Van onland tot plaggenhutten

5 januari 2021

Auke van der Woud (2020)

Het landschap, de mensen: Nederland 1850-1940

Prometheus, Amsterdam
448 p.
ISBN 978-9-04464-593-4
€ 29,99

‘Onland’. Prachtig woord. In de negentiende eeuw werd het regelmatig gebruikt, want het bestond nog. Onland is land noch water, zeg moeras. Je kunt het niet bevaren, je kunt er ook niet op lopen, je kunt er eigenlijk niets mee behalve in wegzakken. Dat gold in Brabant voor grote stukken van de Peel en de Biesbosch, hoogveengebieden in Groningen en Drenthe (Bourtangerveen) en talloze zogenaamde rietzodden, kraggen of drijftillen in Holland (Kaag), Overijssel (Weerribben) en Friesland (Bankopolder).

Geen wonder dat men ervan af wilde. In de loop van de twintigste eeuw lukte dat ook, grotendeels althans. Een kwestie van waterbeheersing. Maar eenvoudig was die beheersing niet, zodat grote delen van voornoemde gebieden een eeuw geleden nog geheel onontdekt en zeker niet opgemeten of ontsloten waren. De Peel bijvoorbeeld. In 1919 schatte een landmeter, tevens kenner, dat het gebied vijftien uur ‘gaans’ (lopen) lang en vier uur breed was. Meer kon hij er niet van zeggen.

Onland is een extreme variant van wat Auke van der Woud in zijn proefschrift van 35 jaar geleden (1987) Het lege land noemde. In dat boek beschrijft hij de ruimtelijke orde van Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw. Toen zag ons land er volstrekt anders uit dan tegenwoordig, ongeveer zoals in de zeventiende eeuw maar dan armer. Veel woeste grond, zandvlakten, heide, onland, natuur en steden zo klein ‘dat in de stille uren de geuren en geluiden van het land tot in het centrum ervaren werden’. Maar precies dit alles veranderde vanaf het midden van de negentiende eeuw. Vanwege de nieuwe grondwet en alles wat daarmee samenhangt, is het keerpunt zelfs vrij precies aan te wijzen: 1848. Vanaf dat moment ondergaan Nederland en de Nederlanders een ongekende verandering, niet alleen in de ruimtelijke orde maar ook in de maatschappelijke inrichting en daarmee in zowel de collectieve als de individuele normen en waarden.

Nadat Van der Woud, eerst in Amsterdam, daarna in Groningen, hoogleraar in de architectuur en stedenbouwgeschiedenis was geworden, begon hij aan een groots project dat ondertussen al minstens drie boeken duurt en de ‘invulling’ c.q. modernisering van het eerder door hem beschreven lege land betreft. Dat project begon in 2007 met Een nieuwe wereld: Het ontstaan van het moderne Nederland, werd in 2015 gevolgd door (het prachtige!) De nieuwe mens: De culturele revolutie in Nederland rond 1900 en kreeg onlangs een derde deel met Het landschap, de mensen: Nederland 1850-1940. Het thema van deze drie boeken is hetzelfde: het begin van de wereld waarin wij geboren en opgegroeid zijn, met massaproductie en massaconsumptie, massamobiliteit en massacommunicatie, klemtoon vanzelfsprekend op dat ‘massa’. Alles werd groot en groter, snel en sneller, geordend en geordender, geregeld en beheerst.

Terwijl het eerste deel van deze drie nogal hybride is en vooral, letterlijk en figuurlijk, ‘energie’ beschrijft, gaat het tweede deel vooral over steden en mentaliteiten en dit laatste deel over het platteland, in het bijzonder over de vele pogingen het grotendeels ongebruikte en onbruikbare land nuttig te maken, plus de maatschappelijke en mentale gevolgen van die pogingen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Van der Woud in de loop van 35 jaar meer geïnteresseerd is geraakt in dat laatste en tot de overtuiging is gekomen dat het uiteindelijk altijd om ons, mensen, gaat. De omgeving is ‘slechts’ voorwaarde.

Vandaar ook dat het eigenlijke onderwerp van zijn laatste boek niet de modernisering van de Nederlandse landbouw is maar de opvattingen over en gevolgen van die modernisering voor het Nederlandse platteland en de samenleving. Het verklaart dat Van der Woud in zijn tekst springt van onland naar plaggenhutten naar trekarbeid, de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog, de Zuiderzee en de vraag of er (nog?) zoiets bestaat als een tijdloos Nederland, zo ja, waardoor dat gekenmerkt wordt. Fraai vooral zijn de beschrijvingen van de wijze waarop het stadse leven langzaam het platteland verovert. Kenmerkend hiervoor is een fenomeen dat Van der Woud in De nieuwe mens uitvoerig beschreven heeft als ‘de cultuur der dingen’: ‘meer inkomen, meer spullen en meer individuele ontplooiing’.

Van der Woud is veel te veel kind van deze tijd om bij deze constatering de aloude klaagzang over het verval van platteland en oorspronkelijke culturen aan te heffen, maar kan een zekere bezorgdheid toch niet verbergen. In dat verband verwijst hij zowel aan het begin als aan het eind van Het landschap, de mensen naar Jac. P. Thijsse, Nederlands meest bekende natuurliefhebber en tijdgenoot (1865-1945) van de in het boek beschreven ontwikkeling. Thijsse maakte zich wel degelijk zorgen over een land waarin geen plekje natuur meer over was. ‘Veertig jaar geleden zagen sommigen deze [donkere] wolk reeds opkomen’, schreef hij in 1939, ‘echter niet vermoedend, dat de toestand zo spoedig kritiek zou worden.’

De toestand kritiek? Van der Woud herinnert er aan het begin van zijn boek aan dat de Tweede Wereldoorlog, eindpunt van zijn boek, slechts een korte onderbreking van de in 1850 begonnen ontwikkeling was. Pas daarna gingen ‘alle remmen los’. Groter werd nog veel groter, sneller nog sneller, meer veel meer, terwijl ordening, regeling en beheersing zo ver gingen dat zij hun tegendeel creëerden: chaos. Eenmaal zo ver lijkt enige bezorgdheid inderdaad onvermijdelijk. Van der Woud verkondigt die aan de hand van de mythe over koning Midas: alles wat hij aanraakte, veranderde in goud, ook zijn voedsel. Hongerdood dreigde. Het liet Midas geen andere keus dan zijn toverkracht op te geven.

Deze recensie verscheen eerder in De Groene Amsterdammer, 2020, nr. 48, 26 november 2020, p. 61 

Author profile
Chris van der Heijden
Chris is historicus en publicist, daarnaast doceert hij aan de School voor Journalistiek in Utrecht.

Chris van der Heijden publiceerde zo’n vijftien boeken, met name over de Tweede Wereldoorlog en Spanje. In 2011 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op Dat nooit meer: De nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. In hetzelfde jaar werd hij door De Gids, vanwege eigenzinnige historische boeken als Zwarte renaissance (1998) en Grijs verleden (2001), uitgeroepen tot de belangrijkste historicus van Nederland.

In zijn meest recente boek Zwarte canon: Over de schaduwzijde van de geschiedenis (2013) stelt Van der Heijden dat onze blik op de eigen geschiedenis veel te rooskleurig is. Een jaar eerder publiceerde hij in De Groene Amsterdammer al een pleidooi voor eerlijke geschiedschrijving, waar dit boek een uitbreiding van is.

Behalve essays, historische beschouwingen en recensies schrijft Van der Heijden een column voor De Groene Amsterdammer, waarin hij de nieuwe ontwikkelingen in de media probeert te duiden, maar dan wel met de wijsheid van de historicus die, met Prediker, weet dat er ‘niets nieuws onder de zon’ is.

Whatsapp

Reageer op deze publicatie

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.