Jane Jacobs en de kloof tussen theorie en praktijk

Woningen in de Amsterdamse Zuidas (foto: Gerben Helleman)

20 april 2018

Jane Jacobs: actievoerder en auteur. Het eerste tegen de stedelijke vernieuwingsplannen voor haar buurt in New York, het tweede van het wereldberoemde Death and Life of Great American Cities uit 1961, kortweg Death and Life. Haar reputatie is groot, maar haar invloed op de ruimtelijke praktijk houdt daarmee geen gelijke tred. Deze bijdrage probeert enkele oorzaken voor dit verschil te duiden en zoekt perspectief voor de ruimtelijke toekomst.

Wie de moeite neemt om Jacobs’ vier in 1961 geformuleerde voorwaarden voor diverse stedelijkheid van enige afstand te bezien, ontdekt een fraaie samenhang die meer zegt over Jacobs’ visie op de stad dan die bekende voorwaarden alleen. Het is een visie op diversiteit in drie dimensies: ruimte (fijnmazige straten), tijd (oude en nieuwe gebouwen) en functie (menging). De druk hoeft dan nog slechts te worden opgevoerd (hoge dichtheid) en de sociale, economische en culturele gisting van de stad start vanzelf. Zo’n driedimensionaal stedenbouwkundig frame waarbinnen de stad zichzelf ontwikkelt, doet eerder denken aan de biologie dan aan techniek of design: zelfregenererend, divers, fijnkorrelig in eigenaarschap en initiatief. Hiermee plaatste Jacobs zichzelf diametraal tegenover de moderne ruimtelijke vakwereld, die vooral geloofde in grootschalige, van bovenaf geplande monofunctionele tuinsteden in het ontsloten door autowegen. Vele ruimtelijke wetenschappers en professionals moesten er aanvankelijk dan ook niets van hebben.

Monofunctioneel suburbia in Deventer (foto: Gerben Helleman)

In de decennia na publicatie van Death and Life heeft Jane Jacobs de kritieken aan haar adres gaandeweg aan kracht zien verliezen, doordat de werkelijkheid steeds meer aan haar kant ging staan. Ruimtelijke planners hebben vanaf de jaren vijftig decennialang op krachtige wijze getracht om steden kapot te centrifugeren. Ze zijn met hun vele suburbane manifestaties een eind gekomen: spreidingsbeleid, tuinsteden, groeikernen, kantorenclusters, snelwegen, weidelocaties enzovoorts. Precies de ontwikkelingen waar Jacobs zich zo tegen verzette. Maar de magnetische kracht van stad en stedelijkheid is te groot gebleken. Veel wijken die door ambitieuze, moderne planologen en stedenbouwkundigen zijn ontworpen als de woonmilieus van de toekomst, stierven een zachte dood door sociaal verval, niet zelden gevolgd door de harde dood van de slopershamer, zoals de Amsterdamse Bijlmermeer, Pruitt Igoe in Saint Louis, de Falgabuurt in Den Helder, allerlei Franse banlieues en legio andere voorbeelden in de Westerse wereld. Tegelijkertijd regenereerden allerlei Jacobs-achtige stadswijken die veel planologen aanvankelijk liever met de grond gelijk hadden gemaakt op indrukwekkende wijze en behoren nu tot de meest geliefde en best functionerende. Amsterdam binnen de ring is er een uitgesproken voorbeeld van. Over “death and life” gesproken: Jacobs’ boek ging letterlijk op herhaling in de realiteit.

Die samenvloeiing tussen Jacobs en realiteit heeft haar reputatie ten zeerste versterkt. Veel van Jacobs’ ideeën zijn uitgegroeid tot klassiekers, krachtig geschraagd door de empirie. Death and Life wordt inmiddels vaak beschouwd als het beste boek ooit op het gebied van stadsplanning, zoals bijvoorbeeld op het Amerikaanse Planetizen.

Weerbarstige realiteit

Van ideeën die zich zo breed hebben bewezen, zou je verwachten dat die op grote schaal in de praktijk worden toegepast. Een simpele blik op de ruimtelijke ontwikkelingen van de laatste decennia leert echter dat dat niet zo is. Weliswaar groeit – met name binnenstedelijk – het aantal Jacobs-achtige voorbeelden langzaam, maar het leeuwendeel van het toegevoegde stedelijke weefsel is suburbaan en monofunctioneel van karakter. Miljoenen mensen wonen er inmiddels, in al die suburbane banlieues, galerijflat-, bloemkool- en Vinexwijken, maar velen vooral omdat hun portemonnee ze erheen wees, niet omdat het hun eerste keuze was. De moderne planning kreeg het nog nauwelijks voor elkaar om wijken te laten ontstaan die eenzelfde populariteit genieten als vooroorlogse wijken, wat bijvoorbeeld blijkt uit de ontwikkeling van de woningwaarde in Amsterdam (figuur 1). Op zijn gunstigst hebben modernistische wijken in Nederland een middelmatige positie op de woningmarkt. Ze verouderen bovendien vaak sneller dan oudere wijken.

In haar voorwoord in de herdruk van Death and Life uit 1993 schrijft Jacobs: “Although the numbers of arrogant old gatekeepers have dwindled with time, the gates themselves are another matter. Anticity planning remains amazingly sturdy in American cities. It is still embodied in thousands of regulations, bylaws, and codes, also in bureaucratic timidities owing to accepted practices, and in unexamined public attitudes hardened by time.” In Nederland is dat nauwelijks anders: stedelijke ideeën met een grote reputatie, maar een suburbane realiteit die nog steeds uitdijt. Het lijkt erop dat er tot nu toe betrekkelijk weinig onderzoek is gedaan naar de oorzaken voor deze toch evidente tegenstrijdigheid. Zonder de pretentie om volledig te zijn, doet deze bijdrage een poging door drie oorzaken aan te stippen en daarna een blik te werpen op de toekomst.

Figuur 1 Gemiddelde verkoopprijs per vierkante meter in Amsterdam, 2015 (bron: Gemeente Amsterdam)

Oorzaak één: moeizame verhouding tot wetenschap en vakwereld

Aangezien planningsprofessionals worden gevormd door universiteiten en hogescholen, is de van oudsher problematische verhouding tussen Jacobs en de wetenschappelijke wereld van grote invloed geweest op genoemde tegenstrijdigheid. Jarenlang is Jacobs nauwelijks gedoceerd. Herman Herzberger, oud-architect en oud-docent stedenbouw, sprak vorig jaar tijdens een Ruimtevolk-college over Jacobs dat zij “hooguit als smokkelwaar de gangbare planning kan worden binnengebracht”. Dat wordt onder meer veroorzaakt door het inductieve karakter van Jacobs’ wetenschap: zij redeneert van het specifieke (dus de praktijk) naar het algemene. Op ruimtelijke en stedenbouwkundige opleidingen wordt meestal vooral deductieve wetenschap bedreven, die start vanuit de theorie. Dat is echter een houding die zich volgens Jacobs niet leent voor problemen van “georganiseerde complexiteit”, zoals zij de stad definieert in het afsluitende wetenschapsfilosofische hoofdstuk van Death and Life. Jacobs had de volgende boodschap voor de beoefenaars van de ordelijke, wetenschappelijke stad: “There is a quality even meaner than outright ugliness or disorder, and this meaner quality is the dishonest mask of pretended order, achieved by ignoring or suppressing the real order that is struggling to exist and to be served.” (Jacobs, 1961, p.21).

De deductief gevormde planningsprofessionals beoefenen in hoofdzaak een op normen (geluidsnormen, parkeernormen, winkelnormen, groennormen enzovoorts) gebaseerde planningspraktijk, die antistedelijkheid vaak als natuurlijke uitkomst heeft. Functiescheiding zit nog altijd in ons plannings-dna, want het is voorspelbaarder, planbaarder. De holistischer benadering van Jacobs maakt stedelijke vraagstukken maar diffuus en krijgt ze moeilijker in het gareel. Moet een bepaalde groenstrook groen blijven omdat omwonenden dat willen, of moet daar juist de stedelijke dichtheid worden verhoogd? Moeten in die straat nog meer winkels worden toegestaan of niet? Moeten die particuliere bouwprojecten een kans krijgen, of moet er op die plek juist groter worden gedacht? En altijd is er die onvoorspelbare leefwereld tegenover de logische systeemwereld.

Jacobs is daarom nog altijd populairder onder hippe stadspublicisten dan in de stadhuizen waar onze bestemmingsplannen worden gefabriceerd. Daar komt bij dat Jacobs niet alleen over de (redelijk goed planbare) fysieke verschijningsvorm van wijken gaat, maar ook en vooral over de wijze waarop een wijk zich ontwikkelt: organisch, via sociale stijging, door vele partijen. Een wijk is geen stempel, maar een mierenhoop. De overheid bewaakt de rooilijnen, maar speelt niet de ontwikkelaar en speelt daar ook geen een-tweetje mee. Voor een dergelijk spel zijn onze moderne instituties nog altijd niet goed toegerust.

Oorzaak twee: suburbia is toch ook goed?

Een tweede reden voor de tot nog toe beperkte landing van Jacobs in de realiteit, is dat haar bijna categorische afwijzing van de suburbane stad lang niet iedere planner overtuigt. Tekortkomingen van suburbane wijken tonen zich lang niet altijd duidelijk of onmiddellijk; veel van die wijken liggen er ogenschijnlijk prima bij. Jacobs heeft volgens verschillende critici de invloed van de ruimte op menselijk gedrag bovendien overschat. Ook in suburbia is veel economische en sociale vitaliteit waarneembaar voor wie er oog voor heeft. Mensen als Arnold Reyndorp, Like Bijlsma, Wouter Veldhuis en Ivan Nio hebben daar uitgebreid over gepubliceerd in bijvoorbeeld Atlas Nieuwe Steden (2012) en vooral in Atlas Westelijke Tuinsteden Amsterdam (2008). Ook wordt bij vergelijkingen tussen wijktypen meestal over het hoofd gezien dat voor zelfsorterende effecten te corrigeren is: Jacobswijken trekken meer uithuizige menstypen aan, waardoor het daar alleen al om die reden drukker is in de cafés en op straat. Deze overwegingen voeden het verwijt dat Jane Jacobs zich bij haar visie wat te enthousiast liet meeslepen door romantische gevoelens, met haar lofzang op het buurtgevoel en de publieke waarde van de bakker op de hoek. Met al die tweeverdieners zitten buurten volgens veel hedendaagse critici bovendien niet meer zo in elkaar. Kortom: wat is er nu eigenlijk zo verkeerd aan suburbane tuinsteden.

Jacobs zou daarop waarschijnlijk geantwoord hebben dat ze zich als empirist slechts heeft laten meeslepen door wat ze waarnam. Aangezien ze zag dat diversiteit een cruciaal ingrediënt is voor vele geliefde en goed functionerende stadsmilieus, vormt diversiteit de kern van haar visie. Die diversiteit komt pas tot volle wasdom bij een hoge dichtheid, want bij een lage dichtheid is er alleen voldoende draagvlak voor het gemiddelde. Daarom heeft een willekeurige buitenwijk wel een Blokker, maar geen pottenbakkerij of speciaalzaak voor blaasinstrumenten. Jacobs vatte de zegeningen van diversiteit samen met waarschijnlijk haar beroemdste quote: “Cities have the capability of providing something for everybody, only because, and only when, they are created by everybody.” (Jacobs, 1961, p.312).

En toch ligt hier een moeilijkheid. Diversiteit als traktatie voor iedereen wordt door velen slechts halfslachtig omarmd: wel als consument, maar niet als producent. Menigeen wil wel graag in gezellige straten naar een doner kebab kunnen, of naar een jazzcafé, of een esoterische boekhandel, maar liefst in of bij een eigen comfortzone, zonder zich bloot te hoeven stellen aan vreemde of ruige kanten van de stad. Het is de spreekwoordelijke zoektocht naar de voordeur aan de Dam en de achtertuin aan het bos. Dat parasitaire zit in de mens ingebakken, en mede daardoor blijft Jacobs, of welk soort stadsplanning dan ook, altijd omstreden. Stadsplanning is eigenlijk speltheorie, omdat mensen zich niet zomaar in plannersnetjes laten vangen en omdat de som van individuele belangen niet per se hetzelfde is als het gemeenschappelijke belang. Een suburbane woning kan aantrekkelijk lijken voor dat ene gezin, maar duizendmaal vermenigvuldigd kan het een wijk opleveren die tot verdriet van iedereen te weinig leeft en langzaam in verval raakt. Pogingen om bestaande wijken te verdichten en te diversificeren om ze meer in overstemming te krijgen met Jacobs’ ideeën, stuiten niet zelden op boze burgers die volgens diezelfde Jacobs zo serieus moeten worden genomen. Want we waarderen wel een bouwblok of een bakker waar we al jaren aan gewend zijn, maar een bouwblok of een bakker die in bestaand weefsel wordt ingevoegd, roept meteen kritische vragen op. Deze catch22-achtige mechanismen maken de discussie over stadsplanning vaak zo complex en eindigen lang niet altijd in Jacobs-achtige conclusies. Sterker nog: bij complexiteit grijpen veel planners maar al te graag terug op methoden die overzicht scheppen: reductionisme, functiescheiding. Gevolg: Jacobs raakt buiten beeld.

Oorzaak drie: de auto

Bij het noemen van oorzaken voor het gebrek aan stedelijkheid bij nieuwbouw kunnen we niet om een heel specifieke oorzaak heen: de auto. Massale automobiliteit is fundamenteel onverenigbaar met Jacobs-achtige wijken. Jacobs zelf was aanvankelijk nog betrekkelijk mild over auto-mobiliteit: “We blame automobiles for too much.” (Jacobs, 1961). Ze was weliswaar kritisch op de invloed van de auto op de stad, maar pleitte eigenlijk tegen autovrije straten en richtte haar grootste pijlen op de tuinstad-ideologie. De decennia daarna zag Jacobs echter met lede ogen aan hoe de overheid eendrachtig met de auto-, olie- en wegenbouwindustrie een gigantische groei van de automobiliteit heeft gestimuleerd en gefaciliteerd. Vele goed functionerende, met name Amerikaanse binnensteden werden met miljarden dollars getransformeerd tot highways en parkeerplaatsen. Weginfrastructuur en verstrekkende parkeernormen werden determinerend voor stadsplanning, daarmee dichtheid en functiemenging op voorhand onmogelijk makend. Veel Amerikaanse wijken hebben zelfs niet eens meer een trottoir. In de loop der jaren werd Jacobs’ houding tegenover auto’s daarom steeds minder mild. In het voorwoord van de herdruk van Death and Life uit 1992 maakte ze al een expliciet onderscheid tussen “foot people” en “car people”. Uiteindelijk, vlak voor haar dood, schreef ze: “Not tv or illegal drugs but the automobile has been the chief destroyer of American communities.” (Jacobs, 2004, p.37). Kortom: zolang wijken worden gebouwd op de self-fullfilling prophecy van massale automobiliteit, kunnen we de vorming van de stedelijke leefgemeenschappen die Jacobs zo mooi beschreef op ons buik schrijven.

Alle ruimte voor de auto in Maastricht (foto: Gerben Helleman)

Een stedelijke toekomst

Jane Jacobs zal altijd discussie blijven uitlokken en dat is maar goed ook. Juist zijzelf wees op de gevaren van absolutisme. We kunnen inmiddels echter stellen dat ze voor ruimtelijke planners onontkoombaar is geworden. Wie haar in de wind slaat, zal op z’n minst moeten beargumenteren waarom. Jacobs dwingt planners daarmee tot een kritische houding jegens zichzelf, en jegens planning als zodanig.

Dat de ideeën van Jacobs tot nu toe niet grootschalig in de ruimtelijke praktijk zijn terug te vinden, komt wellicht ook doordat veranderingen tijd nodig hebben. Pas sinds kort wordt er gesproken over het einde van automobiliteitsgroei, planningsparadigma’s veranderen niet van het ene jaar op het andere. Inmiddels heeft Jacobs vele gezaghebbende navolgers en geestverwanten, met namen als Jan Gehl, Richard Florida en Edward Glaeser. In 2009 werd Death and Life in het Nederlands vertaald, met een begeleidend boek vol duidingen en loftuitingen op Jacobs van bepalende figuren uit de ruimtelijke vakwereld (Franke & Hospers, 2009). Op veel universiteiten en hogescholen wordt ze inmiddels onderwezen, in opvallend veel studierichtingen: planologie, sociale geografie, stedenbouw, (vastgoed)economie, tot zelfs landschapsarchitectuur.

Deze vertraagde, doch evidente academische (half)erkenning geeft voeding aan vele pleidooien om meer wijken te laten verschijnen die aansluiten op de menselijke voorkeuren die Jane Jacobs zo nauwgezet beschreef. Deze bijdrage laat zien dat de belemmeringen niet onderschat moeten worden, maar zoals de genoemde woningwaardekaart laat zien, zijn wijken letterlijk meer waard naarmate ze meer voldoen aan de voorwaarden van Jacobs. Er willen meer mensen wonen en verblijven in Jacobswijken dan er beschikbaar zijn. Daarom moet het als een sociale opgave worden beschouwd om er meer te laten ontstaan, zodat straks niet alleen de happy few, maar iedere belangstellende ervan kan profiteren.

Er zijn tekenen dat we aan de vooravond staan van een werkelijke transitie naar stedelijk bouwen. Suburbane weilandlocaties lijken nog slechts enthousiasme op te wekken bij snel geld zoekende ontwikkelaars. Ondertussen ontvouwt Amsterdam de grootste binnenstedelijke bouwopgave uit haar geschiedenis. Ook komt de Omgevingswet eraan, die ontegenzeggelijk interessantere ingrediënten biedt dan ons ruimtelijke instrumentarium tot op heden. Particulier opdrachtgeverschap wordt belangrijker, participatie eveneens. Ook zijn netwerken als Ruimtevolk goed bezig als wegbereiders voor een nieuw soort ruimtelijke agenda. Het zijn allemaal welkome ontwikkelingen die wat harder zouden mogen gaan dan tot nu toe. Want er had natuurlijk al veel eerder een volwaardige symbiose moeten ontstaan tussen de ruimtelijke vakwereld en de ideeën van Jane Jacobs.

Author profile
Martin is hoofdplanoloog bij de dienst Ruimte en Duurzaamheid van de gemeente Amsterdam.

Officieel ben ik planoloog, maar ruim twintig jaar overheidsdienst heeft mij nog steeds niet vereenzelvigd met regels en beleidskaders. Mijn fascinatie voor de stad ligt daar waar burgers haar vormgeven. De constante spanning tussen systeemwereld en leefwereld intrigeert me en ik ben op mijn best op zoektochten naar manieren om die met elkaar te verbinden.

Literatuur

Franke, S. & G.J. Hospers (red.) (2009) De Levende Stad, Sun-Trancity, Haarlem

Gehl, J. (2010) Cities for People, Island Press, Washington D.C.

Jacobs, J. (1961) The Death and Life of Great American Cities, Random House, New York

Jacobs, J. (2004) Dark Age Ahead, Random House, New York

Nio, I., A. Reijndorp & W. Veldhuis (2008) Atlas Westelijke Tuinsteden Amsterdam, Sun-Trancity, Haarlem

Reijndorp, A., L. Bijlsma & I. Nio (2012) Atlas Nieuwe Steden, Trancity, Haarlem

Schubert, D. (red.) (2014) Contemporary Perspectives on Jane Jacobs, Taylor & Francis, Abingdon

Author profile
Martin is hoofdplanoloog bij de dienst Ruimte en Duurzaamheid van de gemeente Amsterdam.

Officieel ben ik planoloog, maar ruim twintig jaar overheidsdienst heeft mij nog steeds niet vereenzelvigd met regels en beleidskaders. Mijn fascinatie voor de stad ligt daar waar burgers haar vormgeven. De constante spanning tussen systeemwereld en leefwereld intrigeert me en ik ben op mijn best op zoektochten naar manieren om die met elkaar te verbinden.

Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *