Warenmarkten in Amsterdam: magisch maar (h)erkend?

16 februari 2022

Er is geen stad in Nederland die zoveel warenmarkten kent als Amsterdam. De hoofdstad telt, sinds de recente opening van de Zuidas Markt, maar liefst 35 markten, waarvan het overgrote deel in beheer is bij de gemeente. Ondanks het feit dat markten aangeprezen worden als unieke ontmoetingsplekken, waar de grote diversiteit aan Amsterdammers elkaar kan ontmoeten, wil de gemeente een aantal markten deels sluiten of verkleinen. Wat is er aan de hand? En hoe kunnen we de argumenten voor herontwikkeling duiden, gezien de grote economische, sociale en culturele waarde van markten voor de stad?

In de afgelopen jaren is sociologisch en geografisch onderzoek naar stedelijke warenmarkten in Europa sterk toegenomen. Al in 2009 publiceerde de Britse sociologe Sophie Watson een belangrijk artikel, getiteld The magic of the marketplace, waarin ze markten beschouwt als essentiële publieke ruimten. Haar etnografisch materiaal leidt tot twee belangrijke bevindingen. Allereerst zijn markten sociale ruimten, waarin vluchtige interacties tussen kooplieden, bezoekers, bewoners en marktmeesters kunnen leiden tot vormen van solidariteit. Steunend op de contacthypothese van Gordon Allport (1954) stelt Watson dat de samenkomst van vreemden het collectieve gevoel van familiariteit vergroot, wat vervolgens de ervaring van voorspelbaarheid en controle doet toenemen. Elijah Anderson (2011) maakt in zijn boek The Cosmopolitan Canopy een vergelijkbaar punt, wanneer hij stelt dat de warenmarkten tot de belangrijkste ontmoetingsruimten behoren in steden die in toenemende mate worden gekenmerkt door ruimtelijke segregatie langs sociaal-economische, cultureel-etnische en raciale lijnen.

Ten tweede stelt Watson dat interacties op markten vaak leiden tot alledaagse handelingen waarin mensen zorg dragen voor elkaar. Met name in minder kapitaalkrachtige en gemarginaliseerde buurten is deze zorgfunctie van markten groot. Marktkooplieden lijken hierin een centrale rol te spelen, door mensen tekenen van herkenning te geven, te helpen aan betaalbare producten en hun persoonlijke verhalen te horen. Zij zijn het sociale bindmiddel van markten als publieke ruimten, zo concludeert Watson.

Markt Plein '40-'45

Markten, zoals die op Plein ’40-’45 in Amsterdam, behoren tot de belangrijkste ontmoetingspunten in steden (foto: Rianne van Melik).

(H)erkend?

Ondanks de magische sociale zorgfunctie die markten kunnen vervullen, schetst recent onderzoek een minder rooskleurig beeld. Onderzoekers Sara González, Gloria Dawson en Paul Waley van de Universiteit van Leeds laten zien dat markten vooral omstreden plaatsen zijn van ongelijke machtsrelaties, waarin sommige belangen en groepen bevoordeeld worden ten koste van anderen (González & Waley, 2013; González & Dawson, 2017). Zo wilden beleidsmakers in Leeds de commerciële waarde van de Kirkgate markt verhogen door de verkoop van ambachtelijke en lokale producten te stimuleren. Door middel van een publiek-private samenwerking en het verstrekken van subsidies hebben beleidsmakers geprobeerd om de representatie van de markt te beïnvloeden om zo tegemoet te komen aan de consumptievoorkeuren van hogere inkomensgroepen. In dit proces van “kwartiermaken” (Hoekstra, Van Gent & Boterman, 2018) werden de belangen en behoeften van bestaande kooplieden niet gehoord, die door verhoogde marktgelden en gebrek aan economische middelen in toenemende mate zijn verdrongen. De onderzoekers schrijven dit proces van kwartiermaken en uitsluiting toe aan de neoliberale agenda’s van lokale overheden, die bezuinigingen doorvoeren, marktwerking stimuleren en het beheer en de regulering van warenmarkten overlaten aan de private sector.

Hierbij speelt een rol dat Europese markten en hun kooplieden vaak gestigmatiseerd worden door lokale autoriteiten om beleidsingrepen, zoals (private) herontwikkeling, te kunnen verantwoorden. Loïc Wacquant (2008) stelt dat het opwerpen van een territoriaal stigma voor politici, beleidsmakers en ontwikkelaars een noodzakelijke vereiste is om speciale interventies te kunnen rechtvaardigen, waardoor vervolgens de positie van kooplieden, bewoners en bezoekers verder verslechtert. In lijn met Wacquant laten González en Waley (2013) zien dat Britse markten vaak beschreven worden als ongecontroleerde en goedkope plaatsen, waar kooplieden niet voldoende met de tijd zijn meegegaan om te kunnen voorzien in de moderne consumptievoorkeuren van (kapitaalkrachtige) bezoekers. De gemeentelijke politiek kan vervolgens de vermeende noodzaak voor publiek-private herontwikkelingen van markten toeschrijven aan dit narratief.

Onderzoek Plein ’40-’45

Hoewel in Nederland de private sector veel minder betrokken is bij de herontwikkelingen van markten, toont onderzoek naar de Plein ’40-’45 markt in Amsterdam Nieuw-West (Van Eck, 2021) een opvallende overeenkomst met de voor het Verenigd Koninkrijk beschreven situatie: warenmarkten – en met name markten die gelegen zijn in multi-etnische en lagere inkomensbuurten zoals de Plein ’40-’45 markt – worden gestigmatiseerd. Plein ’40-’45 is een van de grootste warenmarkten in Amsterdam, gelegen in Slotermeer-Noordoost (Figuur 1). In het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw richtte de gemeente de markt op als een centrale ontmoetingsplek voor (haven)arbeiders en mensen uit de middenklasse. Toen de opwaarts mobielen Nieuw West verruilden voor woningen buiten Amsterdam, transformeerde de buurt snel. Veel (post)migranten kwamen in de buurt wonen. Momenteel is Slotermeer-Noordoost meer dan gemiddeld etnisch divers: meer dan 76 procent van de bewoners heeft een migratieachtergrond. Tegelijkertijd transformeerde de Plein ’40-’45 markt mee. Sinds de jaren negentig is de markt een centrale verkoop- en ontmoetingsplek geworden voor buurtbewoners met Marokkaanse, Turkse en Surinaamse migratieachtergronden.

Figuur 1_situering martk Plein '40-'45

Figuur 1: Indeling van de markt op Plein ’40-’45 en situering in Amsterdam (Bron: Emil van Eck).

De etnische, esthetische en fenomenologische veranderingen van de markt hebben tot stigmatiserende en racistische discoursen geleid en tot nieuwe antagonistische en affectieve relaties. Een discursieve frame- en etnografische analyse van de Plein ’40-’45 markt biedt inzicht in deze ontwikkelingen.

De discursieve frame-analyse gaat uit van het idee dat framing een interactief en relationeel proces is waarbij “actoren tegelijkertijd samenwerken met gelijkgezinden en concurreren met andersdenkenden om de eigen denkbeelden te verspreiden en tegengestelde denkbeelden te weerspreken of te marginaliseren” (Uitermark, Traag & Bruggeman, 2012, p. 220). Alhoewel dit framingperspectief handig is om de complexiteit van strijd rondom publieke ruimten te analyseren, blijft de reikwijdte van deze analytische benadering vooral op het discursieve, beschrijvende niveau steken. Het zegt weinig over hoe stigma’s materialiseren door alledaagse handelingen en hoe ze worden ervaren door de gebruikers van publieke ruimten in de geleefde stad. Daarom is, in navolging van Rose-Redwood en Glass (2014), ook gekeken naar de ‘performativiteit’ van dit soort frames: manieren waarop actoren hun denkbeelden, voorstellingen en ideeën over plaatsen continu herhalen, citeren en uitdragen in alledaagse handelingen, om hun symbolische macht te kunnen handhaven en andersdenkenden te kunnen marginaliseren.

Het performativiteitsprincipe is sinds het begin van deze eeuw dankzij de Amerikaanse filosofe en feministe Judith Butler een belangrijk begrip geworden in de geografie. Zij stelt dat identiteit niet een deterministisch gegeven is, maar een fenomeen dat continu wordt gevormd en hervormd in alledaagse handelingen en daardoor als ‘werkelijkheid’ wordt beschouwd.

Poststructuralistische geografen stellen dat het construeren van plaatsidentiteiten werkt volgens hetzelfde performativiteitsprincipe. De identiteit is dan niet een vaststaand gegeven, maar wordt bepaald door hoe we eraan uitdrukking geven. Plaatsen zijn het dynamische effect en niet eenvoudig de stabiele achtergrond of oorzaak, van de manieren waarop mensen omgaan met elkaar en hun materiële omgeving. Met andere woorden: dominante denkbeelden die plaatsen stigmatiseren door bepaalde kenmerken (goedkoop, ongecontroleerd) te verbinden met etniciteit of cultuurverschillen, hebben de neiging om te materialiseren in de stad omdat mensen ernaar gaan handelen. Representaties van plaats zijn dus performatief wat ik performative place frames noem (Van Eck, 2021).

De markt op Plein '40-'45

Markten leiden vaak tot allerdaagse handelingen waarin mensen zorg dragen voor elkaar, markt Plein ’40-’45 (foto: Emil van Eck).

Nieuwe visie op Amsterdamse warenmarkten

Terug naar Amsterdam. In september 2018 bracht de afdeling Economische Zaken van de gemeente Amsterdam een nieuwe beleidsvisie uit, getiteld Marktvisie 2018 – 2026. Doel van de beleidsvisie is om “de basis te leggen voor een stedelijke aanpak die gericht is op het stimuleren van ondernemerschap en innovatie die er toe bijdraagt dat Amsterdammers kunnen blijven beschikken over een compleet, gevarieerd en toekomstbestendig aanbod van markten” (Gemeente Amsterdam, 2018, pp. 4-5). De markten “in minder centraal gelegen gebieden” blijken volgens dit rapport niet te voldoen aan de criteria van “ondernemerschap”, “innovatie” en een “gevarieerd en toekomstbestendig aanbod”. Om de “neerwaartse spiraal” van deze markten te doorbreken “is het onvermijdelijk dat het aantal marktdagen (sterk) wordt verminderd” (ibid., p.28). Als we in de afbeelding (Figuur 2) kijken naar de ruimtelijke spreiding van markten in de stad, valt het op dat de markten die worden, of al zijn, aangepakt, vooral zijn gelegen in de minder kapitaalkrachtige en cultureel-etnisch diverse buurten buiten de ring en boven het IJ. Blijkbaar wordt het toekomstbeeld van markten in deze buurten van minder groot belang geacht.

2: Ruimtelijke spreiding van markten in Amsterdam naar type en herontwikkelingsstatus.

Figuur 2: Ruimtelijke spreiding van markten in Amsterdam naar type en herontwikkelingsstatus.

De woordkeuze waarmee markten buiten de ring worden gekenmerkt is opvallend. Hoewel er in het beleidsdocument geen direct verband wordt gelegd tussen de cultureel-etnische opmaak van deze markten en de beoogde herontwikkeling, dragen woorden als ‘minder centraal gelegen’, ‘onbestendig’ en ‘niet gevarieerd’ ertoe bij om dit verband te maskeren en de noodzaak voor herontwikkeling te rechtvaardigen (zie ook Van Eck, Hagemans & Rath, 2020). Dit kan opgevat worden als een opgepoetste – of ‘ontsmette’ – versie van de anti-immigranten sentimenten die de Google- en Facebookreviews van de Plein ’40-’45 markt kenmerken; commentaren als: “Te veel moslim mensen, agressief gedrag” en “Veel van dezelfde rommel die verkocht wordt (…)”, of: “Als er meer diversiteit zou komen in de producten die er verkocht worden zou het misschien nog wat kunnen worden”. Beleid en publieke opinie liggen niet ver van elkaar af: beiden kennen een lage waarde toe aan de kwaliteiten van migrantenkooplieden.

Weerslag beleid op de markt

Bovenstaande bevindingen nemen niet weg dat er inderdaad problemen zijn op markten zoals Plein ’40-’45. Tijdens het etnografisch veldwerk vielen (vaak racistische) woordwisselingen tussen kooplieden onderling en tussen kooplieden en marktmeesters op. Meerdere keren leidde dit tot ruzies waar de politie aan te pas moest komen. Het is exact de verdeel-en-heers-politiek die verantwoordelijk is voor deze gespannen atmosfeer. De onzekerheid, de ruzies en de scheldpartijen zijn het performatieve effect van het territoriale en etnische stigma dat op de markten en kooplieden wordt geprojecteerd. Dit leidt tot een vicieuze cirkel waarin de ontstane problemen de noodzaak voor herontwikkeling nog maar eens bevestigen.

Hoe nu verder? Zodra we (h)erkennen dat de problemen op de markt mede het resultaat zijn van huidig beleid en politiek én we de magische sociale betekenis van de markten waarderen, kunnen we de vicieuze cirkel doorbreken. In plaats van de problemen toe te schrijven aan vermeende territoriale en sociaal-economische eigenschappen van markten, zou het beleid de reeds aanwezige waarden – zoals onder andere herkend en beschreven door Sophie Watson – centraal moeten stellen.

Door de relatief gemakkelijke toegang tot de ambulante handel zijn markten van groot belang voor gemarginaliseerde groepen. Mensen met een migratieachtergrond, bijvoorbeeld, zetten er hun eerste stappen in de economie, en leren door de diverse contacten sneller de taal. Mensen leren van elkaar op de markt en dragen zorg voor elkaar.

Author profile
Promovendus in de geografie

Emil (emil.vaneck@ru.nl) is PhD-kandidaat op de afdeling Geografie, Planologie en Milieu van Radboud Universiteit, Nijmegen. Emil onderzoekt hoe warenmarkten ontstaan als essentiële publieke ruimte vanuit het perspectief van ambulante kooplieden. Zijn onderzoek is deel van het internationale onderzoeksproject Moving MarketPlaces: Following the Everyday Production of Inclusive Public Spaces.

Literatuur

Allport, G.W. (1954) The nature of prejudice, Reading, MA: Harper & Row.

Anderson, E. (2011) The Cosmopolitan Canopy: Race and Civility in Everyday Life, W.W. Norton & Company, New York, NY.

Gemeente Amsterdam (2018) Marktvisie 2018 – 2026, Amsterdam: Gemeente Amsterdam, afdeling Economische Zaken.

González, S. & Waley, P. (2013) ‘Traditional Retail Markets: The New Gentrification Frontier?’, Antipode jg. 45, nr. 4, p. 965-983.

González, S. & Dawson, G. (2017) ‘Resisting gentrification in traditional public markets’, In: S. González (Ed.) Contested Markets, Contested Cities: Gentrification and Urban Justice in Retail Spaces, Routledge, London.

Hoekstra, M., Van Gent, W. & Boterman, W. (2018) ‘Kwartiermaken als symbolische politiek in overheidsgestuurde gentrificatie’, Sociologos jg. 39, nr. 3, p. 242-262.

Uitermark, J., Traag, V. & Bruggeman, J. (2012) ‘De strijd om discursieve macht: Een relationele discourseanalyse van het Nederlandse integratiedebat, 1990-2005’, Sociologie jg. 8, nr. 2, p. 219-247.

Van Eck, E. (2021) ‘“That market has no quality”: Performative place frames, racialisation and affective re-inscriptions in an outdoor retail market in Amsterdam’, Transactions of the Institute of British Geographers jg.0, nr.0.: 1 – 15, https://doi.org/10.1111/tran.12515

Van Eck, E., Hagemans, I. & Rath, J. (2020) ‘The ambiguity of diversity: Management of ethnic and class transitions in a gentrifying local shopping street’, Urban Studies, jg. 57, nr. 16, p. 3299-3314.

Wacquant, L. (2008) Urban outcasts, Polity Press, Cambridge.

Author profile
Promovendus in de geografie

Emil (emil.vaneck@ru.nl) is PhD-kandidaat op de afdeling Geografie, Planologie en Milieu van Radboud Universiteit, Nijmegen. Emil onderzoekt hoe warenmarkten ontstaan als essentiële publieke ruimte vanuit het perspectief van ambulante kooplieden. Zijn onderzoek is deel van het internationale onderzoeksproject Moving MarketPlaces: Following the Everyday Production of Inclusive Public Spaces.

Artikel gegevens:
Auteur(s):Emil van Eck
Artikelnummer: jaargang 55 /

16 februari 2022

De tekst en tabellen in deze bijdrage zijn gepubliceerd onder een CC-BY-SA-ND licentie. Voor hergebruik van foto’s en illustraties dient u contact op te nemen met Rooilijn.
Whatsapp

Reageer op dit artikel

2 Reacties

  1. Arnold van der Valk

    Ik vind de redenatie over de performativiteit van het Amsterdamse beleid als duiding voor de mankementen van een aantal straatmarkten, te kort door de bocht. De ondergang van de Bos en Lommermarkt laat zien dat de markten soms in het geheel niet meer inspelen op de vraag van bewoners in de omliggende buurten. Het artikel gaat m.i. mank aan een vooroordeel, namelijk dat markten niet mogen inspelen op de wensen van mensen met een middelbaar en hoger inkomen.Daarmee teken je het economische doodvonnis van een groot aantal straatmarkten.

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.