Hedendaagse romantiek

3 december 2020

Dagblad Trouw meldt op voorspraak van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Vereniging Natuurmonumenten dat in de afgelopen tijd nogal wat kasteelruïnes in het Nederlandse landschap als trouwlocatie zijn ontdekt. Ik zie de filmische scènes meteen voor me. Om de catering ter plaatse te laten functioneren zijn misschien wat voorzieningen nodig geweest. De romantische atmosfeer is ook wat aangezet door hier en daar een decorstuk toe te voegen. Het bruidspaar zit op de voorste rij; de fotograaf dartelt in het rond.

Van de tachtig ruïnes die door Monumentenzorg en Natuurmonumenten onderzocht zijn, blijkt bijna de helft in de laatste twintig jaar aangepakt te zijn en er volgen er meer. De ruïne van Daelenbroeck werd als hotel in gebruik genomen, nadat op basis van niet bestaande historische technische tekeningen een quasi-oude toren werd toegevoegd. Een paar jaar geleden werd op het nippertje voorkomen dat de Valkhofburcht, beschikkend over een verleden dat bijna twee millennia bestrijkt, verrijkt werd met een eveneens gefingeerde toren. Het ontwikkelaarsplan ontstond in het kielzog van een nogal in de smaak vallende publieksmanifestatie.

Menigeen, en zeker wie nog niet meteen aan trouwen toe is, zal het een gruwel zijn en ook de monumentenzorgers maken zich zorgen. De aanbouwsels en verbouwingen die nodig zijn om eigentijds leisure mogelijk te maken vegen immers geschiedenis weg. Maar je kunt het historische verhaal alleen geloofwaardig vertellen wanneer de omgeving ook echt klopt. ‘We zijn hier te opruimerig’, zegt een van de onderzoekers in Trouw.

Het is interessant om vast te stellen dat de ruïnecultus uiteindelijk zo ook ons gewoonlijk tamelijk opgeruimde land heeft weten te bereiken. De romantiekzoekers voelen zich ertoe aangetrokken en de heemschutters evenzeer, ieder met een eigen motief. De heemschutters zullen zich nog steeds aangesproken voelen door het meeslepende pleidooi van John Ruskin, waarmee de monumentenzorg in de negentiende eeuw vanuit Engeland de wind in de zeilen kreeg: “Take proper care of your monuments, and you will not need to restore them. (…) We have no right whatever to touch them. They are not ours. They belong partly to those who built them, and partly to all the generations of mankind who are to follow us.”

Ik ben geneigd om mee te voelen met dit respect voor de prestaties van de doden, al verlamt het de bewegingsruimte van de levenden. Het is dan ook begrijpelijk dat de Nederlandse monumentenzorg vanaf het prille begin verdraagzaam is geweest voor drastisch ingrijpen in het erfgoed, waarbij het verlies aan materiële authenticiteit voor lief werd genomen. Zelfs bij zorgvuldig uitgevoerde restauraties zijn in de praktijk historische bouwlagen weggeveegd en favoriete historische periodes uitvergroot ten koste van andere. In materiële zin is vrijwel ieder Nederlands monument eerder een afbeelding van een met zorg bepaalde historische toestand dan dat het op authenticiteit aanspraak kan maken.

Is het dan niet vreemd dat precies dit verlies aan authenticiteit nu opspeelt bij de omgang met de vaderlandse kasteelruïnes? Waarom zouden die de dans moeten ontspringen? Het moet wel liggen aan de directe confrontatie met een concreet bouwval; aan de ervaring van een omgeving met een krachtige atmosfeer die het ridderlijke verhaal als vanzelf doet ontstaan. Zullen we ons voor deze uitzonderlijk schaarse categorie in de historische erfenis alsnog conformeren aan de instructie van Ruskin, al is dat in het volle besef dat het bevriezen van een ruïneuze toestand nogal arm is aan vitaal perspectief?

Het kan ook anders. Voor militaire ruïnes is in Nederland een heel wat avontuurlijker programma in zwang geraakt. De forten van de Stelling van Amsterdam en de Hollandse Waterlinie worden een voor een verleisured. Er kraait geen haan naar. Ze krijgen wel architectuurprijzen en komen in het Jaarboek als voorbeelden van geslaagde transformatie. Het wachten is op de eerste prijzenswaardige trouwlocatie in, of desnoods op, een kasteelruïne.

Trouwerij bij kasteel Daelenbroeck in Herkenbosch (foto: Henk-Jan van der Klis via Flickr)

Author profile
Bernard Colenbrander
Bernard is hoogleraar Architectuurgeschiedenis en theorie aan de Technische Universiteit Eindhoven

Bernard Colenbrander’s Architectural History and Theory chair group (AHT) is based on a shared interest in the intellectual foundations of the architectural discipline. The deep roots of the architectural history domain are investigated in Eindhoven, especially in so far as they relate to design issues that are still relevant. The same is true for the related domain of architectural theory, which delivers the concepts along which designs are generated. A special interest within AHT is for the application of philosophical ideas with architecture, for architectural criticism, as a device to evaluate the current trends in architectural and urban design and the contemporary design production. The chair group AHT is also the natural basis for research into heritage issues, especially since Eindhoven was invited to house a Unesco chair concerning this important societal issue. The scope of the research done by AHT is international and increasingly global, but it is also based on confidence in the cultural specificities typical for the European conditions in general and the Netherlands in particular. The range of AHT, including combined issues of history, theory, criticism and heritage, has proven to be relevant directly to the academic practice of design. This has resulted in a special interest in possible combinations of research and design.

Bernard Colenbrander graduated from the University of Groningen in 1982, where he also defended his PhD in 1999, titled The Dispersed City. In 1983 he became archival curator at the Nederlands Documentatiecentrum voor de Bouwkunst in Amsterdam. Since the late 1980s he worked at the Netherlands Architecture Institute (NAI) in Rotterdam, ultimately as chief curator. In 2000, he started an independent research practice and began working for the Ministry of Education, Culture and Science, where he was responsible for spatial planning policy. In 2002, he was awarded the Pierre Bayle prize for architectural criticism. He has been professor of Architectural History & Theory at Eindhoven University of Technology since 2005.

Author profile
Bernard Colenbrander
Bernard is hoogleraar Architectuurgeschiedenis en theorie aan de Technische Universiteit Eindhoven

Bernard Colenbrander’s Architectural History and Theory chair group (AHT) is based on a shared interest in the intellectual foundations of the architectural discipline. The deep roots of the architectural history domain are investigated in Eindhoven, especially in so far as they relate to design issues that are still relevant. The same is true for the related domain of architectural theory, which delivers the concepts along which designs are generated. A special interest within AHT is for the application of philosophical ideas with architecture, for architectural criticism, as a device to evaluate the current trends in architectural and urban design and the contemporary design production. The chair group AHT is also the natural basis for research into heritage issues, especially since Eindhoven was invited to house a Unesco chair concerning this important societal issue. The scope of the research done by AHT is international and increasingly global, but it is also based on confidence in the cultural specificities typical for the European conditions in general and the Netherlands in particular. The range of AHT, including combined issues of history, theory, criticism and heritage, has proven to be relevant directly to the academic practice of design. This has resulted in a special interest in possible combinations of research and design.

Bernard Colenbrander graduated from the University of Groningen in 1982, where he also defended his PhD in 1999, titled The Dispersed City. In 1983 he became archival curator at the Nederlands Documentatiecentrum voor de Bouwkunst in Amsterdam. Since the late 1980s he worked at the Netherlands Architecture Institute (NAI) in Rotterdam, ultimately as chief curator. In 2000, he started an independent research practice and began working for the Ministry of Education, Culture and Science, where he was responsible for spatial planning policy. In 2002, he was awarded the Pierre Bayle prize for architectural criticism. He has been professor of Architectural History & Theory at Eindhoven University of Technology since 2005.

Whatsapp

Reageer op deze column

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.