Jg. 52 / Nr.2 / 2019

Redactioneel – Integraal zoeken

Door Melika Levelt Ooit schreef ik met een studiegenoot over de Provinciale Omgevingsvisie. We waren kritisch en gaven het stuk als titel ‘De wereld in één plan’. Niets mis met de ambitie om sectoraal beleid te doorbreken en meer integraal naar ruimtelijke vraagstukken te kijken, maar waar lagen de grenzen van de integratie van belangen en sectoren? […]

Lees meer →

Door Melika Levelt

Ooit schreef ik met een studiegenoot over de Provinciale Omgevingsvisie. We waren kritisch en gaven het stuk als titel ‘De wereld in één plan’. Niets mis met de ambitie om sectoraal beleid te doorbreken en meer integraal naar ruimtelijke vraagstukken te kijken, maar waar lagen de grenzen van de integratie van belangen en sectoren? We dachten dat de balans van integraal wel weer terug zou zwiepen naar sectoraal.

 

Dat hadden we mis, dacht ik toen ik de bijdragen in dit nummer las. Gerdy Verschuure-Stuip beschrijft hoe bij de bescherming van buitenplaatsen steeds grotere structuren in beeld zijn gekomen en daarmee steeds meer belangen. Die moeten integraal in balans worden gebracht. Like Bijlsma en Leo Pols pleiten ervoor de integrale blik ook eens op de stadrand als zelfstandige ruimtelijke categorie te werpen zodat ruimteclaims uit stad en land tegen elkaar afgewogen worden. De zoektocht naar methoden om alle belangen in beeld te krijgen als voorwaarde voor een integrale benadering is nog niet ten einde. Korrie Melis en Hilde Wierda- Boer beschrijven de methode DNA van het dorp. Karin Peeters laat zien hoe sociologisch onderzoek eveneens kan leiden tot een beter zicht op het dorp als startpunt voor ontwikkeling. Hedwig van der Linden en Tom Daamen tonen hoe ontwerpend onderzoek bij  gebiedsontwikkeling in steden tot een integraler begrip van de opgaven en mogelijke oplossingen kan leiden.

 

Mijn voorzichtige antwoord op de vraag naar de grenzen van integraal werken, na lezing van het nummer: de manier van kijken (zie je de stadsrand, de buitenplaatszone, of “het dorp als gemeenschap”) beïnvloedt sterk de aspecten die je integraal wil meenemen. Wie van een ander beeld uitgaat, ziet iets anders ontbreken. Wat dit betekent voor de ruimtelijke professional? Hilde Blank zegt in het interview dat ontwerpers over schalen heen moeten kijken, een bredere blik ontwikkelen, nieuwsgierig zijn. Buiten het eigen integrale beeld zoeken, dacht ik. Deze Rooilijn nodigt daar hopelijk toe uit.

 

 

Melika Levelt

Hoofdredacteur (m.levelt@hva.nl)

Lees minder

Interview – Hilde Blank

Interview met Hilde Blank door Marie Krop “Door de schalen en door de sectoren heen” Hilde Blank is als stadsstedenbouwer van de gemeente Leiden en bouwmeester bij een project- engebiedsontwikkelaar een kameleon die zich weet in te leven in alle spelers binnen de gebiedsontwikkeling. De samenhang tussen beleid, onderzoek en ontwerp loopt als rode draad door haar carrière. […]

Lees meer →

Interview met Hilde Blank door Marie Krop

“Door de schalen en door de sectoren heen”

Hilde Blank is als stadsstedenbouwer van de gemeente Leiden en bouwmeester bij een project- engebiedsontwikkelaar een kameleon die zich weet in te leven in alle spelers binnen de gebiedsontwikkeling. De samenhang tussen beleid, onderzoek en ontwerp loopt als rode draad door haar carrière.

Meer lezen? Klik hier

Lees minder

Ontwerpend onderzoek onmisbaar voor gebiedsontwikkeling?

Door: Hedwig van der Linden en Tom Daamen   Gebiedsontwikkelingsopgaven in de hedendaagse verstedelijking zijn per definitie meerduidig. Het gaat in 2019 niet meer om een eenduidig doel zoals wijkvernieuwing of de vitalisering van een bedrijventerrein. De opgaven in de grote steden gaan over verdichting, vermenging, vergrijzing én segregatie, maar ook over betaalbaarheid, gezondheid, klimaatadaptatie, energietransitie én […]

Lees meer →

Door: Hedwig van der Linden en Tom Daamen

 

Gebiedsontwikkelingsopgaven in de hedendaagse verstedelijking zijn per definitie meerduidig. Het
gaat in 2019 niet meer om een eenduidig doel zoals wijkvernieuwing of de vitalisering van een
bedrijventerrein. De opgaven in de grote steden gaan over verdichting, vermenging, vergrijzing
én segregatie, maar ook over betaalbaarheid, gezondheid, klimaatadaptatie, energietransitie
én nieuwe vormen van mobiliteit. En ieder stedelijk gebied heeft in zekere mate met al deze
vraagstukken te maken. Deze opgaven zijn niet los van elkaar op te lossen omdat ze betrekking hebben
op elkaar. Dit vraagt om een hedendaagse integrale aanpak en de vraag is hoe deze eruit kan zien.
HGebiedsontwikkelingsopgaven in de hedendaagse verstedelijking zijn per definitie meerduidig. Het
gaat in 2019 niet meer om een eenduidig doel zoals wijkvernieuwing of de vitalisering van een
bedrijventerrein. De opgaven in de grote steden gaan over verdichting, vermenging, vergrijzing
én segregatie, maar ook over betaalbaarheid, gezondheid, klimaatadaptatie, energietransitie
én nieuwe vormen van mobiliteit. En ieder stedelijk gebied heeft in zekere mate met al deze
vraagstukken te maken. Deze opgaven zijn niet los van elkaar op te lossen omdat ze betrekking hebben
op elkaar. Dit vraagt om een hedendaagse integrale aanpak en de vraag is hoe deze eruit kan zien.
Meer lezen, klik dan hier

Lees minder

Column O. Naptha – Moderne Tijden

Column O. Naphta Moderne tijden,   luidt de titel van een boek door Joos Philippens (2018),  journalist bij het Limburgs Dagblad. Het is een vie romancée over Marcel van Grunsven (1896-1969) die 35 jaar lang burgemeester van Heerlen was, van 1929 tot 1962. In de kern draait het om diens streven om van Heerlen een […]

Lees meer →

Column O. Naphta
Moderne tijden,

 

luidt de titel van een boek door Joos Philippens (2018),  journalist bij het Limburgs Dagblad. Het is een vie romancée over Marcel van Grunsven (1896-1969) die 35 jaar lang burgemeester van Heerlen was, van 1929 tot 1962. In de kern draait het om diens streven om van Heerlen een moderne stad te maken, modern in de zin van architectuur en stedenbouw. Van Grunsven vond een bondgenoot in architect Frits Peutz, een Groninger uit rooms-katholieke ouders, die na zijn internaatstijd op Rolduc (Kerkrade) in Delft studeerde en in 1920 een eigen architectenbureau in Heerlen begon.

 

Ofschoon Philippens dat lijkt te zijn ontgaan, voerde Van Grunsven een klassieke strategie: tracht een stad – of welke nederzettingsvorm dan ook – een eigen signatuur te geven door middel van een specifieke vormgeving en locatie van gemeenschapsgebouwen. Was dat voorheen het werk van heersers, krijgsheren, koningen, pausen en keizers, in moderne tijden mogen in het openbaar bestuur benoemde (gekozen) burgers dat proberen. Al voordat de parlementaire democratie uitbrak was de traditie ontstaan dat behalve openbare (bestuurs) gebouwen ook particuliere publieksgebouwen met een gemeenschapsfunctie de hoge eer te beurt viel cachet te geven aan hun omgeving: ziekenhuizen,
warenhuizen, buurthuizen. Gezichtsbepalend (publiek, sociaal, esthetisch) is hiervoor het toverwoord en doorslaggevende eigenschap. Op de vraag wie dat beter doen, democratisch gekozen bestuurders of
zelfbenoemde keizers, industrietycoons of soortgelijke op de schaal van autoritair tot dictatoriaal aangelegde types, gelieve de lezer zelf antwoord te geven.

 

Het nietszeggende – identiteitsloos in actuele planpraak – Heerlen dat Van Grunsven in 1929 aantrof, heeft hij achtergelaten met enkele parels van moderniteit: het Retraitehuis (1933), het Glaspaleis(1936) van Schunck – intussen prachtig gerestaureerd en in gebruik als bieb, museum en dansschool; ga dat zien – de bioscoop Royal (1938), het Raadhuis (1952) en de Schouwburg (1969). Het rooms-katholieke Retraitehuis was reeds in ontwikkeling, maar kreeg na de benoeming van Van Grunsven de juiste injectie tot uitvoering, omdat hij de aanstelling van Peutz als architect omarmde. Hoe zijn smaak werd gevormd, is niet helemaal duidelijk. In ieder geval was Van Grunsven buitengewoon gefascineerd door
de film Pantserkruiser Potemkin van Serge Eisenstein (1925), die tot zijn ergernis de lokale filmkeuring niet wist te passeren. De roomse voormannen in Heerlen vreesden het communisme nog meer dan het fascisme. Ook de Weissenhofsiedlung in Stuttgart (1927) vormde voor hem een inspiratiebron.

 

Met de betrekkelijk recente bodemdaling in Groningen voor ogen, zullen sommige lezers verrast opkijken dat bodemverzakkingen, trillingen, spontane instortingen (sinkholes) en overeenkomstige geologische ongemakken in de mijnbouwstreek gemeengoed waren. De functionalist Peutz, die geen bouwkunde maar civiele techniek had gestudeerd, hield rekening met zulke verstoringen en ontwierp voor zijn gebouwen lichte constructies (staalskelet) met los van elkaar beweegbare onderdelen.

 

Moderne tijden vertelt voor alles over een vervlogen tijdvak waarin een autoritaire burgemeester na sanering van de gemeentefinanciën (zijn primaire opdracht) zijn wethouders ruim overvleugelt en probleemloos zware inhoudelijke portefeuilles naar zich toetrekt. Van Grunsven nam afscheid voor de anti-regentenrevolutie van 1967. Hij bood alles wat in zijn tijd werd verwacht van een sterke burgemeester en verschafte daarmee tevens alle grondstof voor genoemde revolutie. Toen Van
Grunsven solliciteerde legde de gouverneur van Limburg alle brieven van niet-Limburgse sollicitanten zonder aarzelen terzijde en had hij zich bij voorbaat verzekerd van de steun van de directie van de Oranje Nassaumijnen en van Henri Poels, die de mijnwerkers voorzag van zuiver christendom en goede woningen. In een opvallend anachronisme laat de auteur op een bepaald moment Van
Grunsven iets ‘delen’ met anderen. Delen? Stel je voor. Deze burgemeester in ambtskostuum gaf inlichtingen, deelde iets mede en kapte vervolgens een wat naar hij vermoedde even langdradig als incompetent antwoord zou worden na twee zinnen af. Ze waren ten minste duidelijk, die moderne tijden.

Lees minder