Subjectieve leefbaarheid: een nieuwe meetmethode getest

Een leefomgeving die objectief te meten is en door alle bewoners als leefbaar wordt ervaren is een ideaalbeeld dat sterk doorklinkt in het beleidsdiscours. Dit artikel plaatst echter kritische kanttekeningen bij de manier waarop leefbaarheid tot nu toe gemonitord wordt. Een kwantitatieve analyse laat zien dat leefbaarheid een uiterst diffuus en multi-interpretabel begrip is. Beleid zou zich niet alleen moeten richten op het meten van tevredenheid van inwoners over de leefomgeving, maar ook op het belang dat bewoners hechten aan bepaalde leefbaarheidsindicatoren.

Het concept leefbaarheid heeft in de afgelopen decennia de nodige wetenschappelijke en maatschappelijke aandacht gehad. Het idee dat een goede levenskwaliteit niet alleen afhangt van een goede gezondheid, maar ook van een prettige leefomgeving maakt dat veel beleidsmakers actief beleid zijn gaan voeren ter verbetering van de algemene leefbaarheid van een stad of dorp (Van Kamp e.a., 2003). Hoewel er veel definities van leefbaarheid in omloop zijn, is de definitie die door Leidelmeijer e.a. (2008) is opgesteld één van de meest gangbare. Zij beargumenteren dat de perceptie van leefbaarheid, die zowel positief als negatief kan zijn, het resultaat is van de mate waarin de directe en fysieke leefomgeving aansluit bij de wensen, idealen en behoeften van het individu.

De goede verstaander herkent al snel waarom beleidsmakers zo graag met dit begrip werken. De directe en fysieke leefomgeving komt over als iets dat objectief en in tastbare vorm aanwezig is en kan daardoor relatief eenvoudig gemeten en vervolgens aangepast worden aan de wensen van de bewoners. Op deze manier kan de levenskwaliteit van bewoners op een vrij directe manier van een positieve impuls voorzien worden. Het verbeteren van de levenskwaliteit door het promoten van een gezondere levensstijl daarentegen, is vaak veel lastiger te realiseren. Toch komen er bij het operationeel maken van het begrip leefbaarheid de nodige beperkingen aan het licht. De wensen, idealen en behoeften die mensen hebben ten opzichte van hun directe leefomgeving verschillen van persoon tot persoon en worden be.nvloed door een veelheid aan sociale en psychologische factoren. Dit maakt het concept van leefbaarheid uiterst diffuus. Het bevorderen van de algemene leefbaarheid is dan ook een lastige opgave, omdat het niet zozeer om de objectieve en tastbaar aanwezige leefomgeving gaat, maar vooral om de subjectieve beleving hiervan (Diener & Suh, 1997).

Met het subjectieve deel van leefbaarheid is in veel meetmethoden geen of in beperkte mate rekening gehouden. De meest bekende is de Leefbaarometer (zie www.leefbaarometer.nl). Deze leefbaarheidsmonitor gebruikt nagenoeg alleen objectieve indicatoren om een schatting van de leefbaarheid te maken. Dit terwijl Van Kamp en Leidelmeijer (2003; p. 71) hebben aangegeven dat het gebruik van subjectieve indicatoren “noodzaak [is] om inzicht te krijgen in het welzijn en de tevredenheid van mensen zelf” en eveneens om “inzicht te krijgen in wat mensen belangrijk vinden”. Een methode die tegemoet komt aan deze twee veronderstellingen en inzicht geeft in hoe verschillende demografische groepen hun leefomgeving evalueren in termen van leefbaarheid, is ontwikkeld door Namazi-Rad (2012). Deze methode vraagt respondenten niet alleen naar hun tevredenheid ten opzichte van een aantal leefbaarheidsindicatoren, maar vraagt hen tevens die indicatoren te rangschikken op basis van belangrijkheid. Het gaat er dan om welke indicator zij het meest belangrijk vinden voor een aangename leefomgeving. Zodoende wordt er een weging gegeven aan de leefbaarheidsindicatoren en hebben de indicatoren met een hoog belangrijkheidsgehalte meer invloed op de totale leefbaarheidsscore dan de indicatoren die als minder belangrijk worden ervaren. Immers, inwoners van een bepaald gebied kunnen bijvoorbeeld weinig tevreden zijn over het openbaar vervoer in hun regio. Als ze hier tegelijkertijd een lage belangrijkheid aan toekennen, heeft de negatieve beoordeling weinig invloed op de totaalscore van leefbaarheid. De totaalscore is op deze manier een betrouwbaardere en accuratere weergave van de algemene leefbaarheid dan wanneer de verschillende indicatoren niet gewogen zouden worden. Hoe tevreden en hoe belangrijk mensen verschillende leefbaarheidsindicatoren vinden is afhankelijk van een aantal sociale en psychologische factoren. Zo beargumenteren Ruth en Franklin (2014) dat gedurende hun levensloop, mensen verschillende behoeften ontwikkelen ten aanzien van de leefomgeving. Daarmee is de perceptie van leefbaarheid een process dat zich aanpast aan de wensen, idealen en behoeften die horen bij het bereiken van een nieuwe levensfase. Daarnaast pleiten deze onderzoekers dat de perceptie van leefbaarheid ook gekenmerkt wordt door een ruimtelijke spreiding. Door een uitsorteringseffect wonen mensen met min of meer dezelfde wensen, idealen en behoeften ten opzichte van de leefomgeving in dezelfde type woonomgeving. De leefbaarheidsindicatoren die als belangrijk worden ervaren kunnen dus verschillen per regio of woonplaats.

De Namazi-Rad-methode wordt geïllustreerd aan de hand van de door Ruth en Franklin genoemde factoren. Op deze wijze wordt inzichtelijk gemaakt hoe verschillende leeftijds- en geografische groepen de leefbaarheid van hun leefomgeving waarderen en hoe deze is opgebouwd uit verschillende scores voor tevredenheid en belangrijkheid. De verwachting is dat er naast verschillen in de tevredenheidsscores ook verschillen in de rangschikking van de leefbaarheidsindicatoren naar voren komen. Verschillende grafieken en tabellen worden gepresenteerd om de subjectiviteit van het begrip leefbaarheid beter zichtbaar te maken en eveneens om het relatieve belang van zowel tevredenheid als belangrijkheid aan te tonen.

Fries burgerpanel

De respondenten in dit onderzoek zijn geworven vanuit het zogenoemde Fries Burgerpanel. Inwoners van de provincie Friesland kunnen zich vrijwillig aanmelden voor dit panel en worden eens in de zoveel tijd uitgenodigd een online enquête in te vullen over een actueel maatschappelijk thema. Uiteindelijk hebben 896 Friezen de leefbaarheidsenquête ingevuld. De kern van de enquête bestaat uit vragen overgenomen vanuit het Namazi-Radartikel, al zijn enkele vragen aangepast aan de context van Friesland. In navolging van de originele methode zijn de dertig vragen onderverdeeld in zeven leefbaarheidsindicatoren: werk, buurt, vrije tijd, participatie, huis, transport en voorzieningen. Vervolgens werd de respondenten gevraagd deze indicatoren te rangschikken op basis van belangrijkheid. Door de gemiddelde tevredenheidsscore per leefbaarheidsindicator, op een schaal van één (zeer ontevreden) tot en met vijf (heel tevreden), te vermenigvuldigen met de rangorde, hebben wij een totale leefbaarheidsscore berekend. Door deze score vervolgens te delen door 140 (de maximaal haalbare score op basis van deze methode), hebben wij de score voor totale leefbaarheid ten slotte weergegeven op en schaal van één tot en met tien. Wij hebben de respondenten in verschillende leeftijds- en geografische groepen onderverdeeld en deze vervolgens met elkaar vergeleken. In het eerste deel van de analyse zijn de respondenten onderverdeeld in vier leeftijdscategorie.n. In het tweede deel zijn ze onderverdeeld op basis van inwoneraantal van de woonplaats. Door het uitvoeren van meerdere variantieanalyses (ANOVAS) kan aangetoond worden of er een significant verschil bestaat in de gemiddelde totale leefbaarheidsscore van drie of meer groepen (Pallant, 2013). Figuren 1 en 2 geven weer hoe de totaalscore van leefbaarheid is opgebouwd uit de verschillende leefbaarheidsindicatoren. Zo is in één oogopslag te zien hoeveel elke leefbaarheidsindicator bijdraagt aan de totale leefbaarheidsscore. De groepen worden weergeven op de x-as, terwijl de invloed per leefbaarheidsindicator op de eindscore uitgedrukt in procenten is af te lezen op de y-as. De percentages van de leefbaarheidsindicatoren bij elkaar opgeteld komt voor elke leeftijdsgroep op honderd procent uit. Dit percentage staat gelijk aan de totaalscore van leefbaarheid, die samen met de gemiddelde scores van tevredenheid en belangrijkheid zijn opgenomen in een tabel ter aanvulling bij de grafiek. Op deze wijze kan nagegaan worden of een stijgende of dalende invloed van een bepaalde indicator in de grafiek veroorzaakt wordt door een verandering in de tevredenheid of in de belangrijkheid van de betreffende indicator.

Figuur 1 Invloed leefbaarheidsindicatoren op totaalscore van leefbaarheid per leeftijdsgroep

Figuur 2 Invloed leefbaarheidsindicatoren op totaalscore van leefbaarheid per type woonplaats

Leeftijdsgroep en leefbaarheid

Voor de eerste variantieanalyse zijn de respondenten ingedeeld in vier leeftijdsgroepen. De eerste groep is die met jongeren tot en met 29 jaar, de tweede groep bestaat uit respondenten van 30 tot en met 49 jaar, de derde uit respondenten van 50 tot en met 65 jaar en de laatste groep bestaat uit ouderen van 66 jaar en ouder. Uit het onderzoek komt naar voren dat er een duidelijk verschil bestaat in de manier waarop verschillende leeftijdsgroepen leefbaarheid ervaren. Dertigers en veertigers kijken er anders tegenaan dan vijftigers en zesenzestigplussers, en op hun beurt verschillen de vijftigers en zesenzestigplussers ook weer van elkaar. De bijgaande grafiek laat per leeftijdsgroep zien welke indicatoren het grootste effect hebben op ervaren leefbaarheid. Het belang van werk neemt steeds verder af naarmate mensen ouder worden terwijl participatie en huis een omgekeerd patroon laten zien. Dagelijkse voorzieningen zijn voor ouderen niet per se belangrijker dan voor de andere groepen. Het gewicht van de factor transport neemt daarentegen wel weer iets toe naarmate mensen een hogere leeftijd bereiken. Elke indicator is samengesteld uit de tevredenheid en de toegeschreven belangrijkheid. De dalende lijn van de factor werk kan vooral toegeschreven worden aan oudere generaties die deze factor als minder belangrijk zijn gaan beschouwen. Hierdoor is de impact van deze factor minder groot op deze groep respondenten. Dit terwijl jongeren en ouderen ongeveer even (on)tevreden zijn over deze factor. Voor de factor huis geldt precies het omgekeerde: oudere generaties schrijven een toenemend belang toe aan deze factor. Het is dus van belang dieper achter de cijfers te kijken om eventuele stijgingen en dalingen in de grafiek te kunnen verklaren. De schommelingen in de grafiek zijn vooral toe te schrijven aan het belang dat verschillende leeftijdsgroepen hechten aan verschillende indicatoren van leefbaarheid. De tevredenheidscores laten een veel stabieler patroon zien.

Woonplaats en leefbaarheid

Om na te gaan of grootte van de woonplaats een effect heeft op de ervaren leefbaarheid, is er een tweede variantieanalyse uitgevoerd (figuur 2). Ditmaal is er een onderscheid gemaakt tussen zes groepen op basis van inwoneraantal. De eerste groep bestaat uit inwoners van dorpen met minder dan vijfhonderd inwoners. De laatste groep bestaat uit inwoners van stedelijke gebieden met meer dan vijftienduizend inwoners. De overige vier groepen zijn tussenvarianten van deze twee uitersten. Er blijkt een significant verschil te bestaan in hoe de inwoners van de kleinste dorpen de leefbaarheid ervaren in vergelijking met de inwoners van de grootste plaatsen. De vier tussenvarianten laten geen significante verschillen ten opzichte van elkaar zien. Een belangrijk patroon valt direct op wanneer leefbaarheid vergeleken wordt op basis van inwoneraantal. De impact van de factor dagelijkse voorzieningen is in de kleinste dorpen een stuk minder groot dan in de stedelijke gebieden. Dit geldt voor zowel de tevredenheid als voor het belang dat eraan gehecht wordt. Dit kan waarschijnlijk verklaard worden door de afwezigheid van veel voorzieningen in de allerkleinste dorpen. Kennelijk accepteren inwoners van deze gebieden het beperkte voorzieningenniveau en heeft het relatief weinig invloed op hun perceptie van leefbaarheid. Hoewel het in de grafiek niet zo sterk naar voren komt, verschilt de opbouw van de indicator transport ook per woonplaatsgrootte. Naarmate de woonplaats groter wordt neemt de tevredenheid toe en neemt het belang van deze factor af. Visueel resulteert dit in een vrij rechte lijn doordat beide trends elkaar als het ware opheffen, in de tabel komen de verschillen echter duidelijker naar voren.

Dieper begrip, beter beleid

De belangrijkste conclusie is dat het belang dat wordt toegeschreven aan de leefbaarheidsindicatoren meer fluctueert dan de gemiddelde tevredenheidscores. Daarmee heeft de belangrijkheid van de indicatoren een relatief grote impact op de verschillende totaalscores van leefbaarheid. Dit onderzoek toont daarmee aan dat de respondenten van het Fries Burgerpanel inderdaad verschillende wensen en behoeften ten opzichte van de leefomgeving hebben. Dit blijkt onder meer uit de geconstateerde verschillen tussen zowel leeftijds- als geografische groepen in hoe de leefbaarheid van de woonomgeving gewaardeerd wordt. De aanwezigheid van voorzieningen in de directe omgeving wordt door zesenzestigplussers en vijftigers belangrijker gevonden dan door dertigers en veertigers, die de aanwezigheid van werk weer belangrijker vinden. Toch geven deze groepen eenzelfde hoge waardering van tevredenheid voor de voorzieningen in de buurt. Ook met de leefbaarheidsindicator transport zijn de verschillende leeftijdsgroepen overwegend tevreden, maar het zijn tegelijkertijd de jongeren en de ouderen die hier belang aan hechten. Daar komt nog bij dat vooral in de kleinste dorpen er het meeste belang gehecht wordt aan deze leefbaarheidsindicator. Deze dorpen zijn ook minder tevreden met het voorzieningsniveau in hun nabije leefomgeving dan inwoners van stedelijke gebieden. De ervaren leefbaarheid lijdt hier echter niet onder door het beperkte belang dat de inwoners van de kleinste dorpen aan de voorzieningen toekennen. Het strekt daardoor tot aanbeveling dat onderkend wordt dat leefbaarheid is opgebouwd uit zowel tevredenheid als belangrijkheid en dat een betrouwbare meting van leefbaarheid beide elementen dient te bevatten. Dergelijke verschillen worden in het huidige beleidsonderzoek te weinig meegenomen, en het beleid zou dus beter kunnen worden afgestemd op die verschillen. Met deze kennis kunnen beleidsmakers beter inspelen op wat verschillende groepen mensen belangrijk vinden in hun leefomgeving en zodoende effici.nter de ervaren leefbaarheid vergroten. De methode zoals uiteengezet in dit artikel kan hierbij als aanknopingspunt dienen.

Author profile
Joost is consultant bij ZKA Leisure Consultants.

Able to do profound historical and social scientific research, qualitative as well as quantitative, as an independent consultant/scholar passionate about the fields of rural development, sustainable tourism, destination branding, identity construction and cultural heritage related issues. Trained to analyse (historical) socio-economic developments and to see (leisure) trends in their own unique perspective. Also, I am used to work in intercultural and international settings in academia as well as professional organisations. Skills and experiences which are highly appreciated in the fields of e.g. (academic) research, policy making, consultancy, the cultural sector and education. (from Linkedin)

 

Author profile
Inge is onderzoeker bij het CBS Data Center regio Groningen.

Ik ben een (cultureel) geograaf met veel ervaring in het uitvoeren van onderzoek. Zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek hebben mijn interesse. Ik houd vooral van de combinatie tussen die twee. Achter de cijfers en feiten zitten altijd ervaringen en verhalen. Beide soorten gegevens versterken elkaar en geven een volledig beeld van een situatie.

Ik vind het boeiend om uit een grote bak gegevens relevante conclusies te trekken. Betekenis te geven aan data. Ook zoek ik altijd naar de beste manier van het overbrengen van informatie. Ik schrijf heldere teksten en maak duidelijke datavisualisaties.

Om me nog verder te ontwikkelen in datamanagement, statistische methoden en analyse, volg ik de opleiding Statistisch Analist A aan de NHL, onderdeel van de opleiding Toegepaste Wiskunde/Bedrijfswiskunde. Mede hierdoor weet ik relevante en kwalitatief hoogwaardige data te verzamelen, structureren, analyseren, interpreteren en op een heldere manier inzichtelijk te maken.

Contactgegevens:
E-mail: ingedevries43@gmail.com
Tel.: 06-18985997

(via Linkedin)

Author profile
Tialda is universitair hoofddocent Culturele Geografie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Literatuur

Diener, E. & E. Suh (1997)Measuring quality of life: economic, social and subjective indicators’, Social Indicators Research, jg. 40, p. 186-216

Kamp, I. van, K. Leidelmeijer, G. Marsman & A. den Hollander (2003)Urban environmental quality and human well-being. Towards a conceptual framework and demarcation of concepts; a literature study’, Landscape and Urban Planning, jg. 65, p. 5-18

Leidelmeijer, K. & I. van Kamp (2003) Kwaliteit van de Leefomgeving en Leefbaarheid. Naar een begrippenkader en conceptuele inkadering, RIVM: 630950002/2003, RIGO rapport: 80330, RIGO/RIVM, Amsterdam & Bilthoven

Leidelmeijer, K., G. Marlet, J. van Iersel, C. van Woerkens & H. van der Reijden (2008) De Leefbaarometer; Leefbaarheid in Nederlandse Wijken en Buurten Gemeten en Vergeleken, Rapportage Instrumentontwikkeling, RIGO rapport: 95640, RIGO/Atlas voor Gemeenten, Amsterdam & Utrecht

Namazi-Rad, M., P. Perez, M. Berryman & F. Lamy (2012) An experimental determination of perceived liveability in Sydney, Conference paper, ACSPRI Conferences, RC33 Eighth International Conference on Social Science Methodology, p. 1-13, ACSPRI, Alphington

Pallant, J. (2013) SPSS survival manual. A step by step guide to data analysis using IBM SPSS, Open University Press, Londen

Ruth, M., & R. Franklin (2014)Livability for all? Conceptual limits and practical implications’, Applied Geography, jg.49, p. 18-23

Author profile
Joost is consultant bij ZKA Leisure Consultants.

Able to do profound historical and social scientific research, qualitative as well as quantitative, as an independent consultant/scholar passionate about the fields of rural development, sustainable tourism, destination branding, identity construction and cultural heritage related issues. Trained to analyse (historical) socio-economic developments and to see (leisure) trends in their own unique perspective. Also, I am used to work in intercultural and international settings in academia as well as professional organisations. Skills and experiences which are highly appreciated in the fields of e.g. (academic) research, policy making, consultancy, the cultural sector and education. (from Linkedin)

 

Author profile
Inge is onderzoeker bij het CBS Data Center regio Groningen.

Ik ben een (cultureel) geograaf met veel ervaring in het uitvoeren van onderzoek. Zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek hebben mijn interesse. Ik houd vooral van de combinatie tussen die twee. Achter de cijfers en feiten zitten altijd ervaringen en verhalen. Beide soorten gegevens versterken elkaar en geven een volledig beeld van een situatie.

Ik vind het boeiend om uit een grote bak gegevens relevante conclusies te trekken. Betekenis te geven aan data. Ook zoek ik altijd naar de beste manier van het overbrengen van informatie. Ik schrijf heldere teksten en maak duidelijke datavisualisaties.

Om me nog verder te ontwikkelen in datamanagement, statistische methoden en analyse, volg ik de opleiding Statistisch Analist A aan de NHL, onderdeel van de opleiding Toegepaste Wiskunde/Bedrijfswiskunde. Mede hierdoor weet ik relevante en kwalitatief hoogwaardige data te verzamelen, structureren, analyseren, interpreteren en op een heldere manier inzichtelijk te maken.

Contactgegevens:
E-mail: ingedevries43@gmail.com
Tel.: 06-18985997

(via Linkedin)

Author profile
Tialda is universitair hoofddocent Culturele Geografie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

19 september 2017

De tekst en tabellen in deze bijdrage zijn gepubliceerd onder een CC-BY-SA-ND licentie. Voor hergebruik van foto’s en illustraties dient u contact op te nemen met Rooilijn.
Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.