerste moment aan de spelregels voor mobiliteit te voldoen, om een onomkeerbare situatie met traditionele vormen van mobiliteit te voorkomen.
Daarnaast zullen zich nieuwe technische ontwikkelingen gaan voordoen in de lange tijdshorizon van Haven-Stad waar een meer evolutionary planningsmethodiek bij past. Nieuwe vormen van slimme mobiliteit zullen zich ontwikkelen en een plek moeten krijgen in het verhaal van Haven-Stad.

Figuur 5. Onderzoeksmacquette Haven-Stad (foto: gemeente Amsterdam)

Lerend vermogen

De toekomst is onvoorspelbaar. Menselijke voorkeuren veranderen, nieuwe technologieën brengen nieuwe mogelijkheden en wat op de tekentafel werkt blijkt in de praktijk lang niet altijd effectief. Daarbij is het extra spannend of een duurzaam Haven-Stad vol hernieuwbare energie, duurzame mobiliteit en met een circulair aanbestedingsmodel in de praktijk ook duurzaam functioneert als nieuwe bewoners en werknemers hier hun intrek nemen. Naast een goed proces aan de voorkant is het daarom net zo belangrijk systematisch te leren aan de achterkant (zie ook van Engelenburg e.a., in dit nummer). Haven-Stad biedt een schaal en een uitdaging die de bredere implicaties van de doelstellingen en gekozen oplossingen in beeld kan brengen. Met het monitoringsplan Haven-Stad wordt gekeken of de doelstellingen worden behaald en zo nodig bijgesteld of aangescherpt moeten worden.

Leren begint bij monitoren maar vergt daarbovenop ook een ecosysteem waar de belangrijkste stakeholders kennis ontwikkelen en delen. In kleine communities of practice komen straks op projectniveau marktpartijen, kennisinstellingen, bedrijven en de gemeente bij elkaar om lessen over duurzame ontwikkeling te delen. Dit kan op kleine schaal zo’n ecosysteem zijn. Voldoende lerend vermogen maakt het herijken van ambities en delen van innovatieve oplossingen op groter schaalniveau mogelijk. Extra belangrijk is ook hoe de eindgebruikers, de bewoners en bedrijven, zich gedragen en verantwoordelijk voelen in dit duurzame stuk stad.

Wat ons betreft begint het lerend vermogen nu al. Door met uiteenlopende stakeholders te werken aan een Rooilijn nummer over duurzame gebiedsontwikkeling. Door nu al in kaart te brengen wat we met elkaar al weten en welke uitdagingen ons de komende jaren staan te wachten. En door na de publicatie van dit themanummer van Rooilijn een kenniskring te wijden aan hoe de duurzaamheidsopgave verder te brengen in Nederland en meer specifiek in Haven-Stad.

Naast dit artikel wat duurzame lessen voor Haven-Stad uit het Rooilijn themanummer Duurzame Gebiedsontwikkeling bij elkaar brengt heeft er een Rooilijn Kenniskring plaatsgevonden in Pakhuis de Zwijger.

Author profile
Author profile
Maarten is redacteur van de Rooilijn Stellingredactie. De stelling snijdt een actueel ruimtelijk thema aan waarop een passende auteur reageert. Hij is werkzaam als Projectmanager Duurzaamheid bij

Maarten is redacteur van de Rooilijn Stellingredactie en werkzaam als projectmanager Duurzaamheid bij gebiedsontwikkelaar AM. Hij is opgeleid als vastgoedkundige (HvA) en planoloog (UvA) en afgestudeerd in Urban Studies (UvA/Northeastern University) waar hij specialiseerde in de implementatie van duurzaamheid in gebiedsontwikkeling. Hij heeft gewerkt aan stedelijke vernieuwing bij de gemeente Amsterdam, het onderzoeksproject APRILab naar planningsdilemmas in ontwikkeling en werkt nu aan de strategie en implementatie van duurzame oplossingen voor gebiedsontwikkeling. Naast zijn werkzaamheden voor AM en Rooilijn is hij actief in de Nieuw Amsterdam Raad van Pakhuis de Zwijger en als Fellow betrokken bij het onderzoeksprogramma Urban Arenas for just and sustainable cities.

Literatuur

Markus, M., & Akerboom, M. (red) (2018) Rooilijn. Themanummer: Duurzame gebiedsontwikkeling. Jg.51, Nr.4.

Author profile
Author profile
Maarten is redacteur van de Rooilijn Stellingredactie. De stelling snijdt een actueel ruimtelijk thema aan waarop een passende auteur reageert. Hij is werkzaam als Projectmanager Duurzaamheid bij

Maarten is redacteur van de Rooilijn Stellingredactie en werkzaam als projectmanager Duurzaamheid bij gebiedsontwikkelaar AM. Hij is opgeleid als vastgoedkundige (HvA) en planoloog (UvA) en afgestudeerd in Urban Studies (UvA/Northeastern University) waar hij specialiseerde in de implementatie van duurzaamheid in gebiedsontwikkeling. Hij heeft gewerkt aan stedelijke vernieuwing bij de gemeente Amsterdam, het onderzoeksproject APRILab naar planningsdilemmas in ontwikkeling en werkt nu aan de strategie en implementatie van duurzame oplossingen voor gebiedsontwikkeling. Naast zijn werkzaamheden voor AM en Rooilijn is hij actief in de Nieuw Amsterdam Raad van Pakhuis de Zwijger en als Fellow betrokken bij het onderzoeksprogramma Urban Arenas for just and sustainable cities.

Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *