Jg. 50 / Nr. 5-6 / 2017

Redactioneel – Op de helft van de honderd

“Geel is niet geel maar stralend goud!” schreef de ene helft van ons vormgeversduo me, toen ik in mijn onnozelheid voorzichtig informeerde waarom het omslag van dit feestelijke jubileumnummer geel was. “Want”, zo vervolgde ze, “50 jaar is gewoon een superjubileum voor een blad!” En zo is het natuurlijk maar net. We vieren onze vijftigste […]

Lees meer →

“Geel is niet geel maar stralend goud!” schreef de ene helft van ons vormgeversduo me, toen ik in mijn onnozelheid voorzichtig informeerde waarom het omslag van dit feestelijke jubileumnummer geel was. “Want”, zo vervolgde ze, “50 jaar is gewoon een superjubileum voor een blad!” En zo is het natuurlijk maar net.

We vieren onze vijftigste verjaardag met dit dubbeldikke nummer, waarin oude rotten reflecteren op de veranderingen in het vakgebied van de afgelopen halve eeuw, maar ook juist nieuwe gezichten schrijven over urgente thema’s zoals bijvoorbeeld de ongelijke sociale verdeling van milieulasten. En speciaal voor dit feestnummer vertellen vier redacteuren in de eenmalige rubriek “Op pad” over plekken die voor hen als geograaf belangrijk zijn.

Een blad wordt gemaakt door mensen, dus dit is ook de gelegenheid bij uitstek om de redacteuren van vroeger en nu, en natuurlijk ook de auteurs, in het zonnetje te zetten. De Rooilijn wordt gemaakt door een unieke combinatie mensen uit de werelden van de wetenschap, het beleid en het bedrijfsleven, die het keer op keer weer mogelijk maken dat het blad verschijnt.

Of we iets willen hebben voor onze verjaardag? Nou, nu u het toch vraagt: een klein cadeautje in de vorm van wat meer lezers en wat meer geld zouden we niet weigeren, nee, zoals vrijwel ieder tijdschrift in deze tijden. We zijn best een beetje trots op de Rooilijn, en daarom zouden we het fijn vinden wanneer nog meer mensen het blad zouden lezen. Meer abonnees zou ons ook wat meer financiële armslag geven, wat ook niet onwelkom zou zijn.

Kent u dus iemand waarvan u denkt “Die zou eigenlijk de Rooilijn moeten lezen”, schroom dan niet, en maak diegene dan vooral attent op ons blad. Bent u iemand waarvan u denkt: “Die zou eigenlijk de Rooilijn moeten steunen”, schroom dan niet, en lever een kleine bijdrage in de vorm van een gift.

Wat mij betreft zijn we trouwens pas halverwege. Vijftig is nog niets, op naar de honderd!

Carla Huisman
Eindredacteur Rooilijn (c.j.huisman@rug.nl)

Lees minder

Tweede Demografische Transitie nog lang niet uitgetrild

In de tweede helft van de vorige eeuw manifesteerde zich een nieuw demografisch patroon: het kindertal zakte in de Westerse wereld tot onder vervangingsniveau en het vanzelfsprekende huwelijk werd een optioneel ideaal. De overgang naar het nieuwe regime werd aangeduid als Tweede Demografische Transitie. Dit impliceert dat hier sprake is van een stabiele fase, wat […]

Lees meer →

In de tweede helft van de vorige eeuw manifesteerde zich een nieuw demografisch patroon: het kindertal zakte in de Westerse wereld tot onder vervangingsniveau en het vanzelfsprekende huwelijk werd een optioneel ideaal. De overgang naar het nieuwe regime werd aangeduid als Tweede Demografische Transitie. Dit impliceert dat hier sprake is van een stabiele fase, wat allerminst het geval is. Onzekerheid in de vorm van flexibele banen raakt de patronen van relatie- en gezinsvorming. Ook verhuizen mensen steeds vaker naar steden. Er lijkt sprake te zijn van structurele veranderingen. Zijn dit signalen van naschokken van de demografische transitie of zullen de veranderingen uiteindelijk toch meer zijn dan naschokken?

 

Lees hier het hele artikel van Jan Latten.

Lees minder

Paul Morel: “Vijftig jaar geleden was onze binnenstad gewoon een puinhoop”

Sinds haar oprichting in 1956 heeft Stadsherstel zeshonderd panden in Amsterdam en omgeving gered. Panden die soms al op de nominatie stonden gesloopt te worden en die Stadsherstel redde om hun historisch belang of hun beeldbepalende, monumentale waarde. Paul Morel werkt hier als projectleider restauratie en herbestemming en ziet de enorme toename in de belangstelling […]

Lees meer →

Sinds haar oprichting in 1956 heeft Stadsherstel zeshonderd panden in Amsterdam en omgeving gered. Panden die soms al op de nominatie stonden gesloopt te worden en die Stadsherstel redde om hun historisch belang of hun beeldbepalende, monumentale waarde. Paul Morel werkt hier als projectleider restauratie en herbestemming en ziet de enorme toename in de belangstelling voor het gebouwde erfgoed in Nederland. Maar ook daarbuiten strijdt Stadsherstel voor het behoud van historische panden. Hij blikt terug op vijftig jaar herstellen van de stad en wat de toekomst ons nog staat te wachten.

 

“Wat is jouw persoonlijke motivatie geweest om in dit vakgebied te werken?
“Van kinds af aan heb ik met mijn handen gewerkt en dat wilde ik blijven doen. Nadat ik mijn kandidaats Sociologie heb behaald, ben ik eerst in de bouw gaan werken en daarna bouwkunde gaan studeren op het Hoger Technisch Instituut (HTI). Na de middelbare school kwam ik in de jaren zeventig in Amsterdam te wonen, wat mijn interesse in de stedenbouw heeft gevoed. Amsterdam moest een city worden. De afweging was: meer autowegen, en dus meer auto’s, of het herstellen van de woonfunctie in de binnenstad. Dat culmineerde eigenlijk allemaal in de Nieuwmarktbuurt, waar ik destijds woonde. Mijn interesse in de stedenbouw en architectuur werd zo enorm aangewakkerd. Na mijn opleiding Bouwkunde ben ik door directeur Maarten de Boer gevraagd om bij
Amsterdams Monumenten Fonds (AMF) te komen werken, een NV gericht op het renoveren en beheren van industrieel en religieus erfgoed, niet op woningen. In 1999 is het AMF gefuseerd met Stadsherstel. Stadsherstel bestaat al sinds 1956 en hield zich vooral bezig met restaureren van woonhuisgebouwen in de binnenstad van Amsterdam en had tijdens de fusie eigenlijk maar twee echte niet-woonhuisgebouwen in bezit, de Amstelkerk in Amsterdam (waar Stadsherstel gevestigd is) en Schuilkerk de Hoop in Diemen. Door de fusie is daar ook industrieel erfgoed bij gekomen. Daar werk ik sindsdien als projectleider restauratie en herbestemming.”

 

Lees hier het hele interview met Paul Morel.

Lees minder

Column O. Naphta – Een halve eeuw

Een halve eeuw Rooilijn verdient een felicitatie. Even geen vervolg van de treurnis downstairs, maar een felicitatie upstairs. Tijdschriften hebben het moeilijk in het huidige visual-digital-social media-tijdperk. Het aantal tijdschriften in ons vakgebied was nooit groot, maar is de laatste vijftien jaar door verschillende oorzaken gekrompen tot een handjevol. In de afgelopen 50 jaar voltrokken […]

Lees meer →

Een halve eeuw Rooilijn verdient een felicitatie. Even geen vervolg van de treurnis downstairs, maar een felicitatie upstairs. Tijdschriften hebben het moeilijk in het huidige visual-digital-social media-tijdperk. Het aantal tijdschriften in ons vakgebied was nooit groot, maar is de laatste vijftien jaar door verschillende oorzaken gekrompen tot een handjevol. In de afgelopen 50 jaar voltrokken zich in de ruimtelijke ordening twee, wellicht drie revoluties. Dat geldt ook voor de stedenbouw die ik verder achterwege laat. De eerste revolutie, de overgang van blauwdrukplanning naar procesplanning, begon vlak na de geboorte van Rooilijn. Zij werd aangedreven door twee motoren, de noodzaak om oude woonwijken uit de periode 1880-1920 aan te pakken en de opkomende vraag aan inspraak, basisdemocratie, medezeggenschap (in het bedrijfsleven), de instelling van ondernemingsraden en dergelijke. De grootscheepse operatie in bestaande stedelijke gebieden vroeg meteen een nieuwe plannings- en procesbenadering. Hoewel de noodzaak om de 40 jaar lang verwaarloosde wijken (crisis jaren ’30 gevolgd door oorlog, bezetting, bouwstop en schrale wederopbouw) aan te pakken autonoom was, maakte zich binnen een paar jaar een nieuwe, jonge en mondige groep bewoners meester van de situatie, vaak samen met de aanwezige kaders van vakbonden en linkse politieke partijen. Er moest gebouwd worden voor de buurt. De toekomst van de stad vloeit voort uit de toekomst van de buurt, niet andersom.

De tweede revolutie voltrok zich rond 1995, toen de volkshuisvesting en de landbouw met hun grote subsidietradities aan de ruimtelijke ordening ontvielen als sterke meewerkende uitvoeringsinstrumenten. Planning in de zin van programmering werd afhankelijk gemaakt van markten van vraag en aanbod, zoals rond 1990 wenselijk werd geacht in de Vierde nota over de
ruimtelijke ordening en de Nota volkshuisvesting in de jaren negentig. Was rond 1970 sprake van een herordening van posities van betrokkenen (bewoners, grondeigenaren) binnen de bestaande van bevoegdheden onder de hoede van de staat (bewoners tartten de staat om hun belangen te behartigen), een kwart eeuw later was er sprake van herordening op een hoger niveau: herverdeling
van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de staat en de samenleving ten gunste van het particulier initiatief. De onderhand geëmancipeerde staatsburger werd zelf verantwoordelijk gemaakt voor zijn activiteiten en de subsidieverslaving van de woningbouw paste niet in het neoliberale sociaal-economische beleid dat de economie na 1985 uit het slop van de economische crisis had getrokken.

Nu is de derde revolutie gaande. De grote hap die de geboortedaling rond 1970 uit de toekomst heeft genomen, werkt nu door in kostbare vergrijzing, terwijl de economie er in het neoliberale tijdvak niet stabieler op is geworden. Maakten burgers in 1967 de staat duidelijk dat die er voor hen is, de neoliberale staat blijkt slecht tegen geëmancipeerde burgers te kunnen en is hen als een arrogante accountant op alle fronten strenger gaan controleren. Burgers zijn er voor de staat, toch? Dat lokt natuurlijk nukkig gedrag uit, onbegrip, afkeer van de politiek en wat daarin voor de elite doorgaat met als hoofdprobleem dat daarin de echte maatschappelijke elite ontbreekt.

De procedurele revolutie van een halve eeuw geleden is vastgelopen in controlitis en procesverlamming. Zou de Omgevingswet van 2016 (van kracht in 2019) haar van de verdrinkingsdood redden? In de nieuwe wet zijn 5.000 regels uit 26 wetten teruggebracht tot 350 regels en 120 ministeriële procedures tot een stuk of tien. Een soort faillissementsopruiming onder de motto’s eenvoudiger, sneller, doorzichtiger voor de burger, doortastender door de staat, niet meer eindeloos op elkaar wachten en doorprocederen. Of het allemaal goed komt met de gestelde doelen goed en de problemen efficiënt worden opgelost weten we pas bij het 60-jarig bestaan van Rooilijn. Er wordt alvast geoefend in kleine zaaltjes met achterdochtige burgers. Rooilijn, blijf dat volgen.

Lees minder