Ruimtelijke ordening als kind van zijn tijd

7 juli 2021

Len de Klerk & Ries van der Wouden (2021)

Ruimtelijke ordening: geschiedenis van de stedelijke en regionale planning in Nederland, 1200-nu

nai010, Rotterdam
336 p.
ISBN 978-94-6208-623-4
€ 49,95

Veel afgestudeerde planologen zullen bekend zijn met het boek van Van der Cammen en De Klerk over de geschiedenis van de Nederlandse ruimtelijke ordening. De eerste editie hiervan verscheen in 1986 en werd sindsdien regelmatig vernieuwd. Deze zomer verschijnt opnieuw een geactualiseerde (en stevig ingedikte) versie van dit boek. Len de Klerk, emeritus hoogleraar planologie aan de Universiteit van Amsterdam, werkte hiervoor samen met Ries van der Wouden, werkzaam bij het Planbureau voor de Leefomgeving en auteur van De ruimtelijke metamorfose van Nederland 1988-2015.

Het boek ambieert systematisch en chronologisch de geschiedenis van de Nederlandse ruimtelijke ordening te behandelen en staat vol  prachtig beeldmateriaal. Het boek beslaat een lange geschiedenis, van 1200 tot 2021, die in slechts vijf hoofdstukken wordt behandeld. Met grote stappen wordt er door de geschiedenis gestapt: stukjes algemene geschiedenis worden afgewisseld met gedetailleerde planologische voorbeelden afkomstig uit heel Nederland. De Klerk en Van der Wouden kijken consequent naar het grondbeleid van die tijd en laten duidelijk zien hoe de ruimtelijke ordening een kind van zijn tijd is, en ingebed is in bredere sociale patronen.

Het boek behandelt alle ‘klassiekers’ uit de ruimtelijke ordening van de 20ste eeuw, zoals de Woningwet (1901), het ‘groeikernenbeleid’ en het idee van ‘gebundelde deconcentratie’ (uit de 2e Nota, 1966), en later ‘de compacte stad’ (4e Nota, 1988) en Vinex (4e Nota Extra, 1991). Vakgenoten zullen ook genieten van jargon als ‘cityvorming’ (tot 1970) en het creëren van een ‘multifunctioneel stedelijk forum’ (na 1970). De basis van onze ruimtelijke ordening is echter vaak al voor 1900 bepaald. Hoofdstukken 2 en 3 bespreken helder het ontstaan van Nederland door droogleggingen en inpolderingen. Ook is er terecht veel aandacht voor de invloed van de ruilverkaveling op het landelijk gebied en voor de stedelijke regio’s en stadsgewesten van voor 1900. Nationale nota’s verschenen pas veel later.

Een toevoeging aan de herziene versie is een blik op de toekomst. Met een co-auteur afkomstig van het PBL kan het haast niet anders dat het boek afsluit met het doortrekken van trends en scenariobouw. Wat braaf wordt geconcludeerd dat “Nederland de komende decennia de nodige ruimtelijke veranderingen te wachten staan” (p.313) en dat de Nederlandse ruimtelijke ordening een “nieuwe ronde” ingaat. Het blijft tenslotte een wetenschappelijk boek dat systematisch het hele vakgebied beschrijft. Voor spannendere conclusies moet de lezer op andere plekken zijn (zoals Lörzing, 2021).

Door de bijzondere langjarige focus van het boek kom je bijna vanzelf tot de conclusie dat de ontwikkelingsgang van de ruimtelijke ordening een cyclisch karakter heeft. Deze conclusie is zeer relevant: de dilemma’s die nu spelen, en waardoor de ruimtelijke ordening nationaal weer volop in de belangstelling staat, zijn niet uniek. Zorgen om een aantrekkelijke stad en het garanderen van een veilige delta zijn van alle tijden. Het boek laat goed zien hoe zulke dilemma’s verschillend zijn aangevlogen door de eeuwen heen én hoe er soms maar weinig vooruitgang is geboekt. Zoals de auteurs bijvoorbeeld stellen aan het eind van hoofdstuk 4: de ruimtelijke ordening is geen sector met eigen budgetten, en is daardoor afhankelijk van andere sectoren. Er lijkt nog weinig veranderd.

Waar de hedendaagse planologie veel weg is gaan hebben van ruimtelijke bestuurskunde – met de focus op ‘governance’ – zijn De Klerk en Van der Wouden duidelijk over de wortels van de planologie: die liggen in de architectuur en stedenbouw. Pas met de opkomst van het idee van survey before plan (gepropageerd door Geddes in Schotland en later De Casseres in Nederland) werd de aansluiting gezocht met de sociale wetenschappen. Ruimtelijke plannen moesten niet meer op esthetische, maar vooral op sociaalwetenschappelijke gronden ontworpen worden. De ruimte moest rationeel en efficiënt geordend worden, waarbij plannen ook een duidelijk verheffingsideaal hadden. Een mooi voorbeeld hiervan is de bespreking van ‘de wijkgedachte’ in hoofdstuk 4. Vanaf de jaren zeventig schuift de ruimtelijke ordening verder op naar de sociale wetenschappen en wordt het vakgebied een vorm van strategische besluitvorming, te zien in termen als ‘interactieve planning’ of ‘onderhandelingsplanologie’ (hoofdstuk 5).

Hoewel de hoofdstukken duidelijk chronologisch zijn ingestoken, gaat het binnen de hoofstukken soms van de hak op de tak: de ruimtelijke ordening als Nederlandse praktijk wordt besproken op nationaal niveau én lokaal niveau, waardoor je wisselt van nationale nota’s naar stadsvernieuwingsvisies of plannen voor het buitengebied. Tussendoor worden ook nog eens internationale trends en de ontwikkeling van de planologie als wetenschapsveld behandeld. De auteurs verdedigen dit door geen “strikte chronologie” aan te houden, “maar een thematische benadering via schaalsprongen en actie-reactiepatronen” (p.284). Dat neemt niet weg dat het je – zeker als jonge student onbekend met het vakgebied – soms kan duizelen.

De tussenkopjes helpen daarbij niet altijd, en de wat abstracte hoofdstuktitels maken dat wel heel veel onderwerpen onder één noemer besproken kunnen worden. Ook knelt het aantal woorden op een aantal plekken, met zeer beknopte besproken thema’s. De samenvattende kaders in enkele hoofdstukken zijn daarentegen wel overzichtelijk en helder.

Het boek is een van de weinige recente uitgaven over het Nederlandse vakgebied dat toegankelijk is voor een breed publiek. Dat is bemoedigend om twee redenen. Enerzijds omdat door de internationalisering van het universitaire onderwijs de rijke geschiedenis van de Nederlandse ruimtelijke ordening niet meer zo gedetailleerd wordt behandeld in onderwijscurricula. Anderzijds omdat veel planologie-opleidingen in Nederland tegenwoordig hun boeken aanbieden via digitale onderwijsplatforms en daardoor wat uit het zicht verdwijnen (zie bijvoorbeeld Voogd c.s. uit Groningen; en Spit & Zoete uit Utrecht). Het boek van De Klerk en Van der Wouden zal daarom hopelijk niet alleen een nieuwe generatie planologen enthousiast krijgen voor het vakgebied, maar ook buitenstaanders die zich willen verdiepen in het “meest geplande land van Europa”.

Referenties

Lörzing, H. (2021). Een land waarover is nagedacht: Hoe de planners Nederland vormgaven. De Geus, Amsterdam.

Spit, T. & Zoete, P. (2016). Planologie. Een wetenschappelijke introductie in de ruimtelijke ordening in Nederland. InPlanning, Groningen.

Woltjer, J., Van Dijk, T., & Voogd, H. (2015). Facetten van de planologie. InPlanning, Groningen.

Van der Wouden, R. (red.) (2015). De ruimtelijke metamorfose van Nederland 1988-2015. Het tijdperk van de Vierde Nota. nai010, Rotterdam.

Author profile
Jannes is universitair docent planologie aan de Universiteit van Amsterdam en redacteur bij Rooilijn en InPlanning

Als universitair docent planologie verzorgt Jannes (j.j.willems@uva.nl) onderwijs in de bachelors Sociale Geografie & Planologie en Future Planet Studies.

Centraal in zijn onderzoek staat de rol die infrastructuur- en waterbeheerders spelen in ruimtelijke transformaties. Jannes onderzoekt bijvoorbeeld hoe stedelijke waterbeheerders nieuwe blauwgroene infrastructuren realiseren om de stad klimaatbestendig te maken, en welke nieuwe samenwerkingen beheerders hiervoor opzetten met bedrijven, bewoners en andere organisaties. Daarnaast onderzoekt hij hoe de renovatie en vervanging van verouderde infrastructuur kan worden gecombineerd met andere ruimtelijke vraagstukken.

Eerder was Jannes werkzaam aan de Erasmus Universiteit als postdoc (afdeling Bestuurskunde). Hij promoveerde in 2018 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Author profile
Jannes is universitair docent planologie aan de Universiteit van Amsterdam en redacteur bij Rooilijn en InPlanning

Als universitair docent planologie verzorgt Jannes (j.j.willems@uva.nl) onderwijs in de bachelors Sociale Geografie & Planologie en Future Planet Studies.

Centraal in zijn onderzoek staat de rol die infrastructuur- en waterbeheerders spelen in ruimtelijke transformaties. Jannes onderzoekt bijvoorbeeld hoe stedelijke waterbeheerders nieuwe blauwgroene infrastructuren realiseren om de stad klimaatbestendig te maken, en welke nieuwe samenwerkingen beheerders hiervoor opzetten met bedrijven, bewoners en andere organisaties. Daarnaast onderzoekt hij hoe de renovatie en vervanging van verouderde infrastructuur kan worden gecombineerd met andere ruimtelijke vraagstukken.

Eerder was Jannes werkzaam aan de Erasmus Universiteit als postdoc (afdeling Bestuurskunde). Hij promoveerde in 2018 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Whatsapp

Reageer op deze publicatie

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.