In Planologenland

1 oktober 1978

In 1978 bestond de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam vijftig jaar. Ter gelegenheid daarvan werd het symposium ‘Nieuwe Stad’ georganiseerd waar toenmalig promovendus Hans van der Cammen verslag van deed in Rooilijn (11e jaargang, nummer 8).

“De beginselen, die aan het nationale ruimtelijk beleid ten grondslag liggen, kunnen in grote lijnen positief worden gewaardeerd….. De verschillende nota’s waarin dit beleid wordt uiteengezet en beargumenteerd, zijn in het algemeen helder en van hoge kwaliteit en vormen in dit opzicht een belangrijke bijdrage tot de Nederlandse literatuur. Helaas moet daarnaast worden gekonstateerd – en ik ben niet de enige die dit doet – dat het daarbij voornamelijk blijft”. Aldus één van de cynische stijlbloempjes uit het verhaal dat Ir. A. de Gier schreef ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van Stadsontwikkeling Amsterdam.

Het hoofd van Stadsontwikkeling (SO) had ook voor nog wat anderen met wie hij geregeld te maken heeft, verjaardagstraktaties meegebracht. Voor de provincie bijvoorbeeld, de provincie Noord-Holland wel te verstaan. In de paragraaf ‘Visie en supervisie’ schreef hij: “Het is bekend, dat de provincie werkt aan een streekplan voor het Noordzeekanaalgebied, maar, voorzover ik kan waarnemen, komt in dit proces onvoldoende naar voren, hoe wordt aangekeken tegen de vormgeving van de stad in nieuwe gedaante. Al was het maar veronderstellenderwijze zal toch een beeld moeten worden opgeroepen van deze vormgeving, waarin de elementen als stad en open ruimte, hoog en laag, gesloten en open landschap, water en infrastruktuur op een goede wijze een plaats hebben. Het is meer stedebouw dan planologie, in die zin (dat), zoals Van Lohuizen en Van Eesteren dat noemden, schone vorm en funktionaliteit harmonisch samengaan”.

Een schoon en harmonisch verhaal, maar was het ook funktioneel? De realiteit is nu eenmaal dat ook SO, nu, na 50 jaar, ons niet meer blijkt te kunnen voorzien van een “al was het maar veronderstellenderwijs opgeroepen” beeld van de stad in nieuwe gedaante. En dat bij een jubileumviering die in het teken stond van het thema ‘Nieuwe Stad’.

Het symposium ter gelegenheid van dit jubileum had plaats in het Bijlmermeer-subcentrum Ganzenhoef, in een op futuristische wijze tot kerk omgebouwde parterre van een parkeergarage. Een andere relatie met het thema ‘Nieuwe Stad’ was er niet. Van de kant van de jubilerende stadsontwikkelaars werd geen concept aangedragen waar het op deze dag in grote getale aanwezige Nederlandse stedebouwkundige volkje de tanden eens in had kunnen zetten. In het daardoor ontstane vakuüm moest een spreker wel terugvallen op zijn eigen, oude en bekende (on)waarheden.

Burgemeester Polak en Ir. De Gier verkondigden variaties op het thema “de bestuurlijke indeling van ons land dient, in navolging van de sociaal-ekonomische en de ruimtelijke ontwikkeling eveneens een schaalvergroting te ondergaan” (citaat uit het programma van ‘een politieke partij’). Zij werden bekwaam gepareerd door Gedeputeerde Van der Knoop die hartstochtelijk sprak: “Amsterdam is ons te lief om het zomaar zijn gang te laten gaan”, en een ‘open gesprek’ aanraadde tussen ‘dokter’ (Gedeputeerde Staten) en ‘patiënt’ (SO?).

De nieuwe wethouder SO Michael v.d. Vlis, stak een voorzichtig verhaal af, waarin onder andere gematigd positieve geluiden waren te horen over het ISP-rapport Bouwen binnen de perken, en Amro-direkteur Advokaat kwam met de verhalen die we ook al kennen van het Koningin Wilhelminaplein, de zetel van de Amsterdamse Kamer van Koophandel.

Tenslotte was er een meneer de Vries die namens de ‘direkt betrokken bevolking’ mocht spreken’ een goede zet van de organisatoren want de politici waren daar inderdaad niet aan toe gekomen.

Alleen het hoofd van de gemeentelijke projektorganisatie, Ir. W. Hartman was eigenlijk in staat de zaal enigszins in vervoering te brengen met een verhaal dat rechtstreeks ‘uit de buurt’ leek te komen. De strekking van Hartman ‘s betoog was: het bestemmingsplan ligt als een zware deken over de stadsvernieuwing heen en dreigt elk leven te verstikken. Steeds meer wordt het bestemmingsplan de verplichte basis voor allerlei uitvoeringsregelingen. De interim-saldoregeling is daarvan een van de meest recente en duidelijke voorbeelden. Maar een bestemmingsplan is, zeker in de stadsvernieuwing, een stug en traag middel. Het vergt op zijn minst een paar jaar hard werken om een goed globaal bestemmingsplan vastgesteld te krijgen. Daardoor ontstaat in de onderhandelingen met ‘Den Haag’ een situatie die De Gier kenschetste met de woorden: “de bewijslast wordt voortdurend naar de gemeente teruggeschoven”. De gemeente moet een plan hebben, de gemeente moet een investeringsprogramma hebben, de gemeente moet… Hartman kwam tot de stelling dat de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) wordt gebruikt om subsidies te kunnen weigeren.

Zijn diagnose gaf hem nog twee provocerende standpunten in. In de eerste plaats, en direkt aansluitend op het voorafgaande, pleitte hij voor een relativering van de macht van het plan, en van denkbeelden als zou je met een bestemmingsplan de stad kunnen redden. “De stad is een natuurfenomeen”, zo riep hij weinig origineel uit, en daar moet je een flexibele benadering tegenover kunnen stellen. Hij liet daarna een waarschuwing horen tegen het ‘georganiseerde wantrouwen’ van de inspraak. Met name het ontwerpen, het kreatief vormgeven aan de nieuwe stad heeft behoefte aan een ‘mandaat ‘ dat de stedebouwer een vrijheid van beweging geeft. Wordt dat mandaat niet gegeven, dan krimpen de mogelijkheden van de stedebouwkundige tot het ontvangen van wat hij noemde ‘impulsen’ in.

In de dagbladverslagen van het symposium is nauwelijks aandacht besteed aan de kreatieve manier waarop de organisatoren aan het middagprogramma vorm gegeven hadden. De situatie die men na de lunch in de zaal aantrof, nodigde uit tot het plaatsnemen in groepen, elk rond een tafel, waarop voornamelijk een mikrofoon. Op de tafels bevond zich duidelijk leesbaar een bord met de naam van een instelling. De meeste borden droegen uiteraard de aanduiding ‘SO’, want men was massaal aanwezig. Maar er waren ook tafels voor PW, voor de provinciale overheid, de rijksoverheid, vertegenwoordigers van wijkcentra en van maatschappelijke organisaties.

Zo ontstond daareven, beneden in die omgebouwde parkeergarage, een klein planologenland, met als centraal thema van bemoeiing de stedebouwkundige situatie van Amsterdam. De tafels van SO waren door de organisatoren in een kring langs de wanden van de zaal geplaatst, hetgeen een in het midden gezeten vertegenwoordiger van het wijkcentrum Jordaan de uitspraak ingaf dat de hinderlijke bedrijven, volgens de beste stedebouwkundige tradities, aan de rand waren gesitueerd. Onder de straffe, maar handige en hartelijke leiding van symposium-voorzitter en PDI-docent Mr. Jaap Engel werd non-stop gediskussieerd over de stellingen van de inleiders.

Drie interessante gespreksthema’s, die uiteraard niet tot op de bodem werden uitgediept, maar anderzijds in dergelijke gezelschappen nog maar al te weinig ter sprake komen, waren: de funktie van de ambtenaar (tussen beleidsondersteuning en kritische begeleiding), de funktie en het nut van ruimtelijke eindbeelden (misleidend voor insprekers en kaalslag-bevorderend in de stadsvernieuwing volgens sommigen, een belangrijk hulpmiddel en een echte SO-taak volgens anderen) en de funktie van stedebouwkundige visies (elitair?, te veel gericht op een verre toekomst?, technokratisch?). We kwamen er zoals gezegd niet uit, maar het belangrijkste was misschien het feit dat ambtenaren kennelijk toch wel in staat zijn’ (en notabene in het openbaar) over deze zaken met elkaar van gedachten te wisselen. Na enige aarzeling durfde men het zelfs aan om bijvoorbeeld daar ter plaatse als provinciaal ambtenaar de kritiek te beantwoorden die vanuit de een of andere ‘hoek’ op het provinciale beleid werd geuit. Wie nu nog niet gelooft aan de politisering van de planologen moet het verder zelf maar weten.

Author profile
Hans van der Cammen
Hans was bijzonder hoogleraar Ruimtelijke Planning aan de Universiteit van Amsterdam

Prof. dr. Hans van der Cammen is een groot deel van zijn werkende leven verbonden geweest aan de Universiteit van Amsterdam, eerst als medewerker en hoofddocent en sinds 1995 als bijzonder hoogleraar Ruimtelijke planning, in het bijzonder het stedelijk ontwikkelingsmanagement. Daarnaast werkte hij onder meer als planologisch consultant bij TNO Inro en directeur Planontwikkeling bij de Rijksplanologische dienst. Daarnaast was hij zelfstandig adviseur ruimtelijke ordening.

Whatsapp

Reageer op deze column

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.