Op zoek naar vrije ruimte in Londen, Gent en Berlijn

Tempelhof, Berlijn (foto: Karin de Nijs)

In een tijd waarin de woningnood hoog is en verdichting dé manier waarop stadsontwikkeling plaats vindt, zoekt Amsterdam manieren om ‘vrije ruimte’ in de stad te beschermen. Waar komt deze ambitie vandaan? En welke vorm van beleid is passend voor vrije ruimte, terwijl overheidssturing hier juist zo veel mogelijk afwezig is? Andere Europese steden kunnen inspiratie bieden om tot nieuw instrumentarium te komen. In dit artikel schetsen we hoe Londen, Gent en Berlijn omgaan met vrije ruimte en formuleren we enkele lessen voor Amsterdam en andere steden waar dit vraagstuk speelt.

Amsterdam is uniek vanwege haar traditie van tegencultuur, aldus het stadsbestuur in het coalitieakkoord uit 2018. Tegelijkertijd wordt vastgesteld dat deze onder druk staat door de commercialisering en verdichting van de stad. Daarom stelt het stadsbestuur voor rafelranden beter te gaan beschermen en nieuwe ‘vrije ruimte’ beschikbaar te stellen. Met vrije ruimte wordt enerzijds op fysieke plekken gedoeld, van braakliggende terreinen tot leegstaande panden, waar ruimte is voor allerlei functies en initiatieven die van onderop ontstaan zoals voedselproductie, kunst, cultuur, wonen en werken. Anderzijds zijn het plekken met een meer politieke, immateriële betekenis: ruimte die vrij is van overheidssturing en marktwerking, waar burgers hun leven naar eigen inzicht kunnen inrichten en experimenten plaatsvinden om daarmee vernieuwing te stimuleren (Gemeente Amsterdam, 2019).

Vrije ruimte in Amsterdam

Vrije ruimte was eerder onderwerp van politiek debat in Amsterdam. Medio jaren ’90 waren er zorgen over de vele ontruimingen van vrijplaatsen die vanuit de kraakbeweging waren opgezet. Als antwoord hierop introduceerde het stadsbestuur in 1998 het broedplaatsenbeleid, dat direct omstreden was (Breek & De Graad, 2001). Ruim twintig jaar later is het debat rondom vrije ruimte terug. De urgentie is misschien wel groter dan ooit tevoren. Van studenten tot expats en toeristen: iedereen lijkt in de stad te willen zijn, met als gevolg een enorme druk op de ruimte (Milikowski, 2018). Vastgoedprijzen stijgen tot ongekende hoogten, kleinschalige ondernemers, ambachtslieden en kunstenaars worden naar de randen van de stad en metropoolregio verdreven. In het vacuüm van de economische crisis van enkele jaren geleden probeerden stedelingen nog via eigen initiatieven, van stadslandbouw tot buurthuizen in zelfbeheer, grip te krijgen op de kwaliteit van hun omgeving. Nu rommelige stadsranden steeds vaker worden gezien als gunstige bouwlocaties en stedelingen hun positie in het publiek domein weer lijken te verliezen, ontstaat weerstand.

Daarmee rijst met het vraagstuk van vrije ruimte ook de vraag van wie de stad is en of er alternatieven zijn voor de huidige meer marktgerichte stadsontwikkeling. Amsterdam wil hierop gaan sturen met nieuw beleid. Een verkenning van hoe in enkele nabijgelegen steden vrije ruimten tot stand komen, kan hierbij inspiratie geven. Londen, Gent en Berlijn zijn daarbij interessante casussen omdat ze stadsbesturen kennen die vanuit heel verschillende invalshoeken met het vraagstuk van vrije ruimte omgaan. Om een beeld hiervan te krijgen, is een groot aantal beleidsdocumenten, wetenschappelijke artikelen en andere publicaties geanalyseerd. Daarnaast is in elk van de drie steden een aantal ambtenaren, ruimtegebruikers en onderzoekers geïnterviewd en zijn negen ‘vrije ruimte’-locaties bezocht.

Londen: ruimte voor de markt

In Londen moet het beleid voor vrije ruimte van het laatste decennium begrepen worden binnen de context van bezuinigingen, privatisering en focus op eigen kracht van burgers. Doordat budgetten voor ruimtelijke planning en ontwikkeling sinds 2011 meer dan gehalveerd zijn, kampen lokale overheden met grote financiële tekorten (Corfield, 2019). Mede als gevolg hiervan worden in Londen jaarlijks ruim tweehonderd gebouwen in publiek eigendom op de markt gezet en verkocht (Locality, 2018). Community Asset Transfer (CAT) is een alternatieve strategie waarbij publiek vastgoed wordt verkocht of voor minimaal 25 jaar in lease wordt gegeven tegen een niet-marktconform tarief. In ruil hiervoor wordt een maatschappelijke functie verwacht die aansluiten op lokale behoeften en beleidsdoelstellingen.

Een voorbeeld van CAT is te vinden in het Zuid-Londense Croydon. Bewonersgroep The Stanley People’s Initiative least hier sinds 2015 een monumentaal theatergebouw voor een termijn van 35 jaar. Hier gingen een tenderprocedure – waarbij ook private partijen konden meedoen – en twee jaar onderhandelen over contractuele voorwaarden aan vooraf. De drempel voor deelname is hiermee erg hoog: alleen bewonersgroepen met veel professionele kennis, tijd en de juiste connecties maken een kans in een dergelijk proces. Wel biedt CAT een behoorlijke mate van autonomie. Via het leasecontract worden enkele eisen gesteld, zoals dat ten minste zestig procent van de verhuur van het gebouw ten goede moet komen aan buurtorganisaties of bewoners. Na een aantal jaren waarin de groep heeft laten zien aan deze eis te voldoen is er nu sprake van vertrouwen en wordt niet langer gehandhaafd.

Naast CAT wordt in Londen veel ingezet op tijdelijk ruimtegebruik. In 2009 startte het Ministry of Housing, Communities & Local Government het Meanwhile Project met als doel om tijdelijk gebruik van leegstaande panden te stimuleren door ruimte te bieden aan niet-commerciële functies. Het project werd al snel een zelfstandige organisatie die kon worden ingehuurd door overheden om tijdelijk leegstaande panden te vullen. Door bezuinigingen op de publieke sector moest de organisatie haar businessmodel herzien en haalt deze haar inkomsten nu bijna volledig uit verhuur – waarbij tarieven voor een deel marktconform zijn. De aandacht gaat daarbij vooral uit naar startende ondernemers waarvan wordt verwacht dat zij na de tijdelijke periode hun eigen broek kunnen ophouden.

Vrije ruimte in Londen lijkt daarmee vooral iets voor de happy few die in staat zijn om een goed plan en businessmodel te ontwikkelen en beschikken over voldoende kennis, tijd en de juiste netwerken. Hiermee werkt het beleid in Londen ongelijkheid in de hand en vormt het een schrikbeeld voor het Amsterdamse stadsbestuur, dat juist inclusiviteit als uitgangspunt stelt. Anderzijds kan inspiratie worden gehaald uit het ondernemerschap dat initiatieven en organisaties laten zien, waardoor zij relatief onafhankelijk van de overheid kunnen werken.

Stanley Halls, Londen (foto: Karin de Nijs)

Gent: sturen en loslaten

Waar in Londen marktwerking een bepalend mechanisme is voor vrije ruimte, neemt in Gent de lokale overheid een zeer actieve rol om ruimte voor initiatieven uit de stad te creëren. Sinds 2007 wordt tijdelijk ruimtegebruik ingezet als instrument om ongebruikte gebouwen en stukken grond te benutten en Gentenaars te betrekken bij de stad. Om dit mogelijk te maken biedt Gent initiatiefnemers veel online informatie, begeleiding via wijkregisseurs en buurtwerkers en financiële ondersteuning via subsidies en investeringen in het bruikbaar maken van grond en gebouwen.

In sommige gevallen stuurt Stad Gent bewust op een bepaald type invulling. Zo werd voor een leegstaande loods in de wijk Muide gericht gezocht naar een maakbedrijf dat ook een rol zou kunnen spelen in het activeren van andere loodsen in de wijk. In andere gevallen is sprake van een meer open uitvraag, zoals bij de invulling van De Meubelfabriek. Hier kon alles dat nuttig of aangenaam is voor de buurt zich aanmelden en was geen sprake van een formele selectie. Wel werd hier actief geprobeerd om de diversiteit van de wijk terug te laten komen in de tijdelijke invulling: niet door eisen te stellen maar door bestaande bewonersgroepen en lokale organisaties te betrekken.

Dit balanceren tussen sturen en loslaten is terug te zien in de manier waarop de coördinatie van de locaties wordt georganiseerd. Zo heeft Stad Gent bij De Meubelfabriek een professionele buurtwerker aangesteld met als doel om het inclusieve en buurtgerichte karakter van de plek te waarborgen. Voor initiatiefnemers is de meerwaarde van samenwerking met dergelijke professionals niet altijd evident. Dit zien we ook bij De Broederij. Een bewonersgroep nam hier het initiatief om de plek in gebruik te nemen. Stad Gent vreesde dat deze organisatie niet de gehele buurt zou kunnen betrekken en stelde een professionele buurtwerker aan, die in de ogen van de bewonersgroep juist te veel op afstand stond van de buurt. Later krijgt de bewonersgroep toch de beheerdersrol, waarbij zij worden verwacht een laagdrempelige, buurtgerichte plek te creëren.

De voorbeelden laten zien hoe de lokale overheid in Gent ruimtegebruik door initiatieven uit de stad zeer actief ondersteunt, maar soms moeite heeft om hen ook echt de ruimte te geven die zij zouden willen. Op elke locatie is tijd nodig om een vorm van partnerschap met initiatiefnemers te vinden waarbij de buurtgerichte functie en het inclusieve karakter worden verzekerd. Hoewel dit door sommige initiatiefnemers als beknellend wordt ervaren, maakt Gent het op deze manier wel mogelijk voor heel diverse groepen om mee te doen. Tijdelijk ruimtegebruik is in Gent bovendien geen doel op zich, maar vormt een instrument voor de aanpak van stedelijke uitdagingen als integratie en werkgelegenheid (Stad Gent, 2018). Dit verklaart waarom de stad soms voorwaarden stelt en bijstuurt.

De Meubelfabriek, Stad Gent (foto: Karin de Nijs)

Berlijn: coöperatieve aanpak

Berlijn staat bij velen bekend als dé stad van rafelranden en vrije ruimte. Hierbij speelt niet zo zeer bewust beleid, maar vooral de geschiedenis van de stad en het sterke activisme een belangrijke rol. In de jaren negentig waren er, na de val van de muur en het wegtrekken van industrie uit de stad, veel open ruimten en leegstaande gebouwen die door stedelingen in gebruik werden genomen. Hier ontstonden buurtmoestuinen, vlooienmarkten, technoclubs, expositieruimten en werkplekken. Sinds begin deze eeuw werd het succes van deze plekken ontdekt door beleidsmakers en politici en werden enkele maatregelen genomen om tijdelijk ruimtegebruik te versterken, zoals versimpeling van planologische procedures (Kompier & Cevaal, 2011) en formele toestemming van tijdelijke functies zo lang grond niet is verkocht (Berlin, 2005).

Toch staat vrije ruimte ook in Berlijn onder grote druk. Hierbij speelt het grondbeleid een belangrijke rol. Vanwege grote financiële tekorten van de deelstaat Berlijn had het grondbedrijf tot 2013 de opdracht om grond en vastgoed te verkopen aan de hoogste bieder. In reactie hierop wisten sommige collectieven zich te professionaliseren en met private investeerders een pand of terrein aan te kopen. Een voorbeeld is ExRotaprint in de wijk Wedding. Dit complex was in gebruik door kleinschalige bedrijven, kunstenaars en maatschappelijke organisaties toen het in 2005 plotseling te koop werd gezet. Door veel media-aandacht te genereren en een marktconform tarief te bieden wisten de gebruikers te voorkomen dat het werd verkocht aan een IJslandse investeerder. Nu het pand in hun eigendom is, is behoud van de ruimte op de lange termijn gewaarborgd.

Hoewel ExRotaprint een goed voorbeeld biedt van een autonome vrijplaats met een belangrijke functie voor de buurt, is het aankopen van een pand of terrein in de huidige Berlijnse markt voor niet-commerciële initiatieven vaak niet meer haalbaar. Net als in Amsterdam nam de druk op de ruimte in Berlijn de afgelopen jaren een vlucht: alleen al tussen 2017 en 2018 zijn de prijzen van bouwkavels met 20 procent gestegen (Boer, 2019). Burgers en lokale organisaties wenden zich nu vaker tot de overheid om samen in betaalbare ruimte voor culturele en maatschappelijke functies te voorzien.

Eén van de eerste projecten waarbij een dergelijk coöperatief model werd ontwikkeld is Tempelhof. Na de sluiting van dit vliegveld werd het terrein in eerste instantie tijdelijk opengesteld, waarbij ook ruimte kwam voor lokale initiatieven. Tegen plannen om het terrein te bebouwen ontstond grote weerstand, waarna in 2014 via een referendum werd bepaald dat het terrein in zijn huidige vorm wordt beschermd en behouden. Hierna hebben de Berlijnse deelstaat, de organisatie Grün Berlin en actieve burgers samen een ontwikkel- en beheerplan opgesteld en hun gedeelde betrokkenheid vastgelegd in een organisatie-en besluitvormingsmodel.

Dit coöperatieve samenwerkingsmodel kent een vrij formele structuur en is hiermee niet heel toegankelijk voor een breed publiek. Ook zijn er veel conflicten, wat waarschijnlijk te maken heeft met het feit dat de overheid en burgers ten tijde van het referendum lijnrecht tegenover elkaar stonden. Er is van beide kanten tijd nodig om vertrouwen op te bouwen. Wel zijn Berlijners er op deze manier in geslaagd om in een situatie van markt- en politieke druk, het terrein ook op de lange termijn voor de stad te behouden.

Tempelhof, Berlijn (foto: Karin de Nijs)

Lessen voor Amsterdam

De schets van Londen, Gent en Berlijn leert over verschillende beleidsaanpakken voor vrije ruimte, waarbij respectievelijk vooral de markt, overheid en de gemeenschap een bepalende rol heeft. Politieke voorkeuren spelen een rol in de keuze voor een bepaalde aanpak. Het Amsterdamse stadsbestuur kan hierin dan ook haar eigen zwaartepunt kiezen, waarbij rekening moet worden gehouden met de consequenties van elke aanpak zoals hierboven beschreven. Twee zaken moeten in ieder geval goed geregeld worden.

Ten eerste moet de gemeente, om in de huidige situatie van hoge marktdruk ruimte voor stedelingen te beschermen, een aantal plekken aanwijzen waar anders met principes van marktwerking wordt omgegaan. Vastgoed of stukken grond in bezit van de gemeente kunnen gemarkeerd worden als plekken waar initiatieven de tijd krijgen om zich te ontplooien. Los van de vorm waarin deze plekken dan beschikbaar worden, is het van belang om de inzet van publieke middelen hiervoor te kunnen verantwoorden aan de stad. Gronduitgifte vormt, zeker ook in Amsterdam, een belangrijke inkomstenbron waarmee allerlei stedelijke voorzieningen worden bekostigd. Er moeten enkele criteria komen, liefst ook samen met initiatiefnemers, om het maatschappelijk rendement, in plaats van direct of indirect economisch rendement, beter te objectiveren. Na enige tijd kan dan geëvalueerd worden of de initiatieven inderdaad in staat zijn om maatschappelijke waarde toe te voegen.

Ten tweede is het van belang om te zoeken naar een goed model voor samenwerking tussen overheid en (potentiële) gebruikers van vrije ruimte, waardoor de beleidsdoelen worden bereikt zonder de locaties te veel van bovenaf aan te sturen. Vertrouwen speelt hierbij een cruciale rol. In situaties waar bijvoorbeeld eerder sprake was van een conflict, zoals bij Tempelhof het geval was, kan een formele structuur en enig geduld nodig zijn om partijen meer naar elkaar toe te laten komen. Londen en Gent bieden ook voorbeelden van meer informele vormen van samenwerking, waarbij meer ruimte aan de initiatiefnemers wordt geboden op het moment dat zij hun waarde en verantwoordelijkheid hebben bewezen. Daarbij blijft het naleven van meer primaire eisen zoals (brand)veiligheid, overlast en milieueffecten overigens wel een belangrijke, wettelijke taak van de overheid.

De contradictie dat een vorm van sturing en beleid nodig is om vrije ruimte te creëren blijft bestaan, juist omdat binnen de huidige druk op veel stedelijke gebieden het ontstaan en behoud van deze plekken niet vanzelfsprekend is. Politieke moed is nodig om stedelingen ook echt ‘vrije’ ruimte te bieden en te voorkomen dat deze plekken te veel dichtgeregeld worden.

Author profile
Karin is onderzoeker Coördinatie Grootstedelijke Vraagstukken aan de Hogeschool van Amsterdam en adviseur bij Stichting Placemakers.

Karin de Nijs is onderzoeker bij het lectoraat Coördinatie grootstedelijke vraagstukken en projectleider Lokale gebiedsontwikkeling bij BOOT. Met een achtergrond in sociale wetenschappen en urban studies is zij gefascineerd door de wisselwerking tussen mens en omgeving, geleefde en geplande stad. Ze combineert een analytische houding met een praktische instelling en staat graag met één been in de praktijk. Tijdens het afronden van haar onderzoeksmaster werkte Karin voor stichting CITIES waar ze betrokken was bij de opzet van een snelgroeiend bottom-up initiatief in Amsterdam-Noord. Bij de HvA werkt ze met name aan onderzoek gericht op ruimtelijke ontwikkeling via kleinschalige initiatieven en met betrokkenheid van bewoners/gebruikers (o.a. R-LINK).

Daarnaast ontwikkelt en begeleidt ze bij BOOT onderwijsprogramma’s waarbij studenten onderzoek uitvoeren of interventies ontwikkelen in opdracht van bv. de gemeente of corporaties. In dit kader heeft zij onder andere de ‘Kweekvijver voor Stadsvernieuwers’ opgezet, een interdisciplinair afstudeeratelier waarbij studenten werken aan opdrachten omtrent stedelijke vernieuwing in Amsterdam Nieuw-West.

Naast haar werkzaamheden bij de HvA werkt Karin ook voor Placemakers, een advies- en ontwerpstudio dat met betrokken werkt aan vernieuwende ideeën voor sociale en fysieke ontwikkeling van plekken.

Author profile
Stan is lector Coördinatie Grootstedelijke Vraagstukken aan de Hogeschool van Amsterdam (Speerpunt Urban Management).

Stan Majoor (s.j.h.majoor@hva.nl) is lector Coördinatie Grootstedelijke Vraagstukken en directeur van het Centre of Expertise Urban Governance and Social Innovation. Hij geeft leiding aan een onderzoeksprogramma over grootstedelijke vraagstukken in de Amsterdamse regio op het raakvlak van sociale, ruimtelijke, economische en bestuurlijke vragen. Daarnaast is hij geïnteresseerd in de spanning tussen innovatie en vernieuwing enerzijds en borging en consolidatie anderzijds in complexe organisaties. Financiering hiervoor wordt verkregen vanuit samenwerkingverbanden met stedelijke partners en via subsidies van SIA-RAAK en diverse EU-programma’s.

Binnen het Centre of Expertise Urban Governance and Social Innovation is hij verantwoordelijk voor de kennisagenda die gericht is op collaborative governance en het creëren van leeromgevingen. Samen met Frank Suurenbroek (lector Bouwtransformatie), leidt hij een van de thema's van het speerpunt: inclusieve gebiedsontwikkeling dat zich richt op verschillende ontwikkelingslocaties in de Amsterdamse metropoolregio en de uitdagingen deze meer sociaal en duurzaam inclusief te ontwikkelen. Majoor is daarnaast adviseur van het Projectmanagement Bureau van de gemeente Amsterdam, lid van de Maatschappijraad van de Amsterdamse woningcorporatie Stadgenoot, bestuurlid van het nationale Lectoratenplatform Stad en Wijk en bestuurlid van de Van Eesteren-Fluck en Van Lohuizen Stichting.

Tussen 2001 en 2015 was Majoor werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam als junior-onderzoeker, post-doc en universitair docent planologie. Tussen 2008 en 2012 was hij daar programmadirecteur van de bachelor Sociale geografie en Planning en bestuurslid van het College Sociale Wetenschappen. Majoor heeft internationale onderzoekservaring in de Verenigde Staten, Denemarken, Spanje, Hong Kong en Australië en publiceerde meer dan 20 peer reviewed artikelen en boekhoofdstukken en meer dan 50 professionele publicaties.

Literatuur

Gemeente Amsterdam (2019) Bestuursopdracht Vrije Ruimte, Plan van Aanpak, Amsterdam

Berlin (2005)Liegenschaftsfonds Berlin erhält durch Kompetenzerweiterung größeren Vermarktungsspielraum

Boer, J. (2019) ‘Private investeerders dragen kunstmetropool Berlijn’, Boekman, nr. 199, p. 38-41

Corfield , F. (2019)Why we need to properly fund planning departments

Kompier, V., & Cevaal, M. (2011) ‘Tijdelijk ruimtegebruik: kansen en onmogelijkheden’, Rooilijn, jg. 44, nr. 6, p. 440-447

Locality (2018)The great British sell off

Milikowski, F. (2018) Van wie is de stad: de strijd om Amsterdam, Atlas Contact, Amsterdam

Stad Gent (2018) Tijdelijke invullers maken de stad, Eindrapport REFILL, Stad Gent/Dienst Beleidsparticipatie, Gent

Author profile
Karin is onderzoeker Coördinatie Grootstedelijke Vraagstukken aan de Hogeschool van Amsterdam en adviseur bij Stichting Placemakers.

Karin de Nijs is onderzoeker bij het lectoraat Coördinatie grootstedelijke vraagstukken en projectleider Lokale gebiedsontwikkeling bij BOOT. Met een achtergrond in sociale wetenschappen en urban studies is zij gefascineerd door de wisselwerking tussen mens en omgeving, geleefde en geplande stad. Ze combineert een analytische houding met een praktische instelling en staat graag met één been in de praktijk. Tijdens het afronden van haar onderzoeksmaster werkte Karin voor stichting CITIES waar ze betrokken was bij de opzet van een snelgroeiend bottom-up initiatief in Amsterdam-Noord. Bij de HvA werkt ze met name aan onderzoek gericht op ruimtelijke ontwikkeling via kleinschalige initiatieven en met betrokkenheid van bewoners/gebruikers (o.a. R-LINK).

Daarnaast ontwikkelt en begeleidt ze bij BOOT onderwijsprogramma’s waarbij studenten onderzoek uitvoeren of interventies ontwikkelen in opdracht van bv. de gemeente of corporaties. In dit kader heeft zij onder andere de ‘Kweekvijver voor Stadsvernieuwers’ opgezet, een interdisciplinair afstudeeratelier waarbij studenten werken aan opdrachten omtrent stedelijke vernieuwing in Amsterdam Nieuw-West.

Naast haar werkzaamheden bij de HvA werkt Karin ook voor Placemakers, een advies- en ontwerpstudio dat met betrokken werkt aan vernieuwende ideeën voor sociale en fysieke ontwikkeling van plekken.

Author profile
Stan is lector Coördinatie Grootstedelijke Vraagstukken aan de Hogeschool van Amsterdam (Speerpunt Urban Management).

Stan Majoor (s.j.h.majoor@hva.nl) is lector Coördinatie Grootstedelijke Vraagstukken en directeur van het Centre of Expertise Urban Governance and Social Innovation. Hij geeft leiding aan een onderzoeksprogramma over grootstedelijke vraagstukken in de Amsterdamse regio op het raakvlak van sociale, ruimtelijke, economische en bestuurlijke vragen. Daarnaast is hij geïnteresseerd in de spanning tussen innovatie en vernieuwing enerzijds en borging en consolidatie anderzijds in complexe organisaties. Financiering hiervoor wordt verkregen vanuit samenwerkingverbanden met stedelijke partners en via subsidies van SIA-RAAK en diverse EU-programma’s.

Binnen het Centre of Expertise Urban Governance and Social Innovation is hij verantwoordelijk voor de kennisagenda die gericht is op collaborative governance en het creëren van leeromgevingen. Samen met Frank Suurenbroek (lector Bouwtransformatie), leidt hij een van de thema's van het speerpunt: inclusieve gebiedsontwikkeling dat zich richt op verschillende ontwikkelingslocaties in de Amsterdamse metropoolregio en de uitdagingen deze meer sociaal en duurzaam inclusief te ontwikkelen. Majoor is daarnaast adviseur van het Projectmanagement Bureau van de gemeente Amsterdam, lid van de Maatschappijraad van de Amsterdamse woningcorporatie Stadgenoot, bestuurlid van het nationale Lectoratenplatform Stad en Wijk en bestuurlid van de Van Eesteren-Fluck en Van Lohuizen Stichting.

Tussen 2001 en 2015 was Majoor werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam als junior-onderzoeker, post-doc en universitair docent planologie. Tussen 2008 en 2012 was hij daar programmadirecteur van de bachelor Sociale geografie en Planning en bestuurslid van het College Sociale Wetenschappen. Majoor heeft internationale onderzoekservaring in de Verenigde Staten, Denemarken, Spanje, Hong Kong en Australië en publiceerde meer dan 20 peer reviewed artikelen en boekhoofdstukken en meer dan 50 professionele publicaties.

Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *