Met hernieuwde ambitie

2 oktober 2017

Vier jaar geleden vond met bestuurders en een hoofd ruimtelijke ontwikkeling een rondetafelgesprek plaats over de toekomst van Nieuwe Steden. Het gesprek leidde tot het artikel Dé nieuwe stad bestaat niet meer (Vrolijk, 2012). Het verschijnen van dit themanummer van Rooilijn biedt een mooie aanleiding voor een nieuw gesprek met bestuurlijke vertegenwoordigers van nieuwe steden. Ditmaal werd gesproken met wethouders Herman Geerdes (Houten), Taco Kuiper (Zoetermeer), Jan Willem Mijnans (Spijkenisse/Nissewaard) en Tjeerd Herrema (Almere). Stella Balikçi en Jeroen Scholten boden ondersteuning bij de interviews en de totstandkoming van dit artikel.

Volwassen worden

Almere, centrumontwikkeling rondom het Weerwater

Almere, centrumontwikkeling rondom het Weerwater

Vier jaar geleden waren de deelnemers de wethouders van Almere en Zoetermeer, de burgemeester van Spijkenisse en het hoofd ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Nieuwegein. Arnold Reijndorp en Jaap Modder schoven toen eveneens aan. Een viertal vraagstukken kwam in dat gesprek ter tafel: Moeten groeikernen als een voltooid project gezien worden? Wat zijn de posities van groeikernen in de verschillende metropoolregio’s? Met welke specifieke problemen kampen deze steden en hoe ziet hun toekomst er over 30 jaar uit? Omdat de ontwikkelingen op economisch, ruimtelijk en politiek gebied sindsdien zijn veranderd of zullen gaan veranderen, zoals met de aanstaande Omgevingswet, is een herhaalde interviewronde op zijn plaats. Het herhaalde gesprek aan de hand van ongewijzigde thema’s zou zomaar het begin van een bescheiden traditie kunnen zijn waarbij bestuurders elke vier jaar worden bevraagd op de status en ontwikkeling van hun jonge steden.

Een nieuwe groeiperiode

Sinds het jaar waarin Prins Willem Alexander tot koning werd gehuldigd en participatiesamenleving het woord van het jaar was, is er veel veranderd. Het grootste verschil tussen 2013 en 2017 ligt in de algemene economische conditie van Nederland. Vier jaar geleden zuchtte het land nog onder de gevolgen van de financiële crisis en waren de groeiperspectieven dun en onzeker. Ook op het gebied van woningbouw en ruimtelijke ontwikkeling was iedereen op zoek naar houvast en nieuwe wegen. Zelfbouw, particulier opdrachtgeverschap, beide direct gerelateerd aan de genoemde participatiesamenleving, vormden concrete lichtpuntjes. Velen waardeerden de ambivalente situatie waarin de bouwstress en massaproductie hadden plaats gemaakt voor kleinschaligheid en reflectie op nieuwe modellen en mogelijkheden.

Zoetermeer, vernieuwing van de hoogbouwwijk Palenstein

Zoetermeer, vernieuwing van de hoogbouwwijk Palenstein

Maar de relatieve rust en reflectie zijn inmiddels weer naar de achtergrond gedrongen en op veel vlakken zijn we weer terug op het niveau van voor de crisis waarbij bekende routines gericht op pragmatisch en snel bouwen in plaats van kleinschalige projecten weer zichtbaar worden. De populariteit van en druk op grote steden, gecombineerd met een majeure woningbouwopgave van bijna een miljoen woningen in de komende 10 jaar, heeft de praktijk en discussie over steden en stedelijke regio’s in haar greep. De directe gevolgen voor steden en het debat over de vorm en locatie van nieuwe woonlocaties richten zich, bijna vanzelfsprekend, op de Randstedelijke regio’s die te maken hebben met de populariteit van grote steden. Dat omvat verschillende zegeningen van die ontwikkeling maar ook met negatieve gevolgen, zoals de explosief stijgende huizenprijzen én de exodus van starters en jonge gezinnen die het teweeg brengt. Bepaalde bewonersgroepen worden uit hun stedelijke habitat gedrukt wat associaties oproept met een nieuwe overloopperiode. De ogen richten zich, net als veertig jaar geleden, ook nu weer op buitenwijken en buurgemeenten, inmiddels aangevuld met Vinexwijken. Want daar ligt, alle stedelijke verdichtingsretoriek ten spijt, de spreekwoordelijke en letterlijke ruimte binnen de regio en op relatief korte afstand van de grote steden. Groot verschil met de situatie van een aantal decennia terug is natuurlijk wel dat deze voormalig jonge steden en groeikernen inmiddels een bepaald stedelijk profiel (sociaal, ruimtelijk en maatschappelijk) hebben ontwikkeld waarmee rekening moet worden gehouden. Bewoners roeren zich en bestuurders zijn gedwongen een positie te bepalen in de omgang met het DNA van deze steden en de vraagstukken en kansen die zich aandienen. De verschillen tussen de situatie vier jaar terug en nu laat zien dat een genuanceerde bestuurlijke positiebepaling bovendien een dynamisch karakter behoeft vanwege de steeds snellere impact en de grilligheid van politieke en economische veranderingen.

Zoetermeer, bouwplannen Palenstein

Zoetermeer, bouwplannen Palenstein

De drie gesprekken met vier wethouders werpen licht op de posities en kansen van de jonge steden in deze situatie. Waar vijf jaar geleden het verschijnen van de publicatie Atlas Nieuwe Steden: De verstedelijking van de groeikernen (Reijndorp e.a., 2012) en het PBL-rapport Nieuwe steden in de Randstad: Verstedelijking en suburbaniteit (Reijndorp e.a., 2012b) de aanleiding waren voor een gesprek, zijn het nu nog meer de meest recente ontwikkelingen op de woningmarkt, politieke besluitvormingsprocessen en strategische positionering die de gesprekken kleuren. De wethouders tonen een zeer actieve modus wat betreft het onderzoeken van en reageren op ontwikkelingen op het woningaanbod, economische positie, bereikbaarheid en algemene profilering van hun steden. Dat omvat zowel de vraag en opgave vanuit de eigen stad, maar ook de gekoppelde opgave van omliggende steden en regio’s. De constante ondertoon is die van strategisch handelen, scherpe realiteitszin, anticiperend denken en effectief reageren, zoals Wethouder Herrema van Almere aangeeft: “Het is van groot belang dat het steeds completere Almere blijft bewegen en blijft ontwikkelen in reactie op een evenzo beweeglijke context.

Houten, nieuwe stadsvisie met inspraak van 1200 inwoners

Houten, nieuwe stadsvisie met inspraak van 1200 inwoners

Hier omvat dat bijvoorbeeld de overloop uit Amsterdam naar het populaire Almere Duin, maar ook de verbeterde infrastructuur die de stad beter bereikbaar maakt of de uitbreiding van Lelystad Airport.” Ook Geerdes (Houten) beaamt de noodzaak van strategisch vooruitdenken, waarbij zowel de opgave binnen de bestaande stad als de regionale ontwikkeling een rol spelen. Het betrekken van de bevolking over verwachtingen is onderdeel van het proces. Zoals Geerdes zelf toelicht: “We zijn kort geleden gestart met een nieuwe stedenbouwkundige verkenning over de verdere groei van Houten. Daarbij raadplegen we ook bewoners. Die geven duidelijk een wens tot verdere ontwikkeling aan en dat mag ook best buiten de huidige contouren van de stad. De feitelijke boodschap is: kom niet stil te staan en vergrijs niet te veel.”

Sociaaleconomische verschillen

Met deze beide uitspraken worden direct ook een aantal de verschillen tussen de vier steden geaccentueerd. Die komen voort uit zowel de oorspronkelijke stedelijke structuren en ruimtelijke keuzes die bij de aanleg en verdere uitbouw van de steden gemaakt zijn, maar ook uit de ontwikkelingen op sociaal en economisch gebied omdat de steden en hun omgeving deels een verschillend traject hebben doorlopen. Waar Houten profiteert van en goed scoort met een hoogopgeleide bevolking, een economisch gezonde positie en een ruimtelijke kwaliteit die gewaardeerd wordt door een gemiddeld hoogopgeleide bevolking liggen de accenten bij de andere steden elders. In Zoetermeer is recentelijk besloten om de komende 15 jaar binnen de bestaande stadgrenzen 10.000 woningen bij te bouwen. Wethouder Kuiper: “Dat vullen we in door de transformatie van kantoorpanden en bedrijventerreinen naar woonbestemmingen. Maar ook met verdichting in de stad door meer hoogbouw met appartementen bij OV-knooppunten te plannen. We letten daarbij speciaal op kleinere appartementen die voor ouderen aantrekkelijk zijn. Zo hopen we het vergrijzende deel van de bevolking te kunnen verleiden om hier te blijven in mooie appartementen met de winkels en de Randstadrail om de hoek. De zo vrijkomende eengezinswoningen kunnen dan weer gebruikt worden voor hun kinderen en kleinkinderen. Op die manier proberen we Zoetermeer als jonge stad te ontwikkelen naar een complete stad met een goede balans.”

Ook in Spijkenisse, onderdeel van de gemeente Nisserwaard, is de gemeente bezig om de positie als complete of complementaire stad in een bredere regionale context verder in te vullen. Wethouder Mijnans ligt toe dat Spijkenisse: “ooit gegroeid is als gevolg van het overloopbeleid vanuit Rotterdam. Er is dus een connectie die zich vooral bij oudere inwoners uit. Die band tussen die beide steden zal natuurlijk altijd blijven bestaan. Inwoners van Spijkenisse gaan voor bepaalde zaken vanzelfsprekend naar Rotterdam, maar er is wel een verschuiving zichtbaar. Vooral ook bij jongere generaties die hier zijn geboren. Mijn kinderen zeggen vaak ‘we gaan naar het dorp’ en daarmee bedoelen ze het kerncentrum van Spijkenisse.” Toch heeft Spijkenisse zich de afgelopen jaren ingespannen om completer te worden. Deels ook vanwege de herhaald lage score van de stad in de Atlas voor gemeenten. Mijnans: “Die twee nieuwe culturele iconen, de bibliotheek en het theater, zijn het directe resultaat van die atlas. We hebben gevraagd waarom we zo laag staan en het antwoord duidde in de richting van een schraal cultureel verleden. Wij hebben toen besloten om dan maar een culturele toekomst te gaan maken.”

Spijkenisse centrum (ontwerp: PPHP architecten, foto: Scagliola Brakkee Fotografie)

Spijkenisse centrum (ontwerp: PPHP architecten, foto: Scagliola Brakkee Fotografie)

Doorontwikkelen op eigen inwoners

In dit aspect klinkt een lichte echo van de New Town Blues door die Spijkenisse en andere jonge steden al langer parten speelt. Hoewel het chagrijn daarover vrijwel afwezig is in de gesprekken, speelt het imago en het veranderen daarvan bij een aantal steden wel degelijk een rol van betekenis. Net als Spijkenisse heeft ook Almere de afgelopen jaren nieuwe en kostbare onderkomens voor theater en bibliotheek gebouwd. En ook daar speelde de wens om een complete stad te zijn een rol, gecombineerd met de verwachting dat de voorzieningen ook publiek uit de omgeving van de stad zouden kunnen trekken. Herrema stelt nu nuchter vast dat met nieuwbouw weliswaar ruimtelijke condities zijn geschapen, maar dat het ontstaan van een culturele basis vooral tijd nodig heeft. Herrema: “Ons ontbreekt het nog teveel aan notabelen, aan een hogere middenklasse en aan ondernemers die zelf een instituut oprichten en dat ook dragen. Alleen dan krijg je de variatie, het draagvlak, programma’s en broedplaatsen waar plek is voor experimenten en het opzoeken van grenzen. Dat kan een overheid natuurlijk wel stimuleren, maar niet organiseren. Diezelfde nog ontbrekende groep ondernemers kan overigens ook aan de basis staan van een zwembad of andere functie. Het gaat om een mentaliteit die zich hier nog meer moet manifesteren en moet aarden.”

Spijkenisse, bibliotheek (ontwerp: MVRDV architecten, foto:Jeroen Musch)

Spijkenisse, bibliotheek (ontwerp: MVRDV architecten, foto:Jeroen Musch)

Dat experiment en het opzoeken van grenzen goed samen gaan heeft Almere al vaker bewezen op het gebied van woningbouw en architectuur. Meeste recente loot van die ontwikkeling zijn de organische gebiedsontwikkeling in Oosterwold en de duurzame ambities achter de Floriade en de navolgende woonwijk. Herrema bevestigt daarmee dat wonen en het beantwoorden van een (markt-)vraag op dat gebied nog steeds het voornaamste raison d’être van deze steden zijn. Kuiper ziet de woonidentiteit ook als richtsnoer voor de toekomst: “Wij hebben onszelf de vraag gesteld wat de woonbehoefte is van de Zoetermeerse bevolking die hier nu woont. Uit onderzoek bleek dat er behoefte is aan 700 nieuwe woningen per jaar voor de eigen bewoners. We weten ook in welke prijsklasse die behoefte zit. Dat vind ik uitgaan van de eigen identiteit en de eigen behoefte. We gaan niet Den Haag imiteren.”

Wooncomfort als drijfveer

Juist met het element wonen tonen de steden ook hun toegevoegde en complementaire betekenis. Voor de ontwikkeling van de verdere diversiteit van de jonge steden zelf en in relatie tot de ontwikkelingen op de regionale en nationale woningmarkt. Geerdes: “Complementariteit is inderdaad een woord dat vaak terugkomt. We kijken in de regio wie welk woonmilieu heeft en welke behoefte er is. Dat is soms al vanuit het verleden gevormd.” Herrema: “Woningen en wijken zijn bij uitstek plekken waar vormgegeven kan worden aan het experiment, aan het zoeken naar oplossingen voor vraagstukken over duurzaamheid en circulaire economie. Het gaat daarbij om zaken als collectiviteit en het vormen van een community. Zaken die de betekenis en context van onze stad ver overstijgen. Het voordeel van jonge steden is dat die bij uitstek ruimte en flexibiliteit hebben om dit soort zaken te onderzoeken en mee te experimenteren. Naar mijn mening moeten we er naar streven om met elke wijk iets toe te voegen aan de stad, zonder te vervallen in fragmentatie. Wonen is belangrijker dan de stad.”

Het zijn dit soort signalen die duiden op een bepaalde acceptatie van de suburbane conditie, die verdere verstedelijking overigens niet uitsluit. Het duidt op een vorm van stedelijkheid die een ambivalent karakter heeft en daaraan een positieve betekenis ontleent. Terugkerende kernwoorden zijn aanpassing, flexibiliteit en variatie. Dat betekent niet dat deze steden niet worstelen met suburbane kwalen zoals omvangrijk en kostbaar onderhoud en het beheer van de overdadig aangelegde groene openbare ruimte. Maar ook transformatie en (bijbehorende) verduurzaming blijven hoog op de agenda staan. Mijnans: “Met de woningcorporatie Maasdelta hebben we al een herstructurering achter de rug in een wijk uit de jaren 50-60. Daarbij wordt gesloopt en komt er nieuwbouw. We worstelen bij de bestaande woningvoorraad ook met verduurzaming. Hoe pak je dat aan? We staan nu met Maasdelta aan de vooravond van een herstructureringsplan voor een hoogbouwwijk waar we 688 woningen, met name sociale woningen, zullen gaan slopen en daar circa 400 gedifferentieerde woningen terug gaan bouwen.”

Volwassen worden

Er zijn ook nog andere overeenkomsten. Dat dé jonge stad niet bestaat stelden de bestuurders vier jaar gelden ook al vast. Ook nu is die conclusie eensluidend met de toevoeging dat de steden niet meer nieuw zijn maar eerder jong en tijd nodig hebben om volwassen te worden. De meest belangrijke overeenkomst is zonder twijfel de gedeelde ruimtelijke erfenis die de steden met elkaar delen. Daarmee moet elk van de steden in de huidige marktontwikkelingen mee om weten te gaan. Kuiper: “Voor mijn gevoel zijn we niet uitontwikkeld, maar zijn veel van de oorspronkelijke verwachtingen al wel ingelost. Bewoners van Zoetermeer laten herhaald blijken heel tevreden te zijn over hun woning en woonomgeving. Dat is dus een compliment voor en bevestiging van de uitgangspunten die deze stad gevormd hebben. Die bedachte en ontworpen kwaliteit scoort dus nog steeds. In die zin zijn de verwachtingen ingelost maar tegelijkertijd is de stad nog volop in ontwikkeling. Maar niet meer in de zin van de uitbreiding van de oppervlakte maar met binnenstedelijke ontwikkeling, transformatie en gedeeltelijke verdichting.” Ook Mijnans herkent zich in dat beeld: “Spijkenisse stamt uit een periode waarin heel veel eengezinswoningen goedkoop werden gebouwd. Daar hebben we er dus veel van. Met dat gegeven moet je leren omgaan. Het is de kunst om meer variatie in een historisch gegroeide, te eenzijdige woningvoorraad aan te brengen. Niet omdat eengezinswoningen uit die periode qua levensduur zijn afgeschreven. Maar omdat het belangrijk is dat een complete stad voldoende diversiteit heeft met mensen uit verschillende sociale groepen. Ik vind dat je een wooncarrière moet kunnen maken in je eigen stad. Je moet iedereen kunnen bedienen.” In Houten stelt Geerdes vast: “Ik denk dat je je altijd tot je afkomst als nieuwe stad blijft verhouden. Het kleurt de demografische ontwikkeling en die blijft generaties lang van invloed op voorzieningsniveaus en hoe je omgaat met ontwikkelingsopgaven. Een aantal jaar geleden hebben we bij onze strategische visie geformuleerd dat we voortbouwen op ons DNA. Daaruit spreekt zowel acceptatie, trots als een visie voor de toekomst.

 

Author profile
JaapJan is zelfstandig publicist en researcher bij het International New Town Institute.

Literatuur

Reijndorp, A., L. Bijlsma, & I. Nio (2012) Atlas nieuwe steden: de verstedelijking van de groeikernen, Trancity/ Valiz: Haarlem/Amsterdam

Reijndorp, A., L. Bijlsma, I. Nio & R. van der Wouden (2012b) Nieuwe steden in de Randstad: verstedelijking en suburbaniteit, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Den Haag

Vrolijk, D. (2013) ‘Dé nieuwe stad bestaat niet meer’, Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening, nr. 02, p. 12-17

Author profile
JaapJan is zelfstandig publicist en researcher bij het International New Town Institute.
Artikel gegevens:
Auteur(s):JaapJan Berg

2 oktober 2017

De tekst en tabellen in deze bijdrage zijn gepubliceerd onder een CC-BY-SA-ND licentie. Voor hergebruik van foto’s en illustraties dient u contact op te nemen met Rooilijn.
Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Meer lezen