Een nieuw discours voor krimpende steden

13 december 2017

Maurice Hermans (2016)

De antistad

nai010, Rotterdam
224 p.
ISBN 978-94-6208-285-4
€ 24,95

Het is een confronterend beeld in het boek De Anti-Stad van Maurice Hermans: een pagina gevuld met foto’s van prostituees in de tippelzone in Heerlen in de jaren tachtig. Midden in de jaren zeventig ontwikkelt het station van Heerlen en omgeving zich tot het middelpunt van de Heerlense drugsscene. Veel jongeren raakten verslaafd, meisjes kwijnden weg in de prostitutie. De foto’s zijn gemaakt door een actieve bewoner die de overheid wilde aanzetten tot ingrijpen. Dat Heerlen misschien wel de grootste heroïne-epidemie van Nederland heeft ervaren komt door een bizarre samenloop van omstandigheden, waarin zelfs een relatie met de Vietnamoorlog valt te leggen. Maar ook, en daarmee raken we aan de kern van het boek, volgde de drugsepidemie de de-industrialisatie van de stad. In de jaren zeventig werd de mijnindustrie gesloten waarna het landschap werd opgeschoond naar een nieuw tabula rasa. Alles dat aan de mijngeschiedenis deed denken werd gesloopt. De vervanging van de banen in de mijnindustrie door nieuwe werkgelegenheid, zoals Den Uyl beloofde, bleef echter uit. Door het industrieel verval groeide de werkloosheid en trokken mensen weg uit de stad. In het centralistische groeidenken van Nederland werd Heerlen als falende stad bestempeld.

Heerlen is het decor voor het pleidooi van Maurice Hermans: we moeten anders gaan denken over krimpende steden. Immers, “succes bestaat alleen bij de gratie van mislukking, de groeistad alleen bij de gratie van de Antistad”. Dat groei per definitie goed is “is de grootste uitdaging in het herzien van het clichébeeld van de stad”, aldus Maurice Hermans. Dat clichébeeld geldt eigenlijk vooral voor bepaalde stedelijke regio’s, in Nederland met name Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Zuid-Limburg, de Achterhoek, Oost-Groningen en Zeeuws-Vlaanderen daarentegen zijn gestopt met groeien. Verwacht wordt dat in de komende vijftien jaar 25 procent van alle Nederlandse gemeenten demografische krimp zal ervaren. Demografische krimp wordt door de auteur opgevat als “een door bevolkingsafname vergezelde verandering in de manier waarop mensen op een bepaalde plek met elkaar samenleven” en is hiermee “het resultaat van een complex geheel aan factoren”.

De Antistad is “de stad die geen stad mocht zijn”. Waar groei wordt nagestreefd, is krimp altijd onbedoeld en dus ongewenst. Zij (de Antistad) is vaak de kleine, jonge Industrie Neustadt: een stad die niet makkelijk de transitie naar een andere economie maakt. Een antistedelijke structuur kenmerkt haar: een polycentrische vorm waarin stedelijke en rurale landschappen elkaar afwisselen. Ze ondergaat vaak een existentiële crisis door de-industrialisatie en door demografische krimp trekken bewoners weg. Ook wordt zij als onesthetisch ervaren, met name door de afwezigheid van historisch erfgoed. Het ontbreekt aan een stedelijke cultuur en door de mono-economische en monoculturele achtergrond is de overgang van een industriële naar een netwerkmaatschappij moeilijker te maken.

Aan de hand van beelden en de geschiedenis van Heerlen wordt de Antistad zichtbaar. Indrukwekkend zijn de foto’s op pagina 110 en 111 waarop alle gebouwen te zien zijn die zijn gesloopt ten tijde van de ‘Vrolijke Vernietiging’. Het is een treurig verhaal, maar juist daarvoor waarschuwt Maurice Hermans ons. In plaats van de negatieve retoriek en hyperpragmatische aanpak van krimp, zoals de auteur het Nederlandse beleid van de jaren negentig omschrijft, moeten we een nieuw vocabulaire ontwikkelen; dat van terugbouw. Om een cultuur van terugbouw te realiseren zijn enkele uitgangspunten van belang, zo legt de auteur uit in de conclusie. Terugbouw vertrekt van een optimistisch perspectief “niet het verlies van wat was, maar een optimistisch verlangen naar een kleinere, fittere en gelukkigere stad”. Juist de tijdelijke stad kan ruimte bieden aan innovatie en creativiteit zodat de stad, weliswaar kleiner maar duurzamer, kan groeien. Daarbij moeten er nieuw soort rituelen van afscheid worden gecreëerd, zodat er stilgestaan wordt bij het verlies in plaats van de geschiedenis te proberen te vergeten. De psychologische effecten hiervan zijn, zo blijkt ook in Heerlen, immers te groot. Een nieuwe cultuur waarbij bijvoorbeeld leegstand wordt omgezet naar plekken voor stadslandbouw. Experimenteren en flexibel plannen, dat zijn de middelen om ruimte voor initiatief, alsook veerkrachtige steden, te creëren. Hoewel er met duidelijke, maar soms ook bijna idealistische, uitgangspunten een aanzet wordt gedaan voor het vormgeven van een cultuur van terugbouw, worden er weinig concrete handvatten geboden aan de ruimtelijk professional. Wat moet de planoloog in Heerlen of Spijkenisse nu echt anders doen?

Door Heerlen als casus te nemen wordt het pleidooi voor de Antistad duidelijk. Het is geen pamflettistisch boek, maar goed onderbouwd met een heldere argumentatie, waarbij de auteur zichtbaar notie heeft genomen van de vele literatuur, zowel wetenschappelijk als beleidsmatig, die bestaat over krimp in steden. De foto’s maken het pleidooi nog sterker. Door te laten zien hoe het ooit was, wordt duidelijk wat het groeidenken heeft veroorzaakt in een stad als Heerlen, een krimpende stad. Nog niet geheel duidelijk is hoe de Antistad past, of zou moeten passen, in het huidige stedelijk beleid van metropoolvorming. Hoe verhoudt het pleidooi voor de Antistad zich tot bijvoorbeeld het pleidooi van Zef Hemel dat het ruimtelijk beleid gericht moet zijn op grootstedelijkheid? Juist nu is het interessant om te zien hoe middelgrote steden en Antisteden hieraan kunnen bijdragen.

Net als dat krimp niet alleen als een probleem moet worden gezien, kent ook groei niet alleen maar voordelen. Een belangrijk punt dat wordt benadrukt in het boek, maar wat nog meer aandacht zou mogen krijgen. Amsterdam bijvoorbeeld fungeert niet alleen als een emancipatiemotor: haar aantrekkingskracht heeft geleid tot een enorme druk op de woningmarkt, een groeiende kloof tussen arm en rijk, een segregatie van binnen en buiten de ring en een ervaren overlast door toerisme. De uitgangspunten die voor terugbouw gelden, zouden dan ook in zekere mate voor de groeiende stad kunnen gelden. Kleiner groeien, ruimte bieden aan experimenteren en flexibel plannen zou ook in Amsterdam het adagium kunnen zijn. Hoewel daar in de tijden van de crisis ook zeker ruimte voor was, domineert nu weer het marktdenken. Zoals ook in de sloop van Heerlens mijnverleden het marktdenken domineerde. Hoewel het over twee verschillende processen gaat, groei en krimp, zijn hier waardevolle lessen te leren voor de ruimtelijk professionals in Amsterdam en andere groeiende steden.Ondertussen vraag ik mij af of de bewoners van Amsterdam niet heel erg behoefte hebben aan een Antistad: geen geluid van rolkoffers en overlast door toeristen. Heerlijk rustig.

Author profile
Marie is werkzaam als docent-onderzoeker bij het onderzoeksprogramma Urban Governance and Social Innovation aan de Hogeschool van Amsterdam

Marie Morel is onderzoeker bij het lectoraat Coördinatie Grootstedelijke Vraagstukken bij de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Als planoloog en antropoloog ligt haar interesse op het snijvlak van ruimtelijke ontwikkeling en sociale en culturele vraagstukken. Eerder heeft ze onderzoek gedaan in Zanzibar naar de betekenis van immaterieel erfgoed in stedelijke vernieuwing. Bij de HvA is zij recent betrokken geraakt bij het CIVIC-project, waar zij onderzoek doet naar smart governance strategieën in bouwlogistiek. Ook werkt zij mee aan het project ‘Leren met de buurt’ in stadsdeel Nieuw West over de rol van online platforms in community-vorming en heeft ze met anderen een boek samengesteld over de fieldlabs van Urban Management.

Author profile
Marie is werkzaam als docent-onderzoeker bij het onderzoeksprogramma Urban Governance and Social Innovation aan de Hogeschool van Amsterdam

Marie Morel is onderzoeker bij het lectoraat Coördinatie Grootstedelijke Vraagstukken bij de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Als planoloog en antropoloog ligt haar interesse op het snijvlak van ruimtelijke ontwikkeling en sociale en culturele vraagstukken. Eerder heeft ze onderzoek gedaan in Zanzibar naar de betekenis van immaterieel erfgoed in stedelijke vernieuwing. Bij de HvA is zij recent betrokken geraakt bij het CIVIC-project, waar zij onderzoek doet naar smart governance strategieën in bouwlogistiek. Ook werkt zij mee aan het project ‘Leren met de buurt’ in stadsdeel Nieuw West over de rol van online platforms in community-vorming en heeft ze met anderen een boek samengesteld over de fieldlabs van Urban Management.

Whatsapp

Reageer op deze publicatie

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *