Jane Jacobs’ populariteit: zegen of vloek?

15 april 2018

Jane Jacobs is populairder dan ooit. In de afgelopen jaren heeft het aantal boeken, artikelen en documentaires over deze invloedrijke schrijfster en stadsactiviste een hoge vlucht genomen. Waar haar visie op steden in de jaren zestig nog op veel weerstand stuitte, lijkt tegenwoordig iedereen aan haar kant te staan. Meestal wordt dit als een goede ontwikkeling beschouwd, maar het is de vraag of dit terecht is. Leidt Jacobs’ werk ons daadwerkelijk naar een eerlijke, prettige stad voor allen of is daar meer voor nodig?

Zowel in de collegebanken als in gemeentekantoren is het inmiddels een bekend verhaal: de strijd om New York tussen Robert Moses en Jane Jacobs in de jaren zestig. In veruit de meeste huidige versies van het verhaal is Moses de schurk en Jacobs de heldin. Het lot van New York staat op het spel en het is de vastberaden Jacobs die het, hand in hand met andere burgers, lukt om de megalomane plannen voor snelwegen en woontorens van stadsplanner Moses een halt toe te roepen. Met haar pleidooi voor een binnenstad voor mensen en haar waardering voor de grilligheid van vooroorlogse stedenbouw, weet zij New York en haar inwoners voor een modernistische nachtmerrie te behoeden. Dat dit verhaal is uitgegroeid tot de strijd om de stad van de eeuw, is niet alleen te danken aan de sterke persoonlijkheden en het iconische fotomateriaal ervan, maar ook omdat het een symbolische betekenis heeft gekregen. Zo wordt Jacobs’ overwinning op Moses vaak aangeduid als het einde van het modernisme en het begin van een meer democratische stedenbouw die zou leiden tot een leefbare stad voor iedereen (Smith, 2007).

Hoewel Jacobs in haar eigen tijd als schrijfster en activiste niet door iedereen geliefd was, lijkt ze tegenwoordig een ware cultstatus te hebben bereikt. Waar sommigen Jacobs als een rolmodel zien voor burgeractivisme tegenover grootkapitaal en vastgoedbedrijven, bewonderen anderen haar juist vanwege haar nadruk op lokale economieën, groei en zelforganisatie. Het is met name bijzonder dat niet alleen stadsonderzoekers en activisten, maar ook stadsplanners (Jacobs’ toenmalige mikpunt van kritiek) zich onder haar fanbase zijn gaan scharen (Van den Berg, 2016). De modernistische top-down planner, verbeeld door Moses, lijkt daarmee de gemeenschappelijke vijand te zijn geworden en Jacobs allemans heldin.

Toch zijn vraagtekens te zetten bij deze eretitel voor Jacobs en de huidige populariteit van haar werk. Al sinds de eerste publicatie van haar boek The Death and Life of Great American Cities (1961) is zij vanuit verschillende hoeken bekritiseerd vanwege onder andere haar geromantiseerde beschrijving van het stedelijk leven (Harding & Blokland, 2014) en haar fysisch-geografisch determinisme (Gans, 1962). Denkers zoals David Harvey (1989) en Sharon Zukin (2009) demonstreren het belang van een kritische blik op Jacobs’ werk en de toepassing ervan door dit in context te plaatsen van de economische en sociale ontwikkelingen in steden sinds de jaren zestig. Zo’n perspectief helpt om in te zien dat we niet zozeer de tijdloze aspecten van The Death and Life’ maar juist ook de tijd- en standplaatsgebondenheid ervan dienen te begrijpen, wil Jacobs’ werk kunnen bijdragen aan een duurzaam levendige stad. Een belangrijke eerste stap is om Jacobs’ populariteit in het licht van hedendaagse steden te zien. Daarna gaat dit artikel in op de schaduwzijde van Jacobs’ populariteit en beschrijft in navolging van Zukin hoe ook Jacobs’ persoonlijkheid zich verhoudt tot de hedendaagse transformatie van steden.

Greenwich Village, New York (foto: Janine via Flickr)

Gids voor de toekomstige stad

Gezien de enorme ontwikkelingen die steden hebben doorgemaakt sinds de jaren zestig, is het bijzonder dat Jacobs’ werk tegenwoordig zoveel weerklank krijgt in stadsplanning en stedenbouw. De verklaring hiervoor dient niet zozeer te worden gezocht in de overeenkomsten tussen steden van de jaren zestig en die van vandaag, maar juist in wat is veranderd sinds de publicatie van haar boek. Jacobs schreef in een tijd waarin inwoners en investeringen zich verplaatsten naar suburbs en deindustrialisatie de binnensteden verlaten achterliet. Terwijl planners en bestuurders zoals Moses hun steden probeerden te redden door middel van grootschalige sloop en nieuwbouw, bewonderde Jacobs de georganiseerde complexiteit van de bestaande stad en wees op de functies van dichtheid en diversiteit. Vandaag de dag zijn steden door de overgang naar een service-economie, toenemende globalisering en bedrijvenclusters in stadscentra echter booming business geworden. David Harvey (1989) ziet deze ontwikkeling in nauw verband met een groeiende concurrentie tussen steden en een nieuwe meer ondernemende houding van stadsbesturen. Om economisch welvarend te worden en te blijven, zien stadsbesturen zich tegenwoordig genoodzaakt te concurreren met andere steden om inwoners, toeristen en bedrijven, en daarvoor strategieën uit te zetten, aldus Harvey.

Dat stadsbesturen in Jacobs’ werk manieren vinden om hun concurrentie voor te blijven is niet zo gek. Haar boek ‘Dood en Leven’ is te lezen als stappenplan richting een levendige stad en sluit op veel gebieden goed aan bij andere invloedrijke theorieën over het creëren van succesvolle steden, zoals Richard Florida’s ‘creatieve klasse’ theorie (Van den Berg, 2016). Zo past haar pleidooi voor het behoud van historische gebouwen (“New ideas must use old buildings” (Jacobs, 1961, p. 188)) en het streven naar functiemenging perfect bij de trend om ruimte te creëren voor horeca en startups en daarmee een ‘creatieve klasse’ aan te trekken. Daarnaast sluit Jacobs’ nadruk op de rol van bewoners in het creëren van leefbare buurten en haar afkeer van top-down stadsplanning uitstekend aan bij het huidig streven van gemeentes naar kostenbeheersing en burgerparticipatie.Hetzelfde geldt voor haar aandacht voor het belang van winkeliers als de ‘ogen op straat’ en lokale economieën, hetgeen in lijn ligt met het transformeren van de stad als een plek van productie naar een plek van consumptie (Zukin, 2009).

Een ander cruciaal aspect van Jacobs’ werk in het verklaren van haar populariteit, is haar perspectief als vrouw en moeder (Van den Berg, 2016). In de door mannen gedomineerde wereld van stadsplanning viel Jacobs op door haar beschrijving van het dagelijks leven in New York als vrouw en moeder en haar nadruk op het creëren van een veilige omgeving voor kinderen. Waar de typisch modernistische planners scheidingen trokken tussen werk- en woonruimtes en steden voor auto’s ontwierpen, pleitte zij vanuit haar eigen ervaringen en observaties als stadsbewoner voor gemixte functies en beloopbare steden. Huidige steden en stedelijk leven winnen weer aan populariteit, vooral onder vrouwen en middenklasse gezinnen, en we bewegen richting een economie waarin vrouwelijke eigenschappen belangrijker worden (Van den Berg 2016). Zo krijgt Jacobs’ ‘vrouwelijke’ aanpak ook steeds meer aandacht. Volgens Van den Berg (2012) is dit het beste zichtbaar in oud-industriële steden zoals Rotterdam of Hamburg, die de meeste moeite hebben met de verschuiving richting een kennis- en diensteneconomie. Via het organiseren van culturele evenementen en city marketing, proberen zij van hun reputatie als masculiene stad af te komen en een ‘creatieve klasse’ aan te trekken.Jacobs’ vrouwelijk perspectief en haar focus op diversiteit en functiemenging sluit perfect aan bij het streven van stadsbesturen richting een meer ‘feminiene stad’ (Van den Berg, 2016).

Hoewel dit zou kunnen leiden tot een levendigere en rechtvaardigere stad, laat een kritische blik op de huidige toepassing van Jacobs’ werk en de uitwerkingen ervan een ander beeld zien. Zo stelt Van den Berg (2016) dat de manier waarop Jacobs’ werk nu door veel stadsbesturen wordt gebruikt, namelijk voor het promoten van speeltuinen, horeca en dure eengezinswoningen, voornamelijk gericht is op het aantrekken van middenklasse gezinnen. Zij beargumenteert dat Jacobs’ ideeën voor gemixte functies en het gebruiken van oude gebouwen in steden als Amsterdam vaak vertaald worden naar beleidsplannen waarmee ruimte gecreëerd wordt voor families met kinderen die streven naar een gelijke taakverdeling tussen mannen en vrouwen én die als tweeverdieners met een hoog opleidingsniveau willen en kunnen betalen voor faciliteiten zoals kinderopvang en traiteurs. Op deze manier komt Jacobs’ werk volgens Van den Berg (2016) dan ook vooral ten goede aan de stedelijke middenklasse en ten koste van andere stedelingen zoals lagere-klasse-gezinnen.

Greenwich Village, New York (foto: Spencer Means via Flickr)

Jacobs als gentrifier avant la lettre

Van den Bergs (2016) kritisch perspectief op het gebruik van Jacobs’ werk sluit aan bij een breder debat over hoe de persoon Jacobs en haar werk zich verhouden tot gentrification: de productie van stedelijke ruimte voor geleidelijk meer welvarendere gebruikers (Hackworth, 2002). Een belangrijke drager van dit debat is de Amerikaanse sociologe Sharon Zukin, die in haar boek Naked City: The Death and Life of Authentic Urban Places (2009) de balans opmaakt in New York. Aan de hand van beschrijvingen van getransformeerde buurten zoals Greenwich Village en Williamsburg, constateert Zukin dat New York haar ziel heeft verloren.

De verschuiving van het ideaal van de  moderne stad naar die van de authentieke stad in de afgelopen decennia, beïnvloed door Jacobs, heeft volgens Zukin niet geleid tot levendigere steden, maar juist tot eentonige en voor veel mensen onbetaalbare steden. Jacobs’ ideeën over het mengen van functies en het behouden van historische gebouwen zijn in dienst gaan staan van kapitalistische logica en vertaald naar wetten en werkwijzen die vaak voorbijgaan aan het behouden van een diverse bevolking en lokale ondernemingen, aldus Zukin (2009). Dit is volgens haar het gevolg van een aantal belangrijke aspecten waarin Jacobs’ visie voor de ideale stad van vandaag tekort schiet. Door globalisering en de toenemende mobiliteit van mensen, geld en goederen komen opkomende buurten nu regelmatig in een stroomversnelling terecht. Greenwich Village, Jacobs’ buurt in New York, waar de komst van toeristen veel bewoners door huurverhogingen heeft gedwongen hun buurt te verlaten, is hier een goed voorbeeld van. Dat het gebruik van Jacobs’ werk eerder heeft bijgedragen aan deze ontwikkelingen dan deze heeft doen voorkomen, komt volgens Zukin (2009) doordat Jacobs zich niet kritisch uitte tegenover vastgoedhandelaren, ontwikkelaars en bankiers, maar in plaats daarvan vooral stadsplanners en architecten aanviel. Dit terwijl juist deze eerste groep volgens Zukin (2009) een cruciale rol speelden in Moses’ grote plannen en planners en architecten ook vandaag de dag voor een groot deel van hen afhankelijk zijn. Jacobs’ waardering voor organische ontwikkeling en het zelforganiserend vermogen van stadsbewoners ging samen met een afkeer van overheidsingrijpen. Hoewel Jacobs juist opkwam voor de rechten van gevestigde bewoners en lokale ondernemers en het belang aantoonde van diversiteit voor een levendige stad, ontbreekt bij haar een manier om deze rechten te beschermen tegen de macht van bestuurders en geld, stelt Zukin (2009).

Naast de macht van economisch kapitaal, heeft Jacobs volgens Zukin (2009) ook de macht van een andere vorm van kapitaal over het hoofd gezien: het cultureel kapitaal. Terwijl Jacobs’ aandacht voor de schoonheid van het stedelijk leven en afschuw van de suburbs in haar tijd behoorlijk normafwijkend waren voor een middenklasse moeder, is haar stedelijke levensstijl tegenwoordig het ideaal geworden van veel middenklassers. Met haar waardering voor gemixte functies en diversiteit in stadsbuurten en haar voorkeur voor de fiets in plaats van de auto, is ze lastig te onderscheiden van hedendaagse young urban professionals. Echter, hun zoektocht naar een ‘authentiek’ stedelijk leven zoals omschreven door Jacobs heeft volgens Zukin (2009) geleid tot de eentonigheid en de dominantie van een bepaald soort cultureel kapitaal dat vandaag de dag kenmerkend is voor gegentrificeerde buurten. ‘[Jacobs] doesn’t seem to realize that she expresses a gentrifier’s aesthetic appreciation of urban authenticity’, stelt Zukin (2009, p. 38).

Zukin benadrukt dat Jacobs’ beschrijvingen van haar buurt, zoals alle representaties van steden, sociale constructies zijn, beïnvloed door de tijd waarin Jacobs leefde en door haar perspectief als vrouw en moeder uit een middenklasse milieu. Zo schetsen Jacobs’ verhalen een romantisch beeld van Hudson Street met een dorpse sfeer die inspeelt op de smaak van middenklasse stedelingen, zonder dat er aandacht is voor de diversiteit in etniciteit en klasse van de bewoners die ten grondslag lag aan de levendigheid in de straten die Jacobs beschreef (Zukin, 2009). Dat deze diversiteit en kansen voor kleine, lokale ondernemingen als vanzelf ontstaan en behouden blijven onder enkel fysieke voorwaarden, is volgens Zukin een naïeve veronderstelling. In plaats daarvan stelt zij dat overheidsbeleid nodig is om een duurzaam levendige stad zoals Jacobs die voor ogen had te realiseren, bijvoorbeeld in de vorm van omgevingswetten, huurbescherming en een sociaal huurbeleid (Zukin, 2009).

Greenwich Village, New York (foto: Brian via Flickr)

Wiens ogen op straat?

Jane Jacobs is als schrijfster en activiste van grote invloed geweest op Westerse steden zoals wij ze vandaag de dag kennen. Haar verzet tegen Robert Moses introduceerde een nieuwe manier van denken over steden en ruimtelijke ordening, waarbij meer aandacht is gekomen voor het sociale leven in de stad en de manier waarop bewoners de stedelijke omgeving gebruiken. Jacobs’ populariteit blijkt voor een belangrijk deel voort te komen uit de goede match met het streven van stadsbesturen naar een postindustriële economie en een meer ‘vrouwelijke’ economie. Deze redenen zijn an sich niet problematisch, behalve dat dit zorgt voor een selectief gebruik van haar werk en een nieuwe betekenisgeving ervan die vooral in het teken staan van economische groei en het aantrekken van nieuwe middenklasse bewoners in plaats van het stimuleren en behouden van een levendige stad voor allen. Op deze manier wordt voorbijgegaan aan een van Jacobs’ bekendste motto’s uit hetzelfde boek, namelijk dat “[c]ities have the capacity of providing something for everybody, only because, and only when, they are created by everybody” (Jacobs, 1961, p. 238).

In discussies over Jacobs wordt vaak de nadruk gelegd op het zoeken naar aanwijzingen in Jacobs’ werk die we direct kunnen gebruiken, in plaats van aan wie die toepassing van Jacobs’ werk ten goede komt. Zoals Zukin (2009) ons echter laat zien, is ook Jacobs’ visie op de stad, net als die van Moses, plaatsgebonden en gekoppeld aan een bepaalde ideologie. Een goede manier om dat beter te begrijpen is door het stellen van simpele vragen als ‘wiens ogen op straat?’ en ‘functiemenging van wat?’. Dit helpt ook in te zien dat de strijd tussen Moses en Jacobs minder zwart-wit is dan deze vaak lijkt en er over tien jaar wellicht weer een andere interpretatie van overheerst. Vooral gezien de verschillen tussen de ontwikkeling van westerse en bijvoorbeeld Aziatische steden en het voortdurende belang van nieuwbouwwijken, is dan ook de vraag of we een kant moeten kiezen of dat het juist die verschillende visies op de stad samen zijn die ons verder kunnen helpen richting een levendige stad voor iedereen.

Dit artikel verscheen in Rooilijn, 2018, jaargang 51, nummer 1, pp. 26-33

Author profile
Irene werkt als onderzoeker 'Vernieuwing in publieksparticipatie' bij Urban Futures Studio

Literatuur

Berg, van den M. (2016) ‘The discursive uses of Jane Jacobs for the genderfying city: Understanding the productions of space for post-Fordist gender notions’, Urban Studies, voorpublicatie, 6 december 2016, p. 1-16

Berg, van den, M. (2012) ‘Femininity as a City Marketing Strategy: Gender Bending Rotterdam’, Urban Studies, jg. 49, nr. 1, p. 153-168

Gans, H. (1962) ‘Urban Vitality and the Fallacy of Physical Determism’, H. Gans, People and Plans: Essays on Urban Problems and Solutions, p. 25 -33, Basic Books, New York

Hackworth, J. (2002) ‘Post-recession gentrication in New York City’, Urban Affairs Review, nr. 37: p. 815–43

Harding A. & T. Blokland (2014) Urban Theory: A Critical Introduction to Power, Cities and Urbanism in the 21st
Century, Sage, London

Harvey, D. (1989) ‘From Managerialism to Entrepreneurialism: The Transformation in Urban Governance in Late Capitalism’, Geografiska Annaler. Series
B. Human Geography, nr. 1, p. 3-17

Jacobs, J. (1961) The Death and Life of Great American Cities, Random House, New York

Lyes, M. (2014) ‘Jane Jacobs & Sharon Zukin: Gentrification and the Jacobs Legacy’, Dirk Schubert, Contemporary Perspectives on Jane Jacobs, Ashgate, Surrey, p. 71-83

Smith, N. (2007) Beyond Moses and Jacobs, www.planetizen.com/node/26278, 13-08-2007

Zukin, S. (2009) Naked City: The Death and Life of Authentic Urban Places, Oxford University Press, New York

Author profile
Irene werkt als onderzoeker 'Vernieuwing in publieksparticipatie' bij Urban Futures Studio
Artikel gegevens:

15 april 2018

De tekst en tabellen in deze bijdrage zijn gepubliceerd onder een CC-BY-SA-ND licentie. Voor hergebruik van foto’s en illustraties dient u contact op te nemen met Rooilijn.
Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.