Breukvlakken en continuïteit van stedenbouw in Duitsland

10 februari 2020

Noud de Vreeze (2018)

De ziel van Duitse steden; het drama van verwoesting en wederopbouw

Boiten, Amersfoort
430 p.
ISBN 978-90-826367-3-4
€ 49,90

Het recente boek van Noud de Vreeze De Ziel van Duitse Steden voorziet in een belangrijke lacune van de geschiedenis van de stedenbouw in Duitsland over de laatste eeuw. Terwijl de boekenkasten gevuld zijn met de geschiedenis van afzonderlijke steden, bestaan er – ook in Duitsland – nauwelijks generieke overzichten. Hier moet wel bij worden aangetekend dat De Vreeze zich voornamelijk op West-Duitse steden heeft geconcentreerd, de naoorlogse ontwikkeling van steden in Oost Duitsland zou een aanvullende studie noodzakelijk maken.

Het boek beschrijft de geschiedenis chronologisch in drie tijdvakken: de periode tot de jaren dertig, het tijdperk van de nazi’s, en de naoorlogse wederopbouw en stadsontwikkeling. Hieraan vooraf gaat een beschrijving over de impact van de Tweede Wereldoorlog op de ontwikkeling van Duitse steden. Het geheel is rijkelijk voorzien van foto’s en beeldmateriaal, niet in de laatste plaats van de verwoestende sporen die de oorlog heeft achtergelaten en de nieuwe invulling daarna.

De twee wereldoorlogen vormen de belangrijkste breuklijnen in deze geschiedenis – vooral de tweede wereldoorlog – omdat toen praktisch alle grote Duitse binnensteden met de grond gelijk zijn gemaakt. De Vreezes speurtocht richt zich op de vraag hoe het voor- en het naspel van die twee verwoestende perioden zich tot elkaar verhouden en geeft en passant een wijds beeld van de concurrerende denkbeelden die elkaar in de stedenbouw hebben opgevolgd.

Opvallend genoeg, kan de continuïteit van de historische lijnen goed in de moderne stadsontwikkeling getraceerd worden. In veel stadcentra is de historische fysiognomie grotendeels hersteld en is de nieuwe stedenbouw ingebed in de oude patronen van infrastructuur. Men zou verwachten dat de uitgebrande binnensteden volgens moderne opvattingen compleet nieuw geordend zouden worden (Bauhaus in de jaren twintig en het hierop voortbordurende functionalisme in de jaren vijftig), maar de stedenbouwkundigen die hiervoor wel de plannen aanleverden, kregen doorgaans slechts in beperkte mate de kans. Vernieuwing greep sneller om zich heen in de nieuwe buitenwijken dan in de historische binnensteden. De belangrijkste redenen die De Vreeze voor de historische continuïteit van de binnensteden aanvoert, betreffen ten eerste de enorme schaarste van publieke middelen na de oorlog waardoor de vernieuwing slechts mondjesmaat op gang kwam en voor grote infrastructurele doorbraken de middelen simpelweg niet aanwezig waren. Daarnaast was een groot deel van de ondergrondse infrastructuur behouden gebleven. De Vreeze wijst voorts op de grote betekenis van de verspreide individuele eigendom van grond. De gefragmenteerde grondeigendom leidde ertoe dat ook de vernieuwing gefragmenteerd en veelal binnen de historische rooilijnen ter hand is genomen. Ook zijn veel gezichtsbepalende landmarks met het toenemen van de naoorlogse welvaart geleidelijk weer in de oude luister opgetrokken. Als gevolg van dit alles is de historische gelaagdheid van de binnensteden weer zichtbaar geworden, juist ook in de meest verwoeste delen.

Pagina uit ‘De ziel van Duitse steden’

De gelaagdheid van de stedenbouw in de twinstigste eeuw laat zich lezen als een voortdurende reeks van actie en tegenactie. De centrale stad werd in het begin van de vorige eeuw niet gekoesterd door stedenbouwkundigen en planologen. De compacte setting van de grote steden (met hun spreekwoordelijke Mietkasernen) was een verzamelpunt van sociale problemen die tijdens de explosieve industrialisatie waren veroorzaakt. Voor stedenbouwers stond al in het begin van de eeuw vast dat een heilzame ontwikkeling van grote steden op regionaal schaalniveau georganiseerd moest worden. De urbanisten koesterden decentralisatie en de ontwikkeling van nieuwe tuinsteden. De opkomst van het modernisme in de jaren twintig met opvallende bewegingen als Bauhaus, zakelijke architectuur en functionalistische stedenbouw greep nu ook in de centrale steden om zich heen met functionele concepten, nieuwe bouwstijlen en materialen. Het modernisme greep na de eerste wereldoorlog om zich heen maar werd al weer getemperd door de machtsovername van de nazi’s in 1933. Hitler moest niets van Bauhaus hebben hoewel sommige voorlieden (zoals Gropius en Le Corbusier) wel zijn aandacht hebben gezocht. De belangstelling van de nazi’s ging voornamelijk naar neo-klassieke, pompeuze architectuur en dito brede doorbraken van het historisch weefsel van steden. Zij hadden wel idealen over woningbouw – naar het rurale voorbeeld van Zuid-Duitsland – maar woningbouw kreeg in deze periode geen prioriteit. Na de oorlog, streefden de steden naar wederopbouw en herstel van de vooroorlogse binnensteden en richtte de functionele vernieuwing zich vooral ook op de ordening van nieuwe stadsranden. De populariteit van Jane Jacobs aan het eind van de jaren zestig en begin jaren zeventig bood weer een nieuwe contramal tegen het overheersende functionalisme. Het stedelijk denken trekt samen; de aandacht voor stadsvernieuwing, compacte stedelijke ontwikkeling en lokaal-stedelijke diversiteit in de bestaande stedelijke omgeving gaan de stedenbouw tot diep in de jaren tachtig domineren. Intussen behoort ook Jane Jacobs al weer tot de geschiedenis maar De Vreeze’s historische analyse begeeft zich wijselijk niet in de eigen tijd.

Al met al geeft De Vreeze een uniek overzicht van de historische dynamiek en gelaagdheid van Duitse steden in de laatste eeuw, een ontwikkeling die altijd een nauwe wisselwerking met de stedenbouw in ons land heeft onderhouden (met uitzondering van het pompeuze intermezzo van het nazisme). Het meest opvallende verschil is wellicht dat grote steden in Duitsland al vanaf het begin van de vorige eeuw een regionaal profiel trokken (infrastructuur, industrie, groenvoorziening en dosering van woningbouw), iets waar onze steden nog steeds moeite mee hebben. Het begrip centraliteit werd hier in veel gevallen niet louter vanuit een dominant middelpunt gevormd maar door een aanvullend netwerk van stedelijke kernen. De planologie van de Duitse stad is meer van buiten naar binnen georiënteerd dan de rond de stadskern centrerende cultuur van Nederlandse steden. Voorts bevat het boek veel lering over de concurrentie tussen dominerende denkbeelden die elkaar in de loop van de tijd hebben afgelost. Deze bewegingen laten de contrasten zien tussen compactheid en extensie van stedenbouw en tussen rationele calculatie van functie en gebruik tegenover de organische groei en diversiteit van stedelijke beleving. Wie het totaal van deze stedelijke geschiedenis tot zich wil laten doordringen, zou zich aan het exemplarische voorbeeld van de stadswandeling in München moeten laven, die De Vreeze merkwaardigerwijze niet als conclusie maar als proloog aan zijn boek heeft toegevoegd.

Author profile
Willem is professor emeritus 'Urban and Regional Planning' van de Universiteit van Amsterdam

Willem Salet (W.G.M.Salet@uva.nl) chaired Urban Planning from 1998 to 2017. He was the Scientific Director of the Amsterdam study center for the Metropolitan Environment AME (1997-2003). He was the President of the Association of European Schools of Planning (AESOP) 2008-2010 and was awarded AESOP Honorary Membership in 2016. As a sociologist and urban planner, Willem Salet specializes in the institutional aspects of metropolitan development. Institutions are conceived in sociological sense as the patterning of public norms. He investigates the cultural, legal and political dimensions of public norms in the making of sustainable metropolitan spaces.

Salet coordinated a lot of international and national comparative research into urban development, governance and strategic urban projects.

Author profile
Willem is professor emeritus 'Urban and Regional Planning' van de Universiteit van Amsterdam

Willem Salet (W.G.M.Salet@uva.nl) chaired Urban Planning from 1998 to 2017. He was the Scientific Director of the Amsterdam study center for the Metropolitan Environment AME (1997-2003). He was the President of the Association of European Schools of Planning (AESOP) 2008-2010 and was awarded AESOP Honorary Membership in 2016. As a sociologist and urban planner, Willem Salet specializes in the institutional aspects of metropolitan development. Institutions are conceived in sociological sense as the patterning of public norms. He investigates the cultural, legal and political dimensions of public norms in the making of sustainable metropolitan spaces.

Salet coordinated a lot of international and national comparative research into urban development, governance and strategic urban projects.

Whatsapp

Reageer op deze publicatie

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *