De geschiedenis van kansarme en kansrijke gebieden

28 augustus 2020

Floor Milikowski (2020)

Een klein land met verre uithoeken: ongelijke kansen in veranderend Nederland

Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen
270 p.
ISBN 978-90-450-38841
€ 21,99

Als ik zou moeten kiezen wat de mooiste dierentuin van Nederland is, dan kies ik Dierenpark Emmen vanwege de inrichting en de natuurlijke omgevingen waarin de dieren zich bewegen. Of eigenlijk mochten bewegen. De dierentuin in het centrum van Emmen bestaat namelijk niet meer. De savanne, het olifanteneiland en de vlindertuin zijn nu onderdeel van het Rensenpark geworden, een ontmoetingsplaats voor kunst, cultuur en innovatie. Aan de rand van het centrum is een nieuw attractiepark gebouwd met dieren, met een nieuwe Engelse naam (Wildlands Adventure Zoo Emmen) en met een verdubbeling in oppervlakte. Het is voor de directie van de dierentuin én het gemeentebestuur een poging om mee te gaan in de vaart der volkeren en om zo hopelijk meer bezoekers naar Emmen te trekken. Na het sluiten van allerlei fabrieken in de stad is het paradepaardje van de stad alleen maar belangrijker geworden voor de werkgelegenheid en de middenstand. Het nieuwe ‘dierenbelevenispark’ moet in combinatie met de centrumvernieuwing als economische katalysator werken om zo een eind te maken aan (het imago van) een stad die wordt gekenmerkt door leegloop en werkloosheid.

Deze zoektocht naar nieuwe kansen in Zuidoost-Drenthe past in een landelijk beeld dat Floor Milikowski beschrijft in haar boek Een klein land met verre uithoeken. Diverse regio’s en steden in Nederland hebben namelijk te maken met vormen van krimp. Gebieden die de boot hebben gemist tijdens de transitie van de industriële economie naar een diensteneconomie. Steden en regio’s die in een neerwaartse spiraal terecht kwamen toen er een einde kwam aan de mijnbouw-, scheepsbouw- of textielindustrie. Deze gebieden kampen nog altijd met werkloosheid, vergrijzing, bevolkingsdaling en een braindrain (lees: hoger opgeleiden verhuizen naar elders). Daar tegenover staan echter de steden die onder andere dankzij hun locatie, het rijksbeleid en oplettende bestuurders wel goed uit de (inter)nationale concurrentiestrijd zijn gekomen. Steden die wel goed gedijen op de globalisering en het neoliberale denken en in de afgelopen decennia een kenniseconomie hebben gecreëerd met tal van kantoorbanen, een creatieve industrie en stedelijk vermaak.

Door deze ontwikkelingen zijn er volgens journalist en geograaf Milikowski steeds grotere contrasten ontstaan tussen kansarme en kansrijke gebieden. Samen met de auteur bezoek je in ieder hoofdstuk een andere stad of regio. Aan de ene kant komen we langs plekken die nog aan het worstelen zijn en op zoek zijn naar een nieuwe identiteit en economie: Emmen, Noord-Groningen, Kinderdijk, Helmond, Zuid-Limburg (Sittard, Geleen), Arnhem en Veenhuizen. En aan de andere kant krijgt de lezer informatie over de groeisteden: Groningen, Utrecht (Leidsche Rijn), Rotterdam, Eindhoven, Hoofddorp en Amsterdam.

De meerwaarde van het boek zit vooral in de beschrijvingen van de eerste steden, omdat je over zowel de Randstad als over succesverhalen al genoeg kan lezen. De auteur neemt je mee naar deze diverse plekken aan de hand van tal van journalistieke beschrijvingen:”Vanaf het balkon van haar aanleunwoning kijkt een oude vrouw neer op het dorpsplein. Een auto parkeert in, een fietser komt voorbij. Ik ben in Berg aan de Maas in het zuiden van Limburg. In het dorp is het een dag als elke andere. De straten zijn opgeruimd, de sfeer is gemoedelijk en het tempo is zomers. Ik loop een rondje over het gerenoveerde plein, langs de nette aanleunwoningen met hun vaalrode luifels, bakker Fokatja en een verouderd hotel-restaurant” (p.164).

Daarnaast komen er diverse lokale sleutelfiguren aan het woord: “‘Ik zeg altijd: een begrafenis in Nijmegen is vrolijker dan een bruiloft in Arnhem’, aldus Jaap Modder” (p.200). Rode draad bij deze gesprekken is steeds de vraag welke mogelijkheden er zijn om de plaatselijke economie nieuw leven in te blazen, om bestaande inwoners te behouden en nieuwe bewoners aan te trekken. Hoewel verschillende aspecten worden belicht, levert dit weinig concrete antwoorden op. Alleen in het hoofdstuk over Eindhoven wordt expliciet een aantal succesfactoren genoemd.

De antwoorden komen ook niet van de vele deskundigen die – via korte citaten – aan het woord komen. Aan bod komen onder andere Richard Florida, Wim Derks, Pieter Tordoir, Saskia Sassen, Manuel Castells, Kim Putters, Pieter Winsemius, Riek Bakker, Ries van der Wouden, Henri de Groot, Ton Venhoeven en Jan Rath. Hoewel een groot deel van deze personen een academische achtergrond of functie heeft, wordt het boek nooit echt wetenschappelijk. Dat hoeft natuurlijk ook niet, maar een vleugje meer onderzoeksjournalistiek had wel gemogen. Iets meer zoals de verhalen van De Correspondent. Bijvoorbeeld door een analyse te maken van de overeenkomsten en verschillen tussen de steden. Of door de verschillende observaties en individuele meningen te maatstaven met statistieken en bronnen.

Als er al cijfers worden gebruikt, dan zijn ze alweer van enige tijd geleden. In die zin is het te merken dat het boek een verzameling is van artikelen die eerder verschenen in De Groene Amsterdammer. Het actualiseren en het sterker verbinden van de losse hoofdstukken had het boek interessanter gemaakt. Daarnaast blijft het hier en daar wat vlak. Iets meer scherpte en opinie had hier en daar tot de mogelijkheden behoren. In die zin is het een-na-laatste hoofdstuk een verademing waarin met overtuigende argumenten stelling wordt genomen – door zowel de auteur als de geïnterviewden – over de groeiambities van Schiphol en KLM. Wat dan ook nog eens heel actueel is.

Andere kanttekening bij het boek is het verwachtingspatroon. De achterflaptekst opent met de zinnen: “Maakt het uit of je wordt geboren in Amsterdam of in Delfzijl? Heeft een tiener in het zuiden van Limburg dezelfde kansen als een leeftijdsgenoot in de Randstad?” Nu zal iedereen na het lezen van deze zinnen andere verwachtingen bij een boek hebben, maar ik dacht hierdoor dat dit boek over mensen zou gaan. Over de manier waarop zij proberen hun hoofd boven water te houden. Over onderwijsachterstanden en armoedebestrijding. Het boek gaat echter – zoals het bovenstaande rijtje van deskundigen ook illustreert – over ruimtelijk economisch beleid.

Ook het laatste deel van de ondertitel zette mij op het verkeerde been: ‘Ongelijke kansen in een veranderend Nederland‘. Ik verwacht dan een analyse waaruit blijkt dat er in de laatste jaren verschuivingen aan het plaatsvinden zijn. De verandering gaat echter over de overgang van de industriële economie naar een diensteneconomie, van fabriekswerk naar kantoorwerk. Een ontwikkeling die zich al vanaf de jaren zestig heeft ingezet (maar blijkbaar nog steeds zijn sporen achterlaat).

Ondanks het indrukwekkende en jaloersmakende lijstje van geïnterviewden zal het boek voor veel vakgenoten geen nieuwe feiten of inzichten opleveren. De meerwaarde zit meer in het historische overzicht van de ontwikkelingen van zowel de economie als de ruimtelijke ordening aan de hand van  anekdotische ‘bewijsvoering’. Daarnaast heeft Milikowski een vlotte pen waardoor het boek makkelijk wegleest. Een mooi boek derhalve voor studenten die iets meer verhaal, achtergrond en inkleuring willen hebben bij hun planologische lessen over bijvoorbeeld de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening. En voor de ouders van die studenten die nu eindelijk eens in begrijpelijke taal willen lezen waar de opleidingen (economische) geografie en planologie zich mee bezighouden.

Deze recensie verscheen eerder op het blog Stadslente

Author profile
Gerben is stadsgeograaf, redacteur bij Rooilijn en schrijft regelmatig over stedelijke vraagstukken op zijn blog Stadslente / Urban Springtime. | Website

Sinds 2017 werkt hij enkele dagen per week als coördinator van het Platform Stad en Wijk. Een samenwerkingsverband van lectoraten van diverse hogescholen die zich door middel van praktijkgericht onderzoek bezighouden met maatschappelijke vraagstukken in stad en wijk.
Daarnaast werkt hij enkele dagen per week als kennismakelaar in Delft voor de gemeente, de Haagse Hogeschool, hogeschool Inholland en de TU Delft. Daar coördineert hij onder andere het opzetten en begeleiden van Stadslabs. Dit door vragen uit de wijk te koppelen aan studentenonderzoek. Veelal in samenwerking met maatschappelijke partijen én wijkbewoners. Om zo onderzoek, beleid, onderwijs en praktijk met elkaar te verbinden en meer gebruik te maken van elkaars kennis en expertise.

In het verleden was hij werkzaam als onderzoeker bij Onderzoeksinstituut OTB (TU Delft), als adviseur bij KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing, als sociaal projectleider in de Haagse Schilderswijk en als senior beleidsmedewerker en teamleider bij woningcorporatie Haag Wonen.

In zijn vrije tijd schrijft hij in diverse media en op zijn blog Stadslente over de relatie tussen de geplande en geleefde stad. Met daarbij speciale aandacht voor de manier waarop mensen de openbare ruimte gebruiken. Ook is hij redacteur bij Rooilijn waar hij de rubriek 'recensies en signalementen' coördineert.

Author profile
Gerben is stadsgeograaf, redacteur bij Rooilijn en schrijft regelmatig over stedelijke vraagstukken op zijn blog Stadslente / Urban Springtime. | Website

Sinds 2017 werkt hij enkele dagen per week als coördinator van het Platform Stad en Wijk. Een samenwerkingsverband van lectoraten van diverse hogescholen die zich door middel van praktijkgericht onderzoek bezighouden met maatschappelijke vraagstukken in stad en wijk.
Daarnaast werkt hij enkele dagen per week als kennismakelaar in Delft voor de gemeente, de Haagse Hogeschool, hogeschool Inholland en de TU Delft. Daar coördineert hij onder andere het opzetten en begeleiden van Stadslabs. Dit door vragen uit de wijk te koppelen aan studentenonderzoek. Veelal in samenwerking met maatschappelijke partijen én wijkbewoners. Om zo onderzoek, beleid, onderwijs en praktijk met elkaar te verbinden en meer gebruik te maken van elkaars kennis en expertise.

In het verleden was hij werkzaam als onderzoeker bij Onderzoeksinstituut OTB (TU Delft), als adviseur bij KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing, als sociaal projectleider in de Haagse Schilderswijk en als senior beleidsmedewerker en teamleider bij woningcorporatie Haag Wonen.

In zijn vrije tijd schrijft hij in diverse media en op zijn blog Stadslente over de relatie tussen de geplande en geleefde stad. Met daarbij speciale aandacht voor de manier waarop mensen de openbare ruimte gebruiken. Ook is hij redacteur bij Rooilijn waar hij de rubriek 'recensies en signalementen' coördineert.

Whatsapp

Reageer op deze publicatie

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *