Van ivoren toren naar science park

14 februari 2021

Ab Flipse en Abel Streefland (red.) (2020)

De universitaire campus; ruimtelijke transformaties van de Nederlandse universiteit sedert 1945

Uitgeverij Verloren, Hilversum,
148 p.
ISBN 9789087048518
€ 17

Dit boek, deel vijftien in de serie Universiteit & Samenleving van uitgeverij Verloren, komt voort uit een congres dat op 29 en 30 november 2018 gehouden werd. Als schrijver van de gids Wandelen naar de campus werd ik daarvoor uitgenodigd. De universitaire campus is een uitgebreide weergave van enkele lezingen die van veel nuanceringen en literatuurverwijzingen is voorzien.

De redactie van deze bundel casestudies wil vanuit de historie een licht laten vallen op de ruimtelijke actualiteit van universitaire campussen. Daar is wat voor te zeggen want het is lang niet duidelijk waar het op lange termijn precies naartoe gaat met het inpassen van de universiteit in de stad. In de verschillende casestudies wordt het woord ‘campus’ overigens niet op eenduidige wijze gebruikt. Misschien kan dat inmiddels niet meer, want de eerste keer dat in Amerika het woord campus gebruikt werd had dit betrekking op het grasveld voor het hoofdgebouw (frontcampus). Later groeide dat uit naar het academische dorp in het groen en inmiddels reppen we over stadscampus, kenniscampus, zorgcampus, etc. Dit doet overigens weinig af aan deze door universiteitshistorici geredigeerde geschiedschrijving. Helaas komt de relatie met de ruimtelijke actualiteit, die in dag twee van het congres aan de orde kwam, er wat bekaaid van af. Alleen in de laatste casestudy van deze bundel komt dat even in beeld, maar er blijft veel te ontdekken in deze bundel.

Ab Flipse maakt in de inleiding gelijk duidelijk dat we het deze keer niet gaan hebben over de ideële maar over de ruimtelijke geschiedenis van de universiteit vanaf 1945 die verder gaat dan het praktische onderzoek ten behoeve van het campusmanagement. Een universiteitshistorisch perspectief zou volgens hem licht kunnen werpen op de interactie tussen universiteit en stad. Hoewel niet alle veertien universiteiten aan bod komen krijg je bij lezing toch de indruk dat deze bundel een behoorlijk representatief beeld schetst.

Esther Gramsbergen geeft in haar bijdrage met stadsplattegronden aan hoe universiteitsgebouwen van 1945 tot en met 2015 in verschillende steden als het ware door de stad schoven om van een aanvankelijke spreiding in het centrum uit te komen bij een concentratie van universiteitsgebouwen op een, twee en soms drie of zelfs vier locaties. Dat had doorgaans te maken met de ruimtelijke eisen van de verschillende faculteiten. Zowel concentratie als functiescheiding vormden leidraad van handelen.

Peter Jan Knegtmans legt de nadruk op de vergeten nieuwbouwplannen van de Universiteit van Amsterdam waarbij hij het ruimtelijke en bestuurlijke geworstel in de historische binnenstad belicht. Opmerkelijk hierin is de rol van de toenmalige stadsbouwmeester Chris Nielsen die met veel breekwerk een megalomaan complex uit de grond wilde stampen vanaf het Binnengasthuis tot zo ongeveer de Dam. Dat lukte hem niet, maar bij de Vrije Universiteit had hij toen al de opdracht binnen om het hoofdgebouw te ontwerpen. Het aanvankelijke grootschalige denken in de binnenstad maakte bij de Universiteit van Amsterdam uiteindelijk plaats voor concentratie van verschillende faculteiten over vier locaties verspreid.

Ab Flipse doet vervolgens uit de doeken hoe de Vrije Universiteit het voor elkaar kreeg om alle faculteiten op één plek te concentreren. Alleen kwam er niets terecht van het huisvesten van studenten op deze compacte campus. Die verhuisden naar een locatie in Amstelveen. Hij noemt het eerdergenoemde hoofdgebouw overigens een stoer icoon van calvinisme, suggererend dat je zo’n modern abstract gebouw symbolisch kunt laden.

Ruben Verwaal gaat nader in op de ruimtelijke configuratie van gebouwen voor de medische faculteit van Rotterdam op basis van maquettes. Die zijn van belang voor de besluitvorming omdat niet iedereen in staat is om bouwtekeningen op de juiste waarde te schatten. Ook hier, of moet ik zeggen juist in Rotterdam, blijkt moderne architectuur een vanzelfsprekendheid te zijn.

Marja Gastelaars neemt ons mee in een ander aspect van het bouwen. Wat architecten een programma van eisen noemen omschrijft zij als werkprocessen binnen de universiteit. Die verschillen nogal, als je tenminste Utrecht als voorbeeld neemt voor alle andere universiteiten. Met het benadrukken van de verschillen tussen de werkprocessen van alfa-, bèta-, gamma- en medische faculteit beweert ze ook dat die het oorspronkelijke ontwerp van de Uithof stedenbouwkundig onsamenhangend maakten. Daar kun je zo je twijfels bij hebben, omdat het oorspronkelijk te ruim opgezette plan wel degelijk samenhing door zijn uniforme architectuur en het overdadige landschap.

Tot slot gaat Jorrit Smit nader in op de verandering na 1979 toen de Innovatienota van de Rijksoverheid de veronderstelde ivoren toren van de universiteit wilde verruilen voor een of andere maatschappelijke inbedding. Voor de Tweede Wereldoorlog stonden de universitaire gebouwen weliswaar door de stad verspreid maar bestond de academische gemeenschap vooral uit rijkeluiskinderen die zich in een ivoren toren waanden. In de jaren 60 groeide het maatschappelijk besef bij studenten die gratis diensten gingen verlenen aan minder bedeelden (in kennis en portemonnee). Na de economische crises kreeg dat een economisch tintje toen menig bestuurder in de ban raakte van Silicon Valley dat model stond voor de huidige science parken.

Terugblikkend op alle informatieve casestudies in deze bundel krijg je het beeld dat naoorlogse universiteiten overvallen werden door een enorme studentenaanwas die niet meer in de bestaande bebouwing ondergebracht kon worden. Als geluk bij een ongeluk vormde dat een prima aanleiding om fris opnieuw te beginnen aan de rand van de stad. Daar ontstonden verschillende moderne varianten van een bedrijventerrein, abusievelijk campus genoemd. Alleen de nieuwe universiteit in Twente, waar studenten verplicht werden om te gaan wonen, kan immers met recht een campus genoemd worden. Elders in het land heerste de opvatting dat studenten tussen de gewone mensen in de stad hoorden te wonen. De angst voor ivoren torens speelde daar mede een rol in.

Deze door massaliteit gedreven moderniseringsgolf betekende ook dat efficiency, functiescheiding alsmede concentratie leidend werden in het ontwerpproces. Daarmee ontstonden er – wellicht onbedoeld – nieuwe monofunctionele ivoren torens (universiteitscomplexen) aan de rand van de stad. Deze worden nu omgevormd tot science parks waar studentenwoningen ook een plekje krijgen. Dat roept bij mij (als stedenbouwkundige) de vraag op in hoeverre de universiteit zijn identiteit als academische gemeenschap nog weerspiegeld kan of moet zien in een nader te kiezen ruimtelijke identiteit. Deze bundel vormt hoe dan ook een goede aanleiding om daar verdere invulling aan te geven.

Noot redactie: lees ook het artikel ‘Van kot naar campus’ van dezelfde auteur.

Author profile
Paul is stedenbouwkundige, onderzoeker en ontwerper bij KuRbiN (www.kurbin.nl) en docent binnen het Hoger Onderwijs voor Ouderen.

KuRbiN is een bureau dat de beleving van stedenbouw intensiveert met lezingen, excursies, onderzoek, publicaties en foto’s. Het belicht de ontwerphistorie van steden vanaf de industriële revolutie op basis van eigen onderzoek en analyses, met eigen tekeningen en foto’s. KuRbiN vertelt verhalen die aanzetten tot excursies, tot ontdekkingen waar de doorsnee stedentrip niet in voorziet. Het leert je anders naar steden kijken.

Author profile
Paul is stedenbouwkundige, onderzoeker en ontwerper bij KuRbiN (www.kurbin.nl) en docent binnen het Hoger Onderwijs voor Ouderen.

KuRbiN is een bureau dat de beleving van stedenbouw intensiveert met lezingen, excursies, onderzoek, publicaties en foto’s. Het belicht de ontwerphistorie van steden vanaf de industriële revolutie op basis van eigen onderzoek en analyses, met eigen tekeningen en foto’s. KuRbiN vertelt verhalen die aanzetten tot excursies, tot ontdekkingen waar de doorsnee stedentrip niet in voorziet. Het leert je anders naar steden kijken.

Artikel gegevens:
Auteur(s):Paul Kurstjens

14 februari 2021

Whatsapp

Reageer op deze publicatie

1 Reactie

  1. Wil de Vrey- Vringer

    -Inderdaad zeer jammer dat ruimtelijke actualiteit er bekaaid afkomt.
    Mede gezien titel: Ruimtelijke transformatie..
    -Jammer niet alle 14 universiteiten aan bod.
    Teveel aandacht voor Amsterdam?
    -Je kritiek op de behandeling van Utrecht door Maja Gastelaars
    lijkt me terecht!

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.