De ontwerper als verbinder

25 mei 2018

Thijs van den Boomen, Eric Frijters, Sandra van Assen en Marco Broekman (red.) (2017)

Stedelijke vraagstukken, veerkrachtige oplossingen. Ontwerpend onderzoek voor de toekomst van stedelijke regio’s

trancity*valiz, Haarlem
280 p.
ISBN 978-94-92095-32-9
€ 27,50

De laatste jaren is binnen de gebiedsontwikkeling een belangrijke verschuiving te zien van een grootschalige, projectmatige werkwijze naar een meer organische aanpak van onderop waarbij de potentiële kwaliteiten van een gebied worden benut. Plannen, ontwerpen en visies zijn daarbij nog altijd welkom, maar niet als blauwdruk. Ze moeten fungeren als middel om te inspireren en de mogelijkheden te verbeelden. Hoewel dit gedachtegoed alweer onder druk staat in steden met een tekort aan woningen, zien we dat ontwerpers mede door deze verschuiving in de afgelopen jaren op zoek zijn gegaan naar een nieuwe rol. Ten eerste door aan andere tafels aan te schuiven. Ze verbreden hun inhoudelijke speelveld: naast ruimtelijke eenheden zetten zij zich ook in voor zaken als water-, afval-, energie- en voedselstromen. Ten tweede proberen ontwerpers eerder aan tafel te schuiven: zij willen al vanaf de ideeënfase betrokken zijn en niet pas bij de ontwerpfase.

Het lectoraat Future Urban Regions (FUR), dat verbonden is aan diverse academies van bouwkunsten in Nederland, heeft de afgelopen drie jaar in achttien ontwerpateliers onderzoek gedaan naar deze nieuwe rol van de ontwerper (architecten, stedenbouwers, landschapsarchitecten). Een rol die in hun ogen eerder ondersteunend, onderbouwend en onderzoekend zou moeten zijn dan oplossend, doelgericht of uitvoeringsgericht. Deze rol en werkwijze wordt samengevat onder de noemer van ontwerpend onderzoek. Het ontwerp wordt daarbij ingezet om te bevragen, te inspireren, kansen te identificeren, besluitvorming te voeden, partijen te verbinden en om te onderzoeken wat mogelijk is. De ontwerper is daarmee veel minder een artistiek ingenieur en veel meer een onderzoeker. De lectoraten hebben hun (en andere) ervaringen gebundeld in het schitterend vormgegeven boek Stedelijke vraagstukken, veerkrachtige oplossingen. Aan de hand van een driedeling in wat, hoe, en wie, beschrijven ze de meerwaarde en valkuilen van ontwerpend onderzoek.

Onder het kopje ‘wat’ staan de nieuwe thema’s voor de ontwerper centraal met vooral aandacht voor de eindigheid van de bronnen van moeder aarde. De ruimtelijke opgaven concentreren zich daardoor niet meer alleen op het traditionele wonen, werken en recreëren, maar ook op de vraag hoe we omgaan met de beperkte voorraden grondstoffen, materialen en energie. De auteurs doen een pleidooi om als ontwerpers een rol te spelen in het realiseren van wat zij “gezonde stedelijkheid” noemen. Dit concept wordt in het boek uitgewerkt in een zestal thema’s: veerkrachtige infrastructuur, duurzame energie, materialencyclus, vitale economie, gezond leven en sociaal-culturele verbondenheid. Binnen deze thema’s passeren alle trends en begrippen van dit moment de revue: energietransitie, circulaire economie, cradle to cradle, metabolisme, hittestress, sociaal inclusief, diversiteit, smart cities en urban farming. Vaak zijn dit holle begrippen, maar in het boek krijgen ze handen en voeten doordat ze naast een inhoudelijke beschrijving rijk worden geïllustreerd met (inter)nationale praktijkvoorbeelden, zoals de wateropslag op het Benthemplein in Rotterdam en het bio-energiepark bij Saerbeck (Duitsland). Daarnaast gaan de begrippen meer leven door de ontwerpvoorstellen van de verschillende hogescholen. Onder andere voor een werkgebied in Groningen (eendenkroos op ongebruikte kavels), een mijnwerkerswijk in Heerlen (grondstoffenbank) en het Eindhovens Kanaal (kweekvijver voor algen).

Onder het kopje ‘hoe’ wordt de samenwerking rondom deze stedelijke vraagstukken besproken en de rol van de ontwerper in dit proces. Daar horen andere methoden en technieken bij dan in het verleden. Klassieke middelen als masterplannen en detailtekeningen moeten worden ingeruild voor denkbeelden, storytelling, animaties, mapping en scenarioplanning. Het voordeel van ontwerpend onderzoek is daarnaast dat het zich ontwikkelt van abstract naar concreet en convergeert van breed naar smal. Meer passend bij de complexiteit van de hedendaagse opgaven. Bij het driejarige traject van het FUR-lectoraat zijn drie procesmodellen getest voor ontwerpend onderzoek: de C3-kubus, het DTP-diagram en het ICCI-model. Hoewel getracht is om deze uit te werken in overzichtelijke afbeeldingen, wordt het boek hier net iets te technocratisch en theoretisch. Misschien nuttig voor studenten en experts, maar minder voor andere lezers. Dat komt mede doordat de relatie tussen de gehanteerde modellen en de uitgeschreven praktijkvoorbeelden minder sterk is dan in de andere delen van het boek.

Naast de inhoudelijke (‘wat’) en procesmatige (‘hoe’) verbreding zal de ontwerper ook steeds meer moeten gaan werken met andere partijen (‘wie’). Ook dat vergt een andere rol. Er is minder vraag naar een solistische ontwerper die aan de hand van iconische gebouwen en vastomlijnde structuurvisies de gebruiker een bepaald ideaal wil opleggen. Het gaat juist om een ontwerper die aan de hand van een iteratieve werkwijze rekening houdt met de ongrijpbaarheid van stedelijke vraagstukken en samenwerkt met zowel vakspecialisten uit andere disciplines als met een groot aantal stakeholders op nationaal, regionaal en stedelijk niveau. De individuele inspanning maakt, aldus de auteurs, plaats voor een collectieve aanpak. In dat bonte gezelschap van actoren die komen en gaan kan de ontwerper de stabiele factor zijn. Een makelaar, een gids, een verbinder.

Het boek is gelukkig niet louter een loftrompet voor ontwerp en ontwerpers. De ontwerper krijgt wel een groot aantal competenties toegewezen, maar aan de andere kant wordt ook opgemerkt dat een ontwerper geen procesmanager, financieel deskundige of jurist is. Het boek is daarmee redelijk genuanceerd en laat ook de beperkingen zien. Mede omdat veel van de beschreven projecten niet zijn uitgekozen uit een grote lijst van best practices, maar vraagstukken zijn waar de studenten en docenten van de verschillende hogescholen aan hebben gewerkt. Daardoor krijgt de lezer meer rijp en groen voorgeschoteld dan in veel andere boeken. Knap is dat het boek niet doorslaat naar de andere kant: het toont niet alleen een overzicht van afstudeerprojecten. De voorbeelden zijn ondersteunend aan het grotere verhaal en niet andersom. Ontwerpend onderzoek is niet de heilige graal en de ontwerper niet het schaap met vijf poten. Wel kan de ontwerper op veel vlakken een grotere rol spelen. Wellicht groter dan de lezer vooraf had gedacht.

Author profile
Gerben is stadsgeograaf, redacteur bij Rooilijn en schrijft regelmatig over stedelijke vraagstukken op zijn blog Stadslente / Urban Springtime. | Website

Sinds 2017 werkt hij enkele dagen per week als coördinator van het Platform Stad en Wijk. Een samenwerkingsverband van lectoraten van diverse hogescholen die zich door middel van praktijkgericht onderzoek bezighouden met maatschappelijke vraagstukken in stad en wijk.
Daarnaast werkt hij enkele dagen per week als kennismakelaar in Delft voor de gemeente, de Haagse Hogeschool, hogeschool Inholland en de TU Delft. Daar coördineert hij onder andere het opzetten en begeleiden van Stadslabs. Dit door vragen uit de wijk te koppelen aan studentenonderzoek. Veelal in samenwerking met maatschappelijke partijen én wijkbewoners. Om zo onderzoek, beleid, onderwijs en praktijk met elkaar te verbinden en meer gebruik te maken van elkaars kennis en expertise.

In het verleden was hij werkzaam als onderzoeker bij Onderzoeksinstituut OTB (TU Delft), als adviseur bij KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing, als sociaal projectleider in de Haagse Schilderswijk en als senior beleidsmedewerker en teamleider bij woningcorporatie Haag Wonen.

In zijn vrije tijd schrijft hij in diverse media en op zijn blog Stadslente over de relatie tussen de geplande en geleefde stad. Met daarbij speciale aandacht voor de manier waarop mensen de openbare ruimte gebruiken. Ook is hij redacteur bij Rooilijn waar hij de rubriek 'recensies en signalementen' coördineert.

Author profile
Gerben is stadsgeograaf, redacteur bij Rooilijn en schrijft regelmatig over stedelijke vraagstukken op zijn blog Stadslente / Urban Springtime. | Website

Sinds 2017 werkt hij enkele dagen per week als coördinator van het Platform Stad en Wijk. Een samenwerkingsverband van lectoraten van diverse hogescholen die zich door middel van praktijkgericht onderzoek bezighouden met maatschappelijke vraagstukken in stad en wijk.
Daarnaast werkt hij enkele dagen per week als kennismakelaar in Delft voor de gemeente, de Haagse Hogeschool, hogeschool Inholland en de TU Delft. Daar coördineert hij onder andere het opzetten en begeleiden van Stadslabs. Dit door vragen uit de wijk te koppelen aan studentenonderzoek. Veelal in samenwerking met maatschappelijke partijen én wijkbewoners. Om zo onderzoek, beleid, onderwijs en praktijk met elkaar te verbinden en meer gebruik te maken van elkaars kennis en expertise.

In het verleden was hij werkzaam als onderzoeker bij Onderzoeksinstituut OTB (TU Delft), als adviseur bij KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing, als sociaal projectleider in de Haagse Schilderswijk en als senior beleidsmedewerker en teamleider bij woningcorporatie Haag Wonen.

In zijn vrije tijd schrijft hij in diverse media en op zijn blog Stadslente over de relatie tussen de geplande en geleefde stad. Met daarbij speciale aandacht voor de manier waarop mensen de openbare ruimte gebruiken. Ook is hij redacteur bij Rooilijn waar hij de rubriek 'recensies en signalementen' coördineert.

Whatsapp

Reageer op deze publicatie

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.