De geplande en de geleefde stad

22 oktober 2017

Ivan Nio (2016)

Moderniteit en suburbaniteit in de nieuwe stad: Almere, Cergy-Pontoise, Milton Keynes

Universiteit van Amsterdam, Amsterdam
343 p.
ISBN 978-94-028-0323-5
Te downloaden via UvA-DARE

Dit proefschrift komt niet uit de universitaire promotiefabriek. Daar voegen pas afgestudeerden zich in lopende onderzoeksprogramma’s, doen hun onderzoekswerk en verlaten na een paar jaar de fabriek met een titel op zak. Ivan Nio heeft juist veel praktijkervaring met onderzoek naar allerlei aspecten van de suburbane stad en stedelijkheid. Dat heeft tot een zeer rijk en doorleefd proefschrift geleid. Hij laat uiteindelijk de open blik en de empirische nieuwsgierigheid zwaarder wegen dan het theoretisch bouwwerk. Dat bewijst maar weer de waarde van de buiten-academische promotie.

Met hun nieuwsgierigheid naar het suburbane leven zijn onderzoekers als Ivan Nio en Arnold Reijndorp (een van zijn promotoren) lang opgeroeid tegen de desinteresse van de hoofdstroom van de academische wereld in. Want daar leefde de overtuiging dat de ware stedelijkheid alleen te vinden is in de grootstedelijke openbare ruimte, met spanning, heterogeniteit en onverwachte ervaringen. De suburbane stad werd gezien als de ontkenning van dat alles: gericht op comfort, homogeniteit en zekerheid, en zonder noemenswaardige openbaarheid. Met praktijkonderzoek is dit vooroordeel langzamerhand gesloopt. Het proefschrift van Nio zet daar nog eens een kroon op door die te plaatsen in de theorieën over stedelijkheid, suburbaniteit en moderniteit. Maar desondanks leeft het academisch vooroordeel nog steeds, getuige een reactie van hoogleraar Zef Hemel in een blog over het proefschrift. Almere, dat is toch die stad waar iedereen zich overal aan ergert, steeds verhuist uit angst en waar de PVV de grootste partij is (zie de weblog van 14 november 2016 op www.zefhemel.nl).

De drie ‘nieuwe steden’ Almere, Cergy-Pontoise (ten Noordwesten van Parijs) en Milton Keynes (ten Noordwesten van Londen) vormen de basis van het proefschrift. Het zijn naoorlogse geplande steden, als antwoord op de sterke groei van de grote steden en vanaf eind jaren zestig ook als het suburbane alternatief voor de eerdere hoogbouwwijken. Die nieuwe steden hebben zich ontwikkeld in het spanningsveld van de ‘geplande stad’ en de ‘geleefde stad’, oftewel de stad zoals die er in de ogen van de planologen en stedenbouwkundigen uitzag en de stad die ontstond in het gedrag en de ervaringen van de bewoners. En daarmee is ook de empirische basis van het proefschrift nader gespecificeerd: de gedachten en concepten achter de planning van de drie nieuwe steden en de ervaringen en het gedrag (de sociaal-ruimtelijke praktijken) van de bewoners.

De spanning tussen geplande stad en geleefde stad is een belangrijk leidmotief van het proefschrift. Milton Keynes en Cergy-Pontoise zijn twee uitersten in de geplande stad. Milton Keynes was een laatkomer in de Engelse ontwikkeling van new towns, die vlak na de Tweede Wereldoorlog was begonnen. Gebaseerd op de idealen van de Garden City-beweging, het combineren van het beste van stad en platteland. Dat kon in hun ogen alleen in kleine steden van enkele tienduizenden inwoners. Later kwam de schaalvergroting, zeker toen Milton Keynes in 1967 als new town werd aangewezen. Op tachtig kilometer van Londen, uiteindelijk bedoeld voor een kwart miljoen inwoners. Om deze groei te kunnen realiseren kreeg Milton Keynes een gridstructuur en werd mede om die reden gezien als de meest Amerikaanse stad van Engeland, met referenties naar Los Angeles en een voorkeur voor modernistische architectuur. Was de omvang van Milton Keynes naar Engelse opvattingen groot, voor de Franse planners van de Villes Nouvellesvormde ze eerder een ondergrens. Zij kozen voor vijf Villes Nouvellesop twintig à dertig kilometer van Parijs, met een omvang tot een half miljoen inwoners. Daarmee moesten ze een stedelijk karakter krijgen, met de Parijse voorzieningen binnen handbereik. Stedelijke Signalementencentra kregen een duidelijke plek in de Villes Nouvelles. De aanvankelijke voorkeur voor modernistische bouw werd al snel getemperd, mede onder druk van de lokale politiek. Historiserende bouw, waaronder de spraakmakende complexen van architect Ricardo Bofill, deed zijn intrede en ‘enigszins schoorvoetend’ (p. 46) werden er eengezinswoningen gebouwd. Maar de referentie bleef Parijs, niet Los Angeles. Almere is de jongste stad van de drie en was ook de laatbloeier van het Nederlandse groeikernenbeleid. Pas in 1984 werd Almere een gemeente. Gelegen op dertig kilometer van Amsterdam moest de groeikern door een flexibele opzet kunnen doorgroeien tot een inwonertal ergens tussen de 100.000 en 250.000 inwoners. Het groeikernenbeleid was vooral een pragmatisch volkshuisvestingsbeleid, niet zozeer geënt op een planologisch of stedenbouwkundig concept. Toch is ook in Almere het spanningsveld tussen suburbaniteit en stedelijkheid manifest, zoals de vernieuwing van het centrum laat zien. Maar anders dan Milton Keynes en Cergy-Pontoise kent Almere nauwelijks historische of historiserende bouw.

Hoe zit dat met de geleefde stad? Allereerst geldt voor alle drie de steden dat die geleefde stad veel gevarieerder is dan de planologische en stedenbouwkundige concepten. De bewoners ‘voegen zich niet willoos naar de (ontworpen) ruimten’ (p. 290), maar zetten die naar hun hand. Bovendien verandert door de sterke groei de stedelijkheid veel sneller dan elders, ook in cultureel opzicht. De dominante leefstijl blijft suburbaan, meer gericht op huiselijkheid en stabiliteit dan op openbaarheid en verrassing. Tegelijkertijd zoeken de bewoners ook de stedelijkheid op, al was het maar omdat die via internet de huiselijke sfeer binnendringt. Er zijn ook verschillen tussen de drie geleefde steden. In Cergy-Pontoise is het belang van het publieke leven groter, terwijl in Milton Keynes en Almere de private sfeer dominant is. Maar in Almere zijn de grenzen tussen privaat en publiek veel poreuzer dan in Milton Keynes. Onduidelijk blijft overigens of voor deze verschillen vooral de nationale culturen of lokale factoren verantwoordelijk zijn.

Al lezende bekropen mij twijfels over de meerwaarde van het theoretische begrip moderniteit. Waar geplande stad en geleefde stad evenals stedelijkheid en suburbaniteit mooie spanningsbogen voor het onderzoek zijn, is het begrip moderniteit zo groot neergezet dat het vrijwel alle aspecten van het stedelijk en suburbane bestaan omvat. Door de alomvattendheid verliest het begrip aan scherpte en daarmee aan waarde voor het betoog. Achter de rug van moderniteit komen bovendien gekunstelde begrippen tevoorschijn, zoals bewoners die ‘hun leefwijze assembleren’. Het verhaal had in mijn ogen met minder omhaal verteld kunnen worden aan de hand van de vier eerder genoemde begrippen. Maar dit doet aan mijn grotere waardering voor de empirisch rijkdom van het proefschrift niets af.

Author profile
Ries is hoofd van de sector Ruimtelijke Ordening en Leefomgevingskwaliteit bij het Planbureau voor de Leefomgeving.

Author profile
Ries is hoofd van de sector Ruimtelijke Ordening en Leefomgevingskwaliteit bij het Planbureau voor de Leefomgeving.

Whatsapp

Reageer op deze publicatie

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *