Zorgen over en van de lagere middenklasse

Almere Poort (foto: Daria Nepriakhina via Unsplash)

3 oktober 2017

Hoe gaat het met de grootste bevolkingsgroep in de nieuwe steden: de lagere middenklasse? Moeten we ons zorgen maken over al die mensen met hun gemiddelde en net wat lagere inkomens die in al die huizen met gemiddelde prijzen wonen? Er is een groot verschil tussen de zorgen die worden uitgesproken door beleidsmakers over de lagere middenklasse, en de zorgen die deze groep zelf uitspreekt over hun situatie.

Vanaf het begin van deze eeuw is de beleidsaandacht sterk uitgegaan naar de ‘creatieve klasse’ (Florida, 2002). Ook in de nieuwe steden, en dat is opmerkelijk, want in veel opzichten wijkt de gemiddelde inwoner van de nieuwe steden sterk af van de creatieve klasse. De creatieve klasse is hoog opgeleid, woont vooral in oude steden en heeft een voorkeur voor levendigheid en diversiteit. De aantrekkingskracht van nieuwe steden is juist gelegen in andere kwaliteiten, zoals betaalbaarheid van de woningen, ruimte en comfort.

De grootste groep inwoners die zich thuis voelt in de nieuwe stad, krijgt niet de positieve aandacht die de creatieve klasse krijgt. Integendeel. Naast het feit dat al geruime tijd buiten de nieuwe steden, vooral door leden van de creatieve klasse, tamelijk geringschattend over de middenklasse in de buitenwijken wordt gesproken, ontstaan binnen de nieuwe steden onder beleidsmakers zorgen over deze groep.

Zorgen

Tijdens onderzoek konden diverse informele vooronderstellingen over de lagere middenklasse worden opgetekend uit de monden van beleidsmakers (Metaal & Reijndorp, 2013; Reijndorp e.a. 2011; Metaal e.a., 2008). Kenmerkend voor de lagere middenklasse is de sociaaleconomische positie: relatief lage opleidingen, met gemiddelde inkomens en net daaronder. De zorgen hebben betrekking op een mogelijke achteruitgang van die positie, die door de beleidsmakers niet alleen geweten wordt aan de economische omstandigheden, maar ook aan een gemakzuchtige houding en gebrekkige motivatie van deze groep mensen (Metaal & Reijndorp, 2013).

Wat overdreven gesteld, zouden ze moeite hebben met rondkomen, teveel op zich hebben genomen wat betreft geld en verantwoordelijkheden, en weinig aandacht hebben voor het verbeteren van hun kansen. Ze zouden vooral bezig zijn met consumeren, het zich gemakkelijk laten aanleunen en weinig geneigd zijn tot zelfredzaamheid. Ze zouden niet langer betrokken zijn bij hun buurt, bang zijn voor veranderingen in hun woonplaats, in het bijzonder voor de vestiging van allochtonen. Ook zou ongenoegen leven over de gemeente, zou men verbitterd zijn over politiek en beleid en zou men zich afkeren van politici en ambtenaren.

Dergelijke zorgen worden terloops, niet altijd zo scherp, maar desondanks wel degelijk uitgesproken aan vergadertafels en in de wandelgangen tussen beleidsmakers, en wel op alle niveaus, van lokale professionals op het gebied van zorg en onderwijs, beleidsmedewerkers van verschillende gemeentelijke afdelingen, raadsleden, wethouders met uiteenlopende portefeuilles, tot en met burgemeesters. De zorgen staan niet uitgeschreven in de formele beleidsdocumenten, maar zijn indirect herkenbaar in de vorm van aandachtspunten die niet expliciet gekoppeld worden aan een bepaalde groep (Metaal & Reijndorp, 2013). Toch kan zo’n informeel vertoog veel invloed hebben, juist doordat er minder formele controlemechanismen zijn om vooronderstellingen te ontkrachten, zoals controle door een raad, kritiek vanuit een verwijsgemeenschap of onderbouwing door onderzoek (Gilbert & Mulkay, 1984).

Het is derhalve van belang om meer kennis te vergaren over deze groep, en dan niet alleen in termen van de sociaaleconomische positie zelf, maar ook de daarmee geassocieerde houding. Het is nuttig om daarbij de vergelijking te maken met de creatieve klasse. Er is veel kennis over de creatieve klasse, en vooral hoop over hun houding. Er is weinig kennis over de lagere middenklasse, en vooral vrees over hun houding.

foto: Marcel Heemskerk

In gesprek met de lagere middenklasse

Het vraagstuk van de sociaaleconomische positie en de houding van de lagere middenklasse werd het onderwerp van een onderzoek met zestig diepgravende kwalitatieve interviews in Almere (Metaal & Reijndorp, 2013). Ondanks de informele vooronderstellingen van beleidsmakers over de lagere middenklasse, was op voorhand niet duidelijk of sprake was van een sociaaleconomisch coherente groep, dus bij de selectie zijn ruime begrenzingen gehanteerd. Bewoners zijn geselecteerd uit de onderste drie van zes prijsklassen van zowel koop- als huurwoningen in wijken met uiteenlopende reputaties. Vanwege de specifieke financiële situatie zijn huishoudens met een WMO-indicatie, ouderen en minima niet geselecteerd. Als ondergrens is 1500 euro netto per maand aangehouden, ongeacht de samenstelling van het huishouden. Als bovengrens is 4000 euro netto per maand aangehouden voor tweeverdieners, en 2250 euro voor alleenstaanden. Het was expliciet niet de bedoeling om een relatief arme, hulpbehoevende groep te onderzoeken.

Voor de sociaaleconomische positie is gevraagd naar de opleidingen en beroepen gedurende de levensloop. De inkomsten en uitgaven van het huishouden zijn in detail opgetekend, waarbij gelet is op de manier waarop mensen inkomen, werk en opleiding hanteren als tactieken voor rondkomen en vooruitkomen (De Certeau, 1984). Het in kaart brengen van de organisatie van het dagelijkse leven, geeft zowel een check op de consumptieve bestedingen als op de omgang met buurt en woonplaats. Een beschrijving van de bewoners in de naaste omgeving, het stemgedrag en meningen over ontwikkelingen in Almere, completeren het beeld.

Culture of common sense

Wanneer over de creatieve klasse wordt gesproken, komt vaak naar voren dat de beroepen moeilijk te benoemen zijn. Maar ook voor de lagere middenklasse is dat niet eenvoudig. De diversiteit aan beroepen van de respondenten is groot (tabel 1). Toch kan op basis van de interviews een gemeenschappelijke lijn worden ontwaard. Al met al gaat het om praktische beroepen in techniek, logistiek, dienstverlening en administratie. Ook is er lager betaald werk in de zorg. De beroepen zijn niet louter uitvoerend, maar vragen ook om het coördineren van werkzaamheden met andere mensen, en dat binnen een groeiend kader van kennis over veranderende regels en technieken. Automatisering en informatisering hebben wat dat betreft haar sporen nagelaten (Castells, 1996).

De werkzaamheden vragen om een praktische toepassing van kennis. Dit in tegenstelling tot de creatieve klasse, voor wie kennis niet een instrument is, maar het product zelf. Zo zijn er meer verschillen. De culture of critical discourse (Gouldner, 1979), die kenmerkend is voor de omgang met kennis door mensen met creatieve en verwante kennisintensieve beroepen, kent een tegenhanger in de vorm van de culture of common sense (tabel 2). Kennis wordt door de lagere middenklasse gezien als iets dat al bestaat of met gezond verstand te verkrijgen is, dat een zekere mate van vanzelfsprekendheid in zich heeft, en dat geen kunstige redeneringen behoeft. Uitspraken als “dat kan je toch zo zien, dat voel je op je klompen aan” kwamen veelvuldig voor.

Financiële competentie

Een praktische houding ligt ook ten grondslag aan het financiële beheer van het huishouden. Over het algemeen hebben de geïnterviewden overzicht van de financiële huishouding en goede kennis van overheidsregelingen. Ze hebben controle over hun uitgaven en houden hun inkomsten bij. Man: “We doen het stilzwijgend gewoon een beetje zo. Sommige dingen doet zij, ik doe de auto. Zij de hypotheek. Dat is heel vloeiend ongemerkt zijn gang gegaan. […] Als het belastingformulier er is, dan zeggen we: ‘oeps, of oh, mooi’! Maar meestal geven we niet meer uit dan dat er binnenkomt. We doen geen gekke dingen”. Deze tactieken lijken niet op de struisvogelpolitiek die bekend is van overlevingsstrategieën van sommige mensen met lage vaste lasten en hoge schulden (Sansone, 1992). Wanneer het tegenzit, als bijvoorbeeld een van de partners tijdelijk geen werk heeft of dat de ander door omstandigheden minder opdrachten binnen krijgt, gaan zij tactisch om met financiële tegenslag: “We hebben toen wel een klap gehad, maar daar kom je wel weer uit. Dan ga je met je met z’n tweeën van werk jij ook een derde dag of je werkt wat over. Van ik heb een iets mindere week, dan ben ik een dag thuis en dan vang ik Koosje extra op”.

Er is weinig aanleiding voor de gedachte dat deze groep zich in de nesten werkt door een consumentistische of onnadenkende houding. Wat betreft de financiële huishouding maakt men eerder een weerbare dan een kwetsbare indruk. Van de sociaaleconomische omstandigheden van de lagere middenklasse moet echter niet een te rooskleurig beeld worden gegeven. Bij de interviews komen nadrukkelijk de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en het stijgen van de woonlasten naar voren als externe factoren die invloed hebben op de financiële huishouding. Een koopwoning laat statistisch een schuld zien, en huurders van de lagere middenklasse zien hun woonlasten gestaag stijgen (Planbureau voor de Leefomgeving, 2014), terwijl deze groep nog geen aanspraak maakt op toeslagen.

Comfort en troetelproject

Consumeren is voor deze groep belangrijk omdat het uiting geeft aan een bepaald niveau van welvaart dat is bereikt. Het gaat om het gevoel prettig te kunnen leven, het comfort van woning en woonomgeving, de consumptiegoederen die men bezit, de activiteiten die men kan ondernemen. Het werk staat niet voorop, maar is een middel om een doel te kunnen bereiken. Zoals een respondent, die technisch operator is, het uitdrukt: “Als ik uit wil gaan dan ga ik gewoon uit. En als ik iets leuks vind en ik wil het kopen dan moet ik het gewoon kunnen kopen. Ik bedoel, werk moet niet m’n straf zijn. Ik werk om te leven en ik leef niet om te werken. En als ik iets wil hebben dan zorg ik ook dat ik het krijg”.

Als illustratie kan het ‘troetelproject’ dienen: veel respondenten hebben een boot, een huisje, een oldtimer, bijzondere huisdieren, een paard bij een manege, of hoge uitgaven voor een talent van een van de kinderen. Dit zijn relatief grote kostenposten, maar die worden goed in de gaten gehouden. Man: “We hebben een boot. Dat kost per jaar aan liggeld 650 euro. En onderhoud als je op de werf gaat. Zeg dat dat ding 1000 euro per jaar kost. Gemiddeld. Ene jaar wat meer andere wat minder”. Vrouw: “En daarmee sparen we vakantiekosten uit”. Een troetelproject ontstaat voor veel respondenten uit een spontane of juist lang gekoesterde wens waar op een gegeven moment financieel de mogelijkheid voor kwam. Een belangrijk aspect van een troetelproject is dat het niet alleen een illustratie van welvaart vormt, maar ook van financiële competentie, van de vaardigheid om het geld er voor vrij te maken. Het gevoel van comfort ontstaat al bij een relatief laag inkomen. Kamperen in Friesland neemt binnen de behoeften een vergelijkbare categorie in als een vliegreis met het gezin naar Thailand. Zolang je maar op vakantie kan gaan. Op het moment dat als de wasmachine stuk gaat, je de reis moet afboeken, of de dansles van je dochtertje moet opzeggen, dan houdt het op, dan behoor je gevoelsmatig niet meer tot dezelfde groep.

Aantasting van het gewone

Met betaalbare eengezinswoningen, een aangename woonomgeving en een hoog niveau van voorziening, komen de nieuwe steden bij uitstek tegemoet aan het welvaartsgevoel. Ook de contacten in de straat worden geapprecieerd: “Je hebt heel veel contact met de buren, maar ze lopen de deur niet plat, maar als er wat gebeurt dan staan we wel gelijk van ‘okay, wat gaat er gebeuren, wat doen we, kunnen we elkaar helpen”. Of op vakantie “oh, jij zorgt voor mijn planten? Ik voor die van jou”. Zo gaat dat over en weer. Als er wat gebeurt is het van “hee, kan je even helpen”.

Sommige buren organiseren een barbecue of kijken gezamenlijk naar het voetbal. Verder heeft iedereen zijn werk, je hebt niet altijd tijd, dat wordt ook gerespecteerd, de meeste contacten zijn oppervlakkig, maar meer hoeft ook niet. Het gewone is een belangrijk element van de cultuur: begrippen als prettig, leuk en prima krijgen in de dagelijkse omgang tussen bewoners een bijzondere lading. Maar juist dat gewone begint in de ogen van sommigen minder vanzelfsprekend te worden. De bevolking van de nieuwe stad wordt sociaal meer verscheiden en problemen treden op die men eerder in de oude steden zou verwachten. Daarbij gaat het om asociaal of onoordeelkundig handelen, in de woonomgeving of andere publieke ruimte van de stad, of zaken die een uiting vormen van sociale problemen in huis die zich aan de buitenwereld opdringen. Verschillende voorbeelden kwamen in de interviews naar voren: een man die zijn vrouw slaat, een ouder echtpaar dat niet opendoet, een vrouw die het roddelblad van de straat is, een man die zijn kinderen naakt over straat laat rennen, een vrouw die ruzie staat te maken met haar ex voor de deur. Het comfortabele wonen en de ongecompliceerde woonomgeving vormen belangrijke verworvenheden. Juist om die reden maken zij zich zorgen over veranderingen in de buurt en de nieuwe stad als geheel. Het steekt dat, gevoelsmatig, vanuit politiek en beleid de aantasting van die verworvenheden niet wordt erkend of tegengegaan.

Immigranten

Hebben de zorgen te maken met de komst van meer immigranten naar Almere? De respondenten uit Almere vinden dat de situatie wat dat betreft complex is: de veroorzakers van de problemen zijn niet altijd immigranten, lang niet alle immigranten veroorzaken problemen, de immigranten díe problemen veroorzaken zijn heel verschillende immigranten, en degenen die over de problemen klagen zijn zelf vaak immigrant. Een groot deel van de lagere middenklasse bestaat uit immigranten, met dezelfde inkomens, praktische houding, prettige omgang met buren, én zorgen.

foto: Marcel Heemskerk

Ondanks dit besef van complexiteit bespreken respondenten de komst van immigranten als onderdeel van de problemen. De mate waarin daarbij beschuldigingen, verontschuldigingen of relativeringen worden geuit, varieert. Waar respondenten het wél over eens zijn, is dat de veroorzakers van de problemen, ongeacht de herkomst, niet langer tot dezelfde groep van praktische mensen behoren. Het gaat om personen die niet deelnemen aan de cultuur van prettig, leuk samenleven, en niet meewerken aan het gezamenlijk oplossen van problemen.

Praktische klasse

Het bestaan van een sociaaleconomische groep, stilzwijgend geformuleerd door beleidsmakers, kan op basis van het onderzoek min of meer worden bevestigd. Waar het misgaat is in de gemakzuchtige houding die beleidsmakers deze groep toedichten. Mensen zijn juist sterk gemotiveerd om hun sociaaleconomische positie te behouden en versterken. In de aard van het werk, in het management van de dagelijkse uitgaven en in de houding over de buurt, vormt de lagere middenklasse een praktische klasse. Een praktische klasse, die in voorkeuren en ambities de tegenpool vormt van de creatieve klasse (nogmaals tabel 2). Belangrijk is het bereiken van een zekere mate van materiële en sociale zekerheid in de nieuwe stad. De mate van betrokkenheid bij de woonomgeving en de nieuwe stad als geheel is groot. Zij zien de komst van stedelijke problematiek als een bedreiging van het bereikte niveau van welvaart.

Dit artikel verscheen in Rooilijn, 2017, jaargang 50, nummer 4, pp. 254-261

Author profile
Stefan is stadssocioloog, zelfstandig onderzoeker en parttime-docent aan de Universiteit van Amsterdam en de NHTV te Breda.

s.metaal@uva.nl

Literatuur

Castells, M. (1996) The rise of the network society, Blackwell, Oxford

Certeau, M. de (1984) The practice of everyday life, University of California Press, Berkeley

Florida, R. (2002) The rise of the creative class and how it’s transforming work leisure, community and everyday life, Basic Books, New York

Gilbert, N. & M. Mulkay (1984) Opening Pandora’s Box: A sociological analysis of scientists’ discourse, Cambridge University Press, Cambridge

Gouldner, A.W. (1979) The future of intellectuals and the rise of the new class. A frame of reference, theses, conjectures, arguments, and a historical perspective on the role of intellectuals and intelligentsia in the international class contest of the modern era, Continuum, New York.

Metaal, S., I. van Huis & A. Reijndorp (2008) Rust en onrust in Nieuwegein. Verslag van een onderzoek, Mitros Wonen, Nieuwegein

Metaal, S., & A. Reijndorp (2013) Kwetsbare middenklasse? Sociale positie, strategieën van rondkomen en vooruitkomen en betrokkenheid van de lagere middenklasse in Almere, Gemeente Almere/ International New Town Institute, Almere

Planbureau voor de Leefomgeving (2014) Kwetsbaarheid van regionale woningmarkten. Financiële risico’s van huishoudens en hun toegang tot de woningmarkt, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag

Reijndorp, A., S. Metaal, S., I. van Huis & S. Naafs (2011) New Town Roots. Geboren en getogen Zoetermeerders over hun stad, International New Town Institute, Almere

Sansone, L., (1992) Schitteren in de schaduw. Overlevingsstrategieën, subcultuur en etniciteit van Creoolse jongeren uit de lagere klasse in Amsterdam 1981-1990, Het Spinhuis, Amsterdam

Author profile
Stefan is stadssocioloog, zelfstandig onderzoeker en parttime-docent aan de Universiteit van Amsterdam en de NHTV te Breda.

s.metaal@uva.nl

Whatsapp

Reageer op dit artikel

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *